Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:4397

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-05-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
AWB 20_2266
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluitvorming in het kader van artikel 7:11 Awb. Besluitbegrip in de Awb. Primaire besluit is op grondslag van het bezwaar herroepen. Vergoeding proceskosten en wettelijke rente in bezwaar. Op het moment van ingebrekestelling was al aan het bezwaar tegemoetgekomen. Geen dwangsom verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/2266


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 mei 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A. van Deuzen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder, verweerder

(gemachtigde: A. van Slooten).

Procesverloop

In het besluit van 26 september 2019 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag om een individuele inkomenstoeslag op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.

Eiseres heeft op 10 oktober 2019 bezwaar gemaakt.

Op 5 december 2019 heeft verweerder het besluit van 26 september 2019 herzien. De afwijzing van de aanvraag wordt gehandhaafd onder wijziging van de motivering.

In het besluit van 28 februari 2020 herziet verweerder het besluit van 5 december 2019 en kent alsnog aan eiseres een individuele inkomenstoeslag toe.

Op 13 maart 2020 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift.

In het besluit van 6 april 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Bij een besluit van eveneens 6 april 2020 heeft verweerder vastgesteld geen dwangsom verschuldigd te zijn.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 18 februari 2021 plaatsgevonden via een beeldverbinding (skype). De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met zaaknummer 20/2263. Namens eiseres hebben daaraan deelgenomen haar gemachtigde mr. A. van Deuzen en [naam] , wettelijk vertegenwoordiger eiseres. Namens verweerder heeft daaraan deelgenomen A. van Slooten.

Overwegingen

1. In het besluit van 26 september 2019 heeft verweerder de aanvraag om een individuele inkomenstoeslag op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen omdat eiseres niet voldoet aan de gestelde voorwaarden. Eiseres heeft op 10 oktober 2019 bezwaar gemaakt. Op 5 december 2019 heeft verweerder het besluit van 26 september 2019 herzien. De afwijzing van de aanvraag wordt gehandhaafd onder wijziging van de motivering. Op 12 december 2019 is het bezwaarschrift behandeld op een hoorzitting door de commissie bezwaarschriften. In het besluit van 28 februari 2020 herziet verweerder vervolgens het besluit van 5 december 2019 en kent alsnog aan eiseres per datum aanvraag een individuele inkomenstoeslag toe.

Op 13 maart 2020 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift. Nadat verweerder kenbaar heeft gemaakt bereid te zijn een proceskostenveroordeling en wettelijke rente toe te kennen heeft de gemachtigde aangegeven dat ook een dwangsom verbeurd is en hierop in het besluit op bezwaar moet worden ingegaan. Verweerder heeft vervolgens de commissie bezwaarschrift om een advies gevraagd. De commissie heeft geadviseerd het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van een resterend (proces) belang. De commissie acht zich (nog) niet bevoegd om te adviseren over de al dan niet verschuldigdheid van een dwangsom omdat verweerder daarover nog geen beslissing heeft afgegeven. In het besluit van 6 april 2020 heeft verweerder, onder toekenning van een vergoeding van de gemaakte proceskosten en wettelijke rente, het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. In een separaat besluit van eveneens 6 april 2020 heeft verweerder aangegeven geen dwangsom verschuldigd te zijn.

2. Eiseres voert aan dat verweerder haar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Verweerder is pas in het besluit op bezwaar van 27 februari 2020 volledig tegemoetgekomen aan het bezwaar. Uit de rechtspraak volgt dat een bezwaarfase pas eindigt als ook over de proceskostenvergoeding is beslist en dat bij gesplitste besluitvorming, waarvan hier sprake is, het laatste besluit beslissend is. Gemachtigde stelt dat verweerder probeert door een nieuw primair besluit te nemen de betaling van een dwangsom te voorkomen.

Voor wat betreft de procedure

3. Het besluit van 28 februari 2020 komt er op neer dat op grondslag van het bezwaar het besluit van 5 december 2019 wordt ingetrokken en dus de individuele inkomenstoeslag wordt toegekend. Daarmee heeft in het licht van het bepaalde in artikel 7:11 van de Awb op grondslag van het bezwaar een heroverweging van het besluit van 5 december 2019 plaatsgevonden en is dit besluit herroepen. Het besluit van 28 februari 2020 is derhalve anders dan verweerder stelt geen primair besluit, maar een besluit op bezwaar waartegen beroep open staat. Hieruit volgt dat er voor het door verweerder aan eiseres gedane verzoek om haar bezwaar in te trekken ook geen mogelijkheid meer is, er is namelijk al op dat bezwaar beslist.

Het besluit van 6 april 2020 waarbij verweerder het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk heeft verklaard, kan om die reden geen stand houden, en komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De vergoeding van de door eiseres gemaakte proceskosten (2 punten) en betaling van de wettelijke rente daarbij is wel terecht, omdat verweerder dit ten onrechte in het besluit van 28 februari 2020 heeft nagelaten.

Voorts dient naar het oordeel van de rechtbank het besluit van 6 april 2020 waarbij is beslist over de dwangsom, op grond van het bepaalde in artikel 4:19, eerste lid, van de Awb in dit beroep te worden betrokken. De rechtbank zal daarover hieronder oordelen.

Voor wat betreft de verschuldigdheid van de dwangsom

4. Het betoog van eiseres aangaande de dwangsom slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat met artikel 4:17 van de Awb wordt beoogd de burger een rechtsmiddel te geven het bestuursorgaan aan te sporen tot tijdige besluitvorming.

Verweerder was echter op het moment waarop eiseres verweerder in gebreke heeft gesteld inhoudelijk al volledig aan de bezwaren van eiseres tegemoetgekomen.

Verweerder duidt het besluit weliswaar ten onrechte als een primair besluit terwijl in feite op de grondslag van het bezwaarschrift is beslist en laat op dat moment na over de kosten van de bezwaarprocedure en de wettelijke rente te besluiten, maar dat betekent niet dat het besluit van 28 februari 2020 geen besluit is in de zin van de Awb. Ook een onjuist besluit is immers een besluit in termen van de Awb. Voorts is de rechtbank in het licht van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 april 2019 (ECLI:CRVB:2019:1234) van oordeel dat met het besluit van 28 februari 2020 besluitvorming over de wezenlijke onderdelen van het bezwaarschrift van 10 oktober 2019 tegen het besluit van 26 september 2019/5 december 2019 heeft plaatsgevonden. Voor een ingebrekestelling was dus geen aanleiding meer, en verweerder is dan ook geen dwangsom verschuldigd.

5. Het beroep is gelet op wat onder rechtsoverweging 3. is overwogen gegrond.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

7. Het beroep in deze zaak is inhoudelijk identiek aan het beroep in de zaak met zaaknummer 20/2263 en de zaken zijn gelijktijdig ter zitting behandeld. In de zaak met zaaknummer 20/2263 heeft de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1) veroordeeld. In deze zaak is er voor een veroordeling in de proceskosten dus geen aanleiding meer.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 6 april 2020 in zoverre onder rechtsoverweging 3. is overwogen;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dit besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.