Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:4422

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-06-2021
Datum publicatie
22-09-2021
Zaaknummer
8697968 \ CV EXPL 20-4030
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Samenwerkingsverband had niet de kenmerken van een agentuurovereenkomst. Concurrentie- en relatiebeding in de beeindigingsovereenkomst rechtsgeldig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 8697968 \ CV EXPL 20-4030

Uitspraakdatum: 9 juni 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser]

gevestigd te [plaats]

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. M.S.F. Loor

tegen

de besloten vennootschap

Next Generation B.V.

gevestigd te Waarland

gedaagde

verder te noemen: Next Generation

gemachtigde: mr. X.M. Koning

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 10 december 2019, tevens houdende een incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening, bij de rechtbank een vordering tegen Next Generation ingesteld. Next Generation heeft schriftelijk geantwoord en gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaard.

1.2.

Bij vonnis van 8 april 2020 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen en de zaak verwezen naar de rolzitting van de kamer voor kantonzaken van woensdag 22 april 2020.

1.3.

[eiser] heeft op 4 november 2020 in de hoofdzaak schriftelijk gereageerd en een tegenvordering ingediend.

1.4.

Next Generation heeft voorafgaande aan de zitting van 15 maart 2021 een schriftelijke reactie op de tegenvordering gegeven en haar eis gewijzigd.

1.5.

Op 15 maart 2021 heeft een zitting plaatsgevonden. Verschenen zijn, [eiser] , vergezeld van mr. Loor, en [xxx] en [yyy] namens Next Generation, vergezeld van mr. Koning. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Partijen hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [xxx] hebben sinds 2008 samengewerkt in de handel in pallets. Deze activiteiten werden verricht voor rekening van Next Generation B.V., waar [yyy] directeur en aandeelhouder van is.

2.2.

De samenwerking is beëindigd per 1 juni 2018. Daartoe hebben partijen een overeenkomst tot beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst tussen Next Generation en [eiser] gesloten. Die overeenkomst houdt onder meer in:

  1. Per 1 juni 2018 beëindigd de samenwerkingsovereenkomst tussen Next Generation B.V. en [eiser] , geb. [geboortedatum] .

  2. Overeengekomen is dat Next Generation B.V. een bedrag betaald ad. € 110.00,- excl. BTW + € 55.000,- excl. BTW als het aandeel van [eiser] in de aanwezige inventaris.

  3. Tot deze datum heeft [eiser] recht op 50% van de winst conform overzicht van Next Generation B.V. onder aftrek van € 50.000,- voor de huur van de loods.

  4. (..)

  5. Per deze datum verklaart [eiser] dat hij zich niet meer bezig houdt met de aan- en verkoop van pallets en in deze geen contact meer heeft met de afnemers en leveranciers van Next Generation B.V. of indien hij daar wordt gevraagd om te doen.

  6. Indien [eiser] zich niet houdt aan dit artikel zal er een boete verschuldigd zijn van € 1.000 per dag zolang dit voortduurt.

  7. (…)

  8. De in deze overeenkomst genoemde bedragen geldt als finale kwijting van alle eventuele vorderingen en/of schulden tussen [eiser] en Next Generation B.V.

2.3.

[eiser] heeft in augustus 2019 [yyy] verzocht om afspraken te maken over beëindiging van de beëindigingsovereenkomst. Bij brief van 21 augustus 2019 heeft [eiser] deze overeenkomst, voor zover deze de concurrentiebeperking betrof, opgezegd per 1 november 2019.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert, na wijziging van eis, primair (samengevat) dat de kantonrechter voor recht verklaart dat de samenwerking tussen partijen in de periode vanaf 2008 tot het sluiten van de beëindigingsovereenkomst van 17 mei 2018 dient te worden gekwalificeerd als agentuurovereenkomst en voor recht verklaart dat het concurrentiebeding zoals daarin is overeengekomen nietig is, althans dat de kantonrechter dat beding vernietigt. De verschillende meer subsidiaire vorderingen strekken ertoe dat de overeenkomst wordt opgezegd of beëindigd en dat het concurrentiebeding op enig moment eindigt of teniet wordt gedaan. [eiser] vordert daarbij veroordeling van de Next Generation in de kosten van de procedure, te vermeerderen met wettelijke rente en afwikkelingskosten.

