Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:4343

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-06-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
HAA 20_3159
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

zie ook: ECLI:NL:RBNHO:4341 en ECLI:NL:RBNHO:4342

Gedeputeerde Staten mochten vergunningen verlenen voor biomassacentrale Diemen

Het College van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland (GS) mocht aan Vattenfall een omgevingsvergunning en natuurvergunning verlenen voor de bouw en ingebruikname van een biomassacentrale (BMC) in Diemen. Dat blijkt uit een drietal uitspraken van de rechtbank van de rechtbank Noord-Holland.

Achtergrond

Vattenfall wil binnen de bestaande inrichting op de Overdiemerweg in Diemen een BMC bouwen en in gebruik nemen. Op het perceel staan nu twee gascentrales en een hulpwarmtecentrale. Om de BMC te kunnen bouwen en in gebruik te kunnen nemen heeft Vattenfall een omgevings- en een natuurvergunning aangevraagd. Deze vergunningen zijn op 9 september 2019 en 10 april 2020 door GS verleend.

Verschillende partijen, waaronder de Coöperatie Mobilisation for the Environment en Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten Nederland (eisers) hebben bezwaar tegen de verleende vergunningen en stellen dat GS de vergunningen dit ten onrechte heeft gedaan. Eisers maken zich zorgen om het effect van de BMC op het milieu en de leefomgeving. Zij vrezen onder andere voor een hogere uitstoot van schadelijke stoffen, waaronder stikstof.

Oordeel rechtbank

Volgens de rechtbank voldoet de BMC aan de daarvoor gestelde eisen en kon GS daarom de vergunningen verlenen. Anders dan de eisers stellen, oordeelt de rechtbank dat de BMC niet kan worden beschouwd als afvalverbrandingsinstallatie. De houtpallets die door de BMC als brandstof worden gebruikt worden niet aangemerkt als afvalstof, omdat het schoon hout betreft dat niet chemisch is behandeld. Een milieueffectenrapportage was daarom niet nodig.

Ook oordeelt de rechtbank dat er zal met de komst van de BMC geen sprake zal zijn van een hogere uitstoot van schadelijke stoffen dan wettelijk is toegestaan. Of de BMC in de praktijk zal leiden tot een hogere uitstoot van stikstof dan de huidige centrale, is volgens de rechtbank niet relevant bij de beoordeling. Wel relevant is de vraag of de uitstoot van stikstof door de BMC zal toenemen ten opzichte van de verleende vergunning voor de huidige centrale. Maar dat is volgens de rechtbank niet het geval. Omdat geen sprake is van hogere uitstoot van schadelijke stoffen zoals stikstof en fijnstof, volgt de rechtbank eisers niet in hun stelling dat de komst van de BMC zulke risico’s voor de volksgezondheid met zich meebrengt dat het woon- en leefklimaat onaanvaardbaar verslechterd.

De eisers stelden dat de CO2-uitstoot door het stoken van hout gevolgen heeft voor onder meer het opwarmen van de aarde. Maar volgens de rechtbank is dit niet relevant voor de vraag of de vergunningen mochten worden verleend, omdat dit niet gaat over specifieke gevolgen op de (directe) omgeving van de BMC. Ook oordeelt de rechtbank dat de politiek-bestuurlijke keuze voor biomassa, de vraag of biomassa een geschikte transitiebrandstof is en de vraag of met de inzet van biomassa de klimaatdoelstellingen gehaald kunnen worden, geen aspecten zijn die door GS bij het verlenen van de vergunning kunnen worden betrokken. De rechtbank kan deze aspecten daarom ook niet meenemen in de beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 20/3159


uitspraak van de meervoudige kamer van 7 juni 2021 in de zaak tussen

Vattenfall Power Generation Netherlands B.V. te Diemen, eiseres

(gemachtigde: mr. M.M. Kaajan)

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, verweerder

(gemachtigden: mr. H.J.M. Besselink).

Als derde-partij neemt aan het geding deel: Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. te Nijmegen (gemachtigde: J.G. Vollenbroek) en anderen, allen te Diemen,

(gemachtigde: drs. J.G. Vollenbroek).

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres vergunning verleend op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (de Wnb-vergunning) voor de bouw en exploitatie van een biomassacentrale (BMC) en voor de wijziging van de aardgasgestookte centrales DM33 en DM34 en voor de HWC van de inrichting aan de Overdiemerweg 35 te Diemen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2021. Namens eiseres zijn verschenen drs. [naam 1] (projectmanager), drs. [naam 2] (specialist milieu en vergunningen), mr. [naam 3] (advocaat in dienstbetrekking), bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Voorts was [naam 4] aanwezig namens RoyalHaskoningDHV.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens waren namens verweerder aanwezig M. Blondelle-Zuidema en A. Speekenbrink.

Derde-partij is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde. Tevens zijn verschenen mr. [naam 5] , mr. [naam 6] en mr. [naam 7] .

De zaak is gelijktijdig behandeld met het beroep van derde-partij en het beroep van de vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland met nummers HAA 20/3165 en HAA 20/3175.

Overwegingen

Inleiding

1.1

Eiseres (hierna: Vattenfall) is voornemens binnen de bestaande inrichting op het perceel Overdiemerweg 35 te Diemen een biomassacentrale (hierna: BMC) te bouwen en in gebruik te nemen. Op het perceel exploiteert Vattenfall twee gascentrales (DM33 en DM 34) en een hulpwarmtecentrale (HWC) die bestaat uit vijf ketels. Ten behoeve van de realisatie en ingebruikname van de BMC heeft Vattenfall een Wnb-vergunning gevraagd.

