Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:4395

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-05-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
AWB-20_2263
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluitvorming in kader van artikel 7:11 Awb. Besluitbegrip Awb. Het primaire besluit is binnen 2 weken na ingebrekestelling op grondslag van het bezwaar ingetrokken. Vergoeding proceskosten en wettelijke rente in bezwaar. Geen dwangsom verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/2263


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 mei 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A. van Deuzen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder, verweerder

(gemachtigde: A. van Slooten).

Procesverloop

In het besluit van 25 juli 2019 heeft verweerder een maatregel opgelegd van 100% over drie maanden. Eiseres heeft op 1 augustus 2019 een bezwaarschrift ingediend.

Op 10 januari 2020 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift.

Bij besluit van 23 januari 2020 heeft verweerder onder intrekking van het besluit van 25 juli 2019 de maatregel laten vervallen.

In het besluit van 27 februari 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Bij een besluit van eveneens 27 februari 2020 heeft verweerder vastgesteld geen dwangsom verschuldigd te zijn.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 18 februari 2021 plaatsgevonden via een beeldverbinding (skype). De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met zaaknummer 20/2266. Namens eiseres hebben daaraan deelgenomen haar gemachtigde mr. A. van Deuzen en [naam] , wettelijk vertegenwoordiger van eiseres. Namens verweerder heeft daaraan deelgenomen A. van Slooten.

Overwegingen

1. In het besluit van 25 juli 2019 heeft verweerder een maatregel opgelegd van 100% over een maand (te verdelen over drie maanden) omdat eiseres zich niet zou hebben gehouden aan afspraken in het kader van een aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Eiseres heeft op 1 augustus 2019 een bezwaarschrift ingediend. Het bezwaar is op 12 december 2019 op een hoorzitting behandeld door de commissie bezwaarschriften. Op 10 januari 2020 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 23 januari 2020 onder intrekking van het besluit van 25 juli 2019 de maatregel laten vervallen. Verweerder heeft de gemachtigde van eiseres verzocht om naar aanleiding hiervan het bezwaarschrift in te trekken onder vergoeding van de proceskosten en wettelijke rente. De gemachtigde heeft te kennen gegeven bereid te zijn het bezwaar in te trekken na (ook) vergoeding van de verschuldigde dwangsom. Daarop heeft verweerder de commissie bezwaarschriften verzocht een advies af te geven. De commissie heeft geadviseerd het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van een resterend (proces) belang. De commissie acht zich (nog) niet bevoegd om te adviseren over de al dan niet verschuldigdheid van een dwangsom omdat verweerder daarover nog geen beslissing heeft afgegeven. In het besluit van 27 februari 2020 heeft verweerder, onder toekenning van een vergoeding van de gemaakte proceskosten en wettelijke rente, het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. In een separaat besluit van eveneens 27 februari 2020 heeft verweerder aangegeven geen dwangsom verschuldigd te zijn.

2. Eiseres voert aan dat verweerder haar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Verweerder is pas in het besluit op bezwaar van 27 februari 2020 volledig tegemoetgekomen aan het bezwaar. Uit de rechtspraak volgt dat een bezwaarfase pas eindigt als ook over de proceskostenvergoeding is beslist en dat bij gesplitste besluitvorming, waarvan hier sprake is, het laatste besluit beslissend is. Gemachtigde stelt dat verweerder probeert door een nieuw primair besluit te nemen de betaling van een dwangsom te voorkomen.

Voor wat betreft de procedure

3. Het besluit van 23 januari 2020 komt er op neer dat op grondslag van het bezwaar het besluit van 25 juli 2019 wordt ingetrokken en dus de opgelegde maatregel komt te vervallen. Daarmee heeft in het licht van het bepaalde in artikel 7:11 van de Awb op grondslag van het bezwaar een heroverweging van het besluit van 25 juli 2019 plaatsgevonden en is dit besluit herroepen. Het besluit van 23 januari 2020 is derhalve anders dan verweerder stelt geen primair besluit, maar een besluit op bezwaar waartegen beroep open staat. Hieruit volgt dat er voor het door verweerder aan eiseres gedane verzoek om haar bezwaar in te trekken ook geen mogelijkheid meer is, er is namelijk al op dat bezwaar beslist. Het besluit van 27 februari 2020 waarbij verweerder het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk heeft verklaard, kan om die reden geen stand houden, en komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De vergoeding van de door eiseres gemaakte proceskosten (2 punten) en betaling van de wettelijke rente daarbij is wel terecht, omdat verweerder dit ten onrechte in het besluit van 23 januari 2020 heeft nagelaten.

Voorts dient naar het oordeel van de rechtbank het besluit van 27 februari 2020 waarbij is beslist over de dwangsom, op grond van het bepaalde in artikel 4:19, eerste lid, van de Awb in dit beroep te worden betrokken. De rechtbank zal daarover hieronder oordelen.

Voor wat betreft de verschuldigdheid van de dwangsom

4. Het betoog van eiseres aangaande de dwangsom slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat met artikel 4:17 van de Awb wordt beoogd de burger een rechtsmiddel te geven het bestuursorgaan aan te sporen tot tijdige besluitvorming. Er kan tegen de achtergrond van het doel van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen – de financiële prikkel om snel te beslissen – geen misverstand over bestaan dat het besluit van 23 januari 2020 is genomen naar aanleiding van de ingebrekestelling van 10 januari 2020 en dus binnen de gestelde termijn van twee weken na de ontvangst van de ingebrekestelling. Of dit besluit al dan niet geheel voldoet aan de daaraan te stellen eisen maakt dit niet anders. Verweerder duidt het besluit weliswaar ten onrechte als een primair besluit terwijl in feite op de grondslag van het bezwaarschrift is beslist en laat op dat moment na over de kosten van de bezwaarprocedure, de rente en de ingebrekestelling te besluiten, maar dat betekent niet dat het besluit van 23 januari 2020 geen besluit is in de zin van de Awb. Ook een onjuist besluit is immers een besluit in termen van de Awb. Voorts is de rechtbank in het licht van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 april 2019 (ECLI:CRVB:2019:1234) van oordeel dat met het besluit van 23 januari 2020 besluitvorming over de wezenlijke onderdelen van het bezwaarschrift van 1 augustus 2019 tegen het besluit van 25 juli 2019 heeft plaatsgevonden. Verweerder is dan ook geen dwangsom verschuldigd.

5. Het beroep is gelet op het onder rechtsoverweging 3. overwogene gegrond.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 27 februari 2020 in zoverre onder rechtsoverweging 3. is overwogen;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dit besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.