3.2.

[eiser] legt aan die gewijzigde vordering het volgende ten grondslag.

Het concurrentiebeding voldoet niet aan de wettelijke eisen van 7:443 BW, omdat het niet betrekking heeft op het gebied of de klantenkring dat aan [eiser] als agent was toevertrouwd. Daarnaast moet het concurrentiebeding gekwalificeerd worden als een duurovereenkomst die door [eiser] kon worden (en is) opgezegd, omdat er geen overeengekomen of wettelijke opzegtermijn is en het enkele tijdsverloop sinds het overeenkomen van het concurrentiebeding opzegging rechtvaardigt. Indien een zwaarwegend belang nodig is voor opzegging, dan is dat belang gelegen in het feit dat een concurrentiebeding voor onbepaalde tijd naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in dit geval onaanvaardbaar is, omdat het concurrentiebeding [eiser] beperkt in zijn mogelijkheden om naar zijn eigen inzichten werkzaamheden te verrichten (in de pallethandel) en het beding strijdig is met het recht op vrije keuze van arbeid in de zin van artikel 19 lid 3 van de Grondwet. [eiser] wordt door het concurrentiebeding onbillijk benadeeld, op grond waarvan het beding teniet gedaan moet worden op grond van artikel 7:443 lid 4 BW. Tenslotte geldt dat op grond van artikel 7:443 lid 2 BW de maximale duur van het concurrentiebeding twee jaar is na het einde van de (samenwerkings)overeenkomst en het concurrentiebeding daarom uiterlijk op 15 mei 2020 komt te vervallen. Het concurrentiebeding is voorts in strijd met het bepaalde in artikel 6 van de Mededingingswet (Mw) en daarom nietig, aldus [eiser] .

4 Het verweer en de tegenvordering

4.1.

Next Generation betwist de vordering. Zij voert aan (samengevat) dat [eiser] zijn werkzaamheden in de pallethandel niet heeft uitgevoerd op provisiebasis of als ZZP’er. Partijen hebben besloten en zijn overeengekomen dat [eiser] voorgoed uit de pallethandel weg zou blijven en daarvoor heeft hij het overeengekomen bedrag van € 110.000,00 ontvangen.

Next Generation B.V. vordert voorts bij wijze van tegenvordering dat de kantonrechter [eiser] veroordeelt tot betaling van

  • -

    € 63.000,00 wegens het toch weer in de pallethandel begeven;

  • -

    € 36.000,00 wegens het contact zoeken met en het leveren aan de afnemer en leverancier van Next Generation;

  • -

    voornoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis;

Next Generation vordert, voorwaardelijk, als het concurrentie- en relatiebeding in stand blijft, [eiser]

  • -

    een last onder dwangsom op te leggen van € 10.000,00 ineens en € 1.000,00 per dag als [eiser] de website [eiser] .NL of een andere website die aan hem gelinkt is en betrekking heeft op de handel in pallets, online weergeeft;

  • -

    een last onder dwangsom op te leggen van € 25.000,00 ineens en € 1.000 per dag per overtreding als [eiser] de leveranciers en afnemers van Next Generation direct hetzij indirect benadert en/of handel mee drijft;

Next Generation vordert, voorwaardelijk als het concurrentie- en relatiebeding wordt beperkt, dat [eiser] wordt veroordeeld tot terugbetaling van € 110.000,00;

Next Generation vordert daarbij telkens veroordeling van [eiser] in de kosten van geding, de nakosten en de kosten van de betekening van het vonnis.

4.2.