1.2

Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan Vattenfall de gevraagde Wnb-vergunning verleend, onder het stellen van voorschriften. De vergunning ziet op de gehele inrichting en voorziet specifiek in de oprichting en ingebruikneming van de BMC en de wijziging van de gascentrales (verlaging van de jaarvracht van DM33) en HWC ten behoeve van de bouw en exploitatie van de BMC.

1.3

Het dictum van het bestreden besluit luidt als volgt:

“1. De vergunning van 15 september 2015 (625102/674741) voor het gebruik van de aargasgestookte centrale van DM33 aan de Overdiemerweg 35 te Diemen wordt gecorrigeerd op een tweetal punten:

a. de maximale NOₓ-emissie van de DM33 wordt gecorrigeerd van 1.024,92 ton NOₓ per jaar naar 788,40 ton per jaar; en

b. de maximale NOₓ-emissie per ketel (HWC 4 en HWC 5) bedraagt 24.53 ton per jaar.

2. Wij verlenen Vattenfall Power Generation Netherlands B.V. hierbij een vergunning conform artikel 2.7, tweede lid Wnb voor de bouw en exploitatie van een biomassacentrale en voor de exploitatie en wijziging van de aargasgestookte centrales DM33 en DM34 en voor de HWC van de inrichting van Vattenfall aan de Overdiemerweg 35 te Diemen. De beschrijving van het project in de aanvraag, inclusief de aangeleverde AERIUS Calculator berekeningen, maakt onderdeel uit van deze vergunning.

De eerder op 25 mei 2010 afgegeven vergunning Nb-wet met kenmerk PNH 2010-31324 voor de eenheid DM34 en de op 15 september 2015 op grond van de Nb-wet afgegeven vergunning met kenmerk PNH 525102/674741 voor de eenheid DM33, inclusief de HWC, komen te vervallen op het moment dat de onder punt 2 van dit besluit genoemde biomassacentrale in gebruik wordt genomen en onderhavig besluit onherroepelijk is.

Wanneer binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning de biomassaketel niet in bedrijf is genomen, kan de vergunning door de ODNHN worden ingetrokken.

Dit besluit treedt op de dag na de datum van verzending in werking.”

Crisis- en herstelwet

2. Op grond van artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met categorie 1, onder 1.1, van bijlage I, van de Crisis- en herstelwet is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van deze wet van toepassing op deze procedure.

Maximaal aantal draaiuren

3. Het beroep van eiseres is gericht tegen het aan de Wnb-vergunning verbonden voorschrift 51, en dan met name tegen de daarin opgenomen term “gezamenlijk”. Met het voorschrift wordt substantieel en ongemotiveerd afgeweken van de aanvraag, aldus eiseres. De aanvraag voorziet in een inzet van 5600 uur per jaar voor elk van de vijf ketels die onderdeel uitmaken van de HWC. De aanvraag is na het indienen daarvan weliswaar verschillende keren aangepast, maar geen van de aanpassingen voorziet in een beperking van het aantal draaiuren per ketel van de HWC.

4. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd erkend dat de redactie van voorschrift 5 onjuist is en dat het beroep om die reden gegrond zou moeten worden verklaard. Tot een gegrondverklaring van het beroep komt het volgens verweerder ook omdat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 januari 20212 moet worden geconcludeerd dat voor Vattenfall in de onderhavige situatie geen vergunningplicht meer geldt. De Wnb-vergunning is derhalve ten onrechte verleend en had moeten worden geweigerd omdat deze niet nodig is. Het bestreden besluit onder 2. (de verleende vergunning) moet dan ook worden vernietigd. Verweerder heeft de rechtbank gevraagd in deze zin zelf in de zaak te voorzien. Het bestreden besluit onder 1. wordt door de beroepen niet geraakt en kan in stand blijven, aldus verweerder.

5.1

Onder verwijzing naar de uitspraak van heden in de hiervoor genoemde beroepen met nummers HAA 20/3165 en HAA 20/3175, gaat verweerder er met zijn verzoek om de genoemde beroepen gegrond te verklaren en het bestreden besluit onder 2. (de verleende vergunning) te vernietigen er aan voorbij dat niet slechts sprake is van een aanvraag voor het in werking hebben van een BMC op basis van intern salderen, waarvoor inmiddels geen vergunning meer is vereist, maar ook van aanvragen waarin wordt gevraagd jaarlasten van diverse emissies en deposities van stoffen terug te brengen ten opzichte van de vergunde situatie in 2010 en 2015 alsmede dat deze emissies en deposities worden vastgelegd in een overzichtelijke en geïntegreerde Wnb-vergunning. Deze geïntegreerde Wnb vergunning zal, naar de rechtbank aanneemt, als referentie gaan gelden ten opzichte van eventuele hierna volgende wijzigingen in de bedrijfsvoering of aanvragen. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding voor gegrondverklaring van de beroepen en vernietiging van het besluit onder 2. vanwege de uitspraak van de Afdeling hiervoor genoemd.

5.2

Omdat verweerder heeft erkend dat het aan de Wnb-vergunning verbonden voorschrift 5 onjuist is, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het aan het bestreden besluit verbonden voorschrift 5. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, door een nieuw voorschrift 5 aan de Wnb-vergunning te verbinden zoals in het dictum bepaald. De rechtbank bepaalt verder dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.

griffierechten en proceskosten

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het aan het bestreden besluit verbonden voorschrift 5;

- verbindt aan het bestreden besluit het volgende voorschrift 5: “Het aantal draaiuren van elk van de vijf ketels van de HWC afzonderlijk bedraagt maximaal 5600 uur per jaar”;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzitter,
mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. D.M. de Feijter, leden, in aanwezigheid van

mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2021.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Voorschrift 5 luidt: Het aantal draaiuren van de vijf ketels van de HWC bedraagt gezamenlijk maximaal 5600 uur per jaar

2 ECLI:NL:RVS:2021:71