Next Generation legt aan de tegenvordering ten grondslag, dat tegenover het overeengekomen concurrentie- en relatiebeding een vergoeding aan [eiser] van € 100.000,00 is betaald, die hij moet terugbetalen als het beding nietig is of vernietigd wordt. Verder heeft [eiser] , ondanks de bepalingen in de overeenkomst, zich wederom in de pallethandel begeven. Daarom is hij de gevorderde boetes verschuldigd. Omdat het overeengekomen boetebeding [eiser] er kennelijk niet van weerhoudt om zich bezig te houden met de pallethandel, vordert Next Generation dwangsommen voor het geval [eiser] het concurrentie- en relatiebeding nogmaals overtreedt.

5 Het verweer tegen de tegenvordering

5.1.

[eiser] betwist de tegenvordering. Hij erkent dat hij na de uitspraak van de rechtbank van 8 april 2020 voorbereidingen heeft getroffen om zich weer in de pallethandel te begeven. Hij heeft eenmalig een overeenkomst gesloten met een bekend contact, wat hem € 1.200,00 heeft opgeleverd. Hij heeft slechts korte tijd -op twee dagen- een website met een logo en de tekst “Pallethandel” online gehad. Volgens [eiser] is hij daarom hooguit een boete van € 6.000,00 verschuldigd.

6 De beoordeling

de vordering en de tegenvordering

de bevoegdheid van de kantonrechter

6.1.

Zoals ook de rechtbank in het tussenvonnis van 8 april 2020 heeft overwogen, worden op grond van artikel 93 sub c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zaken betreffende een agentuurovereenkomst door de kantonrechter behandeld en beslist. Hieronder vallen ook vorderingen tot betaling van een beëindigings- dan wel een klantenvergoeding en vorderingen uit hoofde van een non-concurrentiebeding na het einde van de agentuurovereenkomst. Uit artikel 94 lid 2 Rv volgt dat, indien een zaak meer vorderingen betreft en tenminste één daarvan een vordering is als bedoeld in artikel 93 onder c Rv, deze vorderingen alle door de kantonrechter worden behandeld en beslist, voor zover de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet.

6.2.

De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard en de zaak naar de kamer voor kantonzaken verwezen, omdat [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd dat de samenwerking tussen partijen een agentuurovereenkomst inhield en hij vrijwel al zijn vorderingen baseert op de wettelijke bepalingen van afdeling 4 Titel 7 Boek 7 BW, welke afdeling ziet op agentuurovereenkomsten. De kantonrechter, die op grond van artikel 71 lid 5 Rv aan de verwijzing is gebonden, is de bevoegde rechter om over de vorderingen van [eiser] te oordelen. De tegenvorderingen van Next Generation zijn gegrond op dezelfde uit de samenwerking tussen partijen voorvloeiende beëindigingsovereenkomst en hangen dermate samen met de vorderingen van [eiser] , dat zij zich lenen voor gezamenlijke behandeling door de kantonrechter.

de vordering

6.3.

De rechtbank heeft, anders dan [eiser] kennelijk meent, met de verwijzing naar de kantonrechter geen oordeel gegeven over de kwalificatie van de samenwerking tussen partijen en de daaropvolgende beëindigingsovereenkomst. Nu Next Generation bestrijdt dat de samenwerking tussen partijen beschouwd kan worden als een agentuurovereenkomst terwijl [eiser] zijn vorderingen primair en hoofdzakelijk baseert op de wettelijke bepalingen dienaangaande, zal de kantonrechter moeten beoordelen of de samenwerking als een bijzondere vorm van opdracht, namelijk als een agentuurovereenkomst, kan worden aangemerkt.

6.4.

Volgens artikel 7:428 lid 1 BW is een agentuurovereenkomst een overeenkomst waarbij de ene partij, de principaal, aan de andere partij, de handelsagent, opdraagt, en deze zich verbindt, voor een bepaalde of onbepaalde tijd en tegen beloning bij de totstandkoming van overeenkomsten bemiddeling te verlenen, en deze eventueel op naam en voor rekening van de principaal te sluiten zonder aan deze ondergeschikt te zijn. Of sprake is van een agentuurovereenkomst, hangt niet af van hoe partijen dit beoordelen, maar uitsluitend van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden die de wet stelt, waarbij mede van belang is hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en de wijze waarop zij de overeenkomst feitelijk hebben uitgevoerd.

6.5.

[eiser] stelt dat hij in de periode van samenwerking heeft bemiddeld bij het in- en verkopen van pallets en namens Next Generation overeenkomsten heeft gesloten. Zijn werkzaamheden bestonden uit inkoop en verkoop van pallets en de daarbij behorende administratie. Daarbij had hij contact met leveranciers en afnemers. [eiser] stelt dat hij maandelijks een provisie factureerde die afhankelijk was van de uit de pallethandel behaalde omzet in diezelfde maand.

6.6.

Next Generation bestrijdt dat [eiser] als agent op provisiebasis heeft gewerkt. Volgens Next Generation was [yyy] degene die klanten bezocht en aanbracht, terwijl [eiser] op kantoor de administratie, bestellingen en leveringen van de pallethandel verwerkte. Next Generation wijst er daarbij op dat [eiser] zich vooral bezighield met de administratie. Vanaf begin 2009 zijn de activiteiten ondergebracht in Next Generation B.V. Aanvankelijk is de winst uit de pallethandel 70-30% tussen [yyy] en [eiser] verdeeld, vanaf het moment dat de investering van [yyy] was terugverdiend, was dat 50-50%. De maandelijkse facturen van [eiser] betreffen derhalve geen provisiefacturen, maar voorschotten op het te behalen winstaandeel, aldus Next Generation.

6.7.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] , tegenover de gemotiveerde ontkenning van Next Generation, onvoldoende onderbouwd dat de samenwerking de kenmerken van de agentuurovereenkomst kende. Met name de door Next Generation gestelde beloningsafspraken, een winstdeling van aanvankelijk 70-30% en later op 50-50 basis, zijn door [eiser] niet bestreden en weerlegd. Nu geen sprake is van beloning gerelateerd aan de totstandkoming van overeenkomsten, (provisie) is niet voldaan aan de voorwaarden die de wet stelt ten aanzien van de overeenkomst van agentuur. Dat deze verdeling van de winst, die niet aan door [eiser] behaalde resultaten was gerelateerd, toch als provisie moet worden geduid, is door [eiser] niet onderbouwd of toegelicht.

6.8.

[eiser] heeft voorts onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld ter onderbouwing van zijn standpunt dat tussen partijen een agentuurovereenkomst heeft bestaan. Aan bewijslevering wordt om die reden niet toegekomen.

6.9.

Het voorgaande betekent dat de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht dat de samenwerking tussen partijen in de periode vanaf 2008 tot het sluiten van de beëindigingsovereenkomst van 17 mei 2018, dient te worden gekwalificeerd als agentuurovereenkomst, moet worden afgewezen.

6.10.

Dat van een agentuurovereenkomst geen sprake is, brengt met zich dat [eiser] ten aanzien van het in de beëindigingsovereenkomst opgenomen concurrentie- c.q. relatiebeding zich niet kan beroepen op het bepaalde in artikel 7:443 BW. Zijn stellingen dat op grond van die bepaling dit beding nietig of vernietigbaar is, of beëindigd kan worden, treffen geen doel.

6.11.

[eiser] stelt in dit verband nog dat het concurrentiebeding in strijd komt met artikel 6 van de Mw. Op grond van dat artikel zijn overeenkomsten tussen ondernemingen (daaronder begrepen zelfstandige vrije beroepsbeoefenaars, zoals artsen) die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst, verboden. De krachtens het eerste lid verboden overeenkomsten en besluiten zijn, zo volgt uit het tweede lid van het artikel, van rechtswege nietig. Artikel 7 lid 1 sub a Mw bepaalt dat artikel 6 lid 1 Mw niet geldt voor overeenkomsten voor zover daarbij ondernemingen betrokken zijn die daadwerkelijke of potentiële concurrenten zijn op een of meer van de relevante markten, indien het gezamenlijke marktaandeel van de bij die overeenkomst betrokken ondernemingen op geen van de relevante markten waarop de overeenkomst van invloed is, groter is dan tien procent. Alleen al omdat niet is gesteld, laat staan aannemelijk is geworden, dat het gezamenlijke marktaandeel van de bij de overeenkomst betrokken “ondernemingen” groter is dan tien procent, kan niet worden geconcludeerd dat het concurrentiebeding nietig is.

6.12.

[eiser] heeft in zijn conclusie van antwoord in reconventie nog gesteld dat, los van de vraag of sprake is van een agentuurovereenkomst, in algemene zin kan worden geconcludeerd dat een eeuwigdurend concurrentiebeding, altijd verder gaat dan redelijkerwijs noodzakelijk kan worden geacht. Nog afgezien van het feit dat [eiser] in de dagvaarding de grondslag van zijn vordering volledig moet stellen, gaat de kantonrechter aan deze stelling voorbij, omdat [eiser] daaraan geen andere conclusie heeft verbonden dan dat sprake is van strijd met art 6 Mw.

6.13.

Tot slot heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat het concurrentiebeding een duurovereenkomst is, die door hem schriftelijk is opgezegd. Zijn subsidiaire vorderingen zijn daarop gebaseerd. De kantonrechter overweegt dat er geen sprake is van een duurovereenkomst. Een duurovereenkomst is een overeenkomst waaruit een verplichting voortvloeit om ofwel gedurende zeker tijd periodiek, of zo dikwijls als de schuldeiser daartoe de wens te kennen geeft, een zekere prestatie te verrichten. De prestaties dienen voortdurend, telkens terugkerend of opeenvolgend te zijn (zie bv. Asser-Hartkamp 4 II, nr. 71, 2005). Een kenmerk van een duurovereenkomst is dat partijen zich jegens elkaar hebben verbonden gedurende een bepaalde of onbepaalde tijd over en weer voortdurende of telkens terugkerende prestaties te verrichten. Dat is hier niet het geval. Daarbij komt dat het concurrentiebeding als zodanig geen duurovereenkomst is, maar een beding in de beëindigingsovereenkomst, dat onlosmakelijk is verbonden met de overige bepalingen van deze overeenkomst. Het concurrentiebeding kan dan ook niet afzonderlijk worden opgezegd.
De stelling van [eiser] dat sprake is van een zwaarwegend belang voor opzegging van het concurrentiebeding zal daarom onbesproken blijven.

6.14.

De conclusie is dat de kantonrechter de vorderingen van [eiser] zal afwijzen.

6.15.

De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt.

de tegenvordering

6.16.

Next Generation vordert op grond van de artikelen 5 en 6 van de beëindigingsovereenkomst betaling van € 63.000,00 wegens het toch weer in de pallethandel begeven en € 36.000,00 wegens het contact zoeken met en het leveren aan de afnemer en leverancier van Next Generation, te vermeerderen met de wettelijke rente over die bedragen vanaf de datum van het vonnis.

6.17.

Next Generation legt daaraan ten grondslag dat [eiser] op 29 juli 2020 zijn website [eiser] .NL online heeft geïntroduceerd, met daarop vermeld de naam “Pallethandel”. Next Generation heeft [eiser] op 24 september 2020 aangeschreven tot verwijdering daarvan, maar de site was op 30 september 2020 nog steeds online, tot ze op 1 oktober 2020 offline is gehaald. Dat is volgens Next Generation een overtreding van 63 dagen. Voorts stelt Next Generation dat [eiser] driemaal pallets heeft geleverd aan een afnemer van Next Generation.

6.18.

[eiser] heeft erkend dat zijn site op 29 juli 2020 en 30 september 2020 online was en dat daarop de naam “Pallethandel” zichtbaar was. Hij ontkent dat in die tussenliggende periode de site online was en stelt dat de overtreding daarmee slecht twee dagen heeft plaatsgevonden. Ook erkent hij de levering aan een afnemer van Next Generation. Hij heeft eenmaal contact gehad met die afnemer en op drie momenten geleverd. Die overtreding heeft daarmee op vier dagen plaatsgevonden. Aldus berekent [eiser] de totale boete op € 6.000,00.

6.19.

De kantonrechter stelt vast dat, zoals door [eiser] is erkend, [eiser] artikel 5 van de beëindigingsovereenkomst heeft overtreden door het online brengen van zijn website waarop “Pallethandel” is vermeld en door het leveren van pallets aan een afnemer van Next Generation. Op grond van artikel 6 is [eiser] een boete van € 1.000,- verschuldigd, per dag dat de overtreding voortduurt.

6.20.

De kantonrechter overweegt ten aanzien van de website, dat Next Generation stelt dat zij bij brieven van 4 en 12 augustus 2020 [eiser] schriftelijk heeft gewaarschuwd voor overtreding van de overeenkomst, maar eerst op 24 september 2020 [eiser] aanschrijft tot verwijdering van de website, waaraan enkele dagen later is voldaan. Dat de website, anders dan [eiser] stelt, steeds online is geweest, is niet vastgesteld of onderbouwd, Next Generation heeft immers volstaan met de opnames van 30 juli 2020 en 30 september 2020. De kantonrechter ziet, hoewel niet kan worden uitgesloten dat de site langer online is geweest, hierin aanleiding de door [eiser] vanwege de website verschuldigde boete te matigen tot de periode van 25 tot en met 30 september 2020, dat zijn zes dagen, derhalve € 6.000,00.

6.21.

De boete in verband met de verkoop van pallets aan een afnemer van Next Generation zal de kantonrechter bepalen op € 4.000,00. Het standpunt van Next Generation dat [eiser] vanaf de eerste tot de derde aflevering doorlopend de overeenkomst heeft geschonden, volgt de kantonrechter niet.

6.22.

De conclusie is dat de kantonrechter dit deel van de vordering van Next Generation zal toewijzen tot een bedrag van € 10.000,00.

6.23.

De voorwaardelijk vorderingen van Next Generation om dwangsommen te verbinden aan het -kort gezegd- online houden van een website of het contact onderhouden met leveranciers of afnemers van Next Generation, wijst de kantonrechter af. Partijen zijn in de beëindigingsovereenkomst een concurrentie- en relatiebeding overeengekomen en een boetebeding dat ziet op overtreding daarvan. Het boetebeding biedt reeds de prikkel tot nakoming die ook met het opleggen van een dwangsom wordt beoogd. Voor het opleggen van een dwangsom, naast de contractuele boete, ziet de kantonrechter geen aanleiding.

6.24.

De door Next Generation voorwaardelijk ingestelde vordering dat [eiser] wordt veroordeeld tot terugbetaling van € 110,000,00, behoeft geen bespreking nu de voorwaarde, dat het concurrentie- en relatiebeding wordt beperkt, niet wordt vervuld.

6.25.

Omdat in dit vonnis al een beslissing wordt genomen op de vordering, is er geen reden meer om een voorlopige voorziening te treffen. Een voorlopige voorziening kan immers alleen worden getroffen voor de duur van het geding (artikel 223 Rv).

6.26.

Omdat partijen ten aanzien van de vorderingen van Next Generation over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

7 De beslissing

De kantonrechter:

de vordering

7.1.

wijst de vordering af;

7.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor Next Generation worden vastgesteld op een bedrag van € 960,00 aan salaris van de gemachtigde van Next Generation;

7.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

de tegenvordering

7.4.

veroordeelt [eiser] tot betaling aan Next Generation van € 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf heden tot aan de dag van de gehele betaling;

7.5.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

7.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

7.7.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.W.S. Kiliç en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter