Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:4275

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
14-06-2021
Zaaknummer
8279133
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Aannemingsovereenkomst in de zin van art. 7:750 BW; betaling facturen; schending art. 7:755 BW?; art. 3:37 lid 3 BW ontvangsttheorie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8279133 \ CV EXPL 20-745

Uitspraakdatum: 26 mei 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser] handelend onder de naam [handelsnaam]

wonende te [woonplaats 1]

eiser in conventie

gedaagde in reconventie

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. R.A.M. Schram

tegen

1 [gedaagde sub 1]

2. [gedaagde sub 2]

beiden wonende te [woonplaats 2]

gedaagden in conventie

eisers in reconventie

verder te noemen: [gedaagde sub 1] c.s.

gemachtigde: mr. M.T. Somohardjo

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 16 januari 2020 een vordering tegen [gedaagde sub 1] c.s. ingesteld. [gedaagde sub 1] c.s. heeft schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend.

1.2.

[eiser] heeft hierop schriftelijk gereageerd alsmede in de zaak van de tegenvordering, waarna [gedaagde sub 1] c.s. een schriftelijke reactie heeft gegeven. [eiser] heeft vervolgens nog schriftelijk gereageerd in de zaak van de tegenvordering en een akte uitlating producties genomen, waarna [gedaagde sub 1] c.s. ook nog een akte heeft genomen.

1.3.

Op 19 april 2021 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [gedaagde sub 1] c.s. heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd.

2 De zaak in het kort

2.1.

Deze zaak gaat over de betaling van twee facturen van [eiser] voor verrichte aanneemwerkzaamheden in de woning van [gedaagde sub 1] c.s.. [gedaagde sub 1] c.s. stelt dat partijen geschikt hebben en [eiser] niets meer te vorderen heeft, dan wel betwist de facturen en voert aan dat [eiser] zijn waarschuwingsplicht heeft geschonden. [gedaagde sub 1] c.s. heeft een tegenvordering wegens schade in verband met het niet teruggeven van de huissleutel.

2.2.

De kantonrechter oordeelt dat niet vast is komen te staan dat partijen geschikt hebben. De vordering ter zake van de ‘factuur 4e termijn’ zal worden toegewezen, maar alleen voor het eerder overeengekomen bedrag van € 2.200,00 dat contant betaald zou worden en waarvan [gedaagde sub 1] c.s. al € 2.000,00 heeft voldaan. De vordering ter zake van de ‘extra werk’ factuur is gedeeltelijk toewijsbaar. Omdat niet is vast komen te staan dat [eiser] de huissleutel nog in zijn bezit had, wordt de tegenvordering van [gedaagde sub 1] c.s. afgewezen.

3 Feiten

3.1.

[gedaagde sub 1] c.s. is eigenaar van de woning aan [adres] , hierna ‘de woning’.

3.2.

[eiser] heeft een aannemingsbedrijf.

3.3.

Tussen partijen bestaat een aannemingsovereenkomst met betrekking tot de verbouwing van de woning (hierna ‘de aannemingsovereenkomst’).

3.4.

Basis voor de aannemingsovereenkomst is de offerte van 10 maart 2017 betreffende ‘aan, -verbouw woonhuis’ voor een totaalbedrag van € 30.250,00 incl. btw.

3.5.

[gedaagde sub 1] c.s. geeft op 4 april 2017 opdracht aan [eiser] door ondertekening van een opdrachtbevestiging voor een bedrag van € 15.000,00 incl. btw. Daarnaast spreken partijen af dat [gedaagde sub 1] c.s. € 12.000,00 contant betaalt. Beide bedragen worden samen hierna ‘de aanneemsom’ genoemd.

3.6.

[eiser] voert de aannemingsovereenkomst (behoudens minderwerk) uit en [gedaagde sub 1] c.s. voldoet de aanneemsom.

3.7.

[eiser] verricht in 2017 naast de werkzaamheden van de aannemingsovereenkomst ook andere werkzaamheden aan de woning, hierna ‘de extra werkzaamheden’.

3.8.

Nadat [eiser] op een bedrag van € 2.500,00 voor bepaalde extra werkzaamheden nog een korting van € 300,00 geeft, blijft een bedrag van € 2.200,00 onbetaald.

3.9.

Op 24 mei 2019 bericht [eiser] per sms aan [gedaagde sub 2] :

Hi [voornaam] , dr staat nog n termyn van EUR. 2200,= open, hoe + waneer kunnen we dat regelen?

3.10.

[gedaagde sub 2] antwoordt diezelfde middag per sms:

Hoi [voornaam] ik sta nog steeds tewachten dat de loodgieter het buiten kraantje komt maken.

3.11.

Op 8 augustus 2019 stuurt [eiser] [gedaagde sub 1] c.s. een sommatie met betrekking tot de hierna te vermelden twee facturen:

Geachte Heer / Mevrouw ,

Na ons gesprek van gisteren ben ik tot de conclusie gekomen dat wij blijkbaar een onoverkomelijk meningsverschil hebben omtrent betaling van de onbetaalde posten vs. een defecte buitenkraan.

(…)

Ik someer uw de onbetaalde facturen binnen 5 dagen te voldoen.

NUMMER OMSCHRIJVING DATUM OUDERDOM BEDRAG

IN DAGEN

[factuurnummer 1] 4e FACTUUR 06-07-’17 762 EUR. 3025,00

[factuurnummer 2] EXTRA WERK 24-06-’19 46 EUR. 9317,00

TOTAAL NOG TE BETALEN 08-08-’19 EUR. 12342,00

(…)

3.12.

De hiervoor bedoelde factuur nummer [factuurnummer 1] wordt hierna ‘de factuur 4e termijn’ genoemd en de hiervoor bedoelde factuur nummer [factuurnummer 2] ‘de extra werk factuur’.

3.13.

Bij brief van 13 augustus 2019 schrijft DAS, de rechtsbijstandsverzekeraar van [gedaagde sub 1] c.s. (hierna ‘DAS’), aan [eiser] :

(…) Cliënten hebben u reeds laten weten dat zij pas tot betaling van de werkzaamheden over zullen gaan, indien u de buitenkraan komt repareren (…) u meent dat de buitenkraan niet door uw toedoen kapot is gegaan. (…)

Daarnaast valt het cliënten op dat u ineens een meerwerkrekening ten bedrage van € 9.317,00 presenteert. (…)

(…) Cliënten zijn bereid om u eenmalig nog een bedrag van € 1.500,00 te betalen.

Na betaling van het bedrag van € 1.500,00 zullen partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben. Dit voorstel is geldig tot 16 augustus aanstaande 16:45 uur. Bij non-acceptatie komt het voorstel te vervallen. Uw reactie zie ik met belangstelling tegemoet. (…)

3.14.

In een gespreksverslag van DAS van 16 augustus 2019 naar aanleiding van twee telefoongesprekken van DAS met [eiser] staat:

1e keer: hij heeft vandaag de brief ontvangen. Hij was nogal boos. Wat in de brief staat, klopt niet. De meerwerkrekening kwam helemaal niet vanuit het niets. (…) Gisteren akkoord bereikt. 2000 euro. Ik heb verteld dat clt 1900 euro wil betalen. De heer [eiser] werd nog bozer. (…) Hij was nog zo coulant om niet achter zijn geld aan te gaan. Hij wachtte totdat clt vakantiegeld kregen. (…) Ik ga mw [gedaagde sub 1] bellen en dan laat ik hem dinsdag weten of clt akkoord gaan met 2.000 euro. Is dat goed? Dat is prima.

2e keer: de heer [eiser] laat mij weten dat hij de heer [gedaagde sub 2] net heeft ge’smst. Hij wil dat de heer [gedaagde sub 2] voor 16:45 uur vandaag akkoord gaat met 2.000 euro per sms. (…)

3.15.

Op 16 augustus 2019 om 15:29 uur stuurt [eiser] via sms aan [gedaagde sub 2] :

Hi [voornaam] , ik heb [naam]. Gesproken van -DAS- . onze afspraak van gisteren is geldig tot 16 Augustus 16.45 . by non-acceptatie komt m’n voorstel te vervallen & zal ik aktief overgaan tot incasso van facturen [factuurnummer 1] + [factuurnummer 2] . (zie mn schryven van 08-08-2019) groet [voornaam] .

3.16.

Diezelfde middag om 16:05 uur stuurt [gedaagde sub 2] via sms aan [eiser] :

[voornaam] , We accepteren het bod van 2.000 euro. Dinsdag- of Woensdagavond tussen 19.00 en 20.00u hebben we tijd om de rekening te vereffenen en ontvangen we onze sleutel graag retour. We horen graag welke avond het wordt. [voornaam] en [voornaam]

3.17.

Daarna stuurt [eiser] om 17:50 uur via sms aan [gedaagde sub 2] :

Ik vind t heel jammer [voornaam] , Ik heb GEEN acceptatie-bericht of zekerheid-stelling van “DAS” ontvangen . Helaas. termyn = verlopen . Groet [voornaam] .

3.18.

Vervolgens stuurt [gedaagde sub 2] om 17:59 uur via sms aan [eiser] :

[voornaam] , ik heb je net gevbeld maar je neemt niet op. Kijk nou even naar bovenstaand bericht van 16.05u. . Het berichtje voor jou bericht. Je reactie van 17.50u snap ik helemaal niets van,?

3.19.

Bij brief van 18 augustus 2019 schrijft [eiser] aan DAS:

(…) Aangezien ik geen positief respons en/of zekerheids-stelling heb op eerdere betalingsverzoeken & betalingsvoorstellen vervallen ALLEN van m’n eerdere aanbiedingen / concessie’s / coulance per 16-08-2019 j.l. 16:45.

3.20.

In een andere brief van die datum aan [gedaagde sub 1] c.s. sommeert [eiser] [gedaagde sub 1] c.s. nogmaals de factuur 4e termijn en de extra werkfactuur te voldoen.

3.21.

[gedaagde sub 1] c.s. betaalt op 16 september 2019 een bedrag van € 2.000,00 aan [eiser] .

4 De vordering

4.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. om binnen twee dagen na het wijzen van dit vonnis aan [eiser] een bedrag te betalen van € 11.458,42 (€ 10.342,00 (hoofdsom), € 238,00 (rente) en € 878,42 (buitengerechtelijke incassokosten)), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2020;

  2. in de kosten van de procedure, het salaris van de gemachtigde van [eiser] daarbij inbegrepen.

4.2.

Hij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde sub 1] c.s. haar betalingsverplichting uit de aannemingsovereenkomst dan wel uit de extra werkzaamheden niet nakomt.

5 Het verweer en de tegenvordering

5.1.

[gedaagde sub 1] c.s. betwist de vordering. Zij voert aan – samengevat – dat partijen hebben geschikt en dat [eiser] niets meer van haar te vorderen heeft. Voor zover geen sprake is van een schikking, heeft [gedaagde sub 1] c.s. het openstaande bedrag op 16 september 2019 voldaan. Een contractuele basis voor de extra werk factuur ontbreekt. Daarnaast zijn de kostenposten van de extra werk factuur onjuist. [eiser] heeft zijn waarschuwingsplicht ex art.7:755 BW ten aanzien van de meeste posten geschonden, sommige posten zijn al ‘zwart’ betaald en een deel betreft herstelwerkzaamheden. [gedaagde sub 1] c.s. betwist de gevorderde incassokosten omdat zij geen 14-dagenbrief heeft ontvangen. [gedaagde sub 1] c.s. betwist ook de wettelijke rente tot en met 31 december 2019.

5.2.

[gedaagde sub 1] c.s. vordert bij wijze van tegenvordering dat de kantonrechter [eiser] veroordeelt tot betaling van € 490,05 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 oktober 2019. Zij legt aan de tegenvordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [eiser] verplicht is tot het betalen van schadevergoeding, omdat hij de huissleutel niet heeft geretourneerd. [gedaagde sub 1] c.s. moet nu kosten maken om de sloten te vervangen.

5.3.

[eiser] betwist de tegenvordering. Hij voert aan dat hij geen sleutel van de woning heeft.

6 De beoordeling

Strijd met de goede procesorde

6.1.

[gedaagde sub 1] c.s. maakt bezwaar tegen eiswijziging na repliek en dupliek, omdat [eiser] de grondslag voor de betaling van de factuur 4e termijn heeft gewijzigd, aldus [gedaagde sub 1] c.s.. Dit is in strijd met de goede procesorde. Daarnaast verzoekt [gedaagde sub 1] c.s. de door [eiser] in het geding gebrachte producties 6 en 7 buiten beschouwing te laten, omdat deze op de eis in conventie en niet op de eis in reconventie zien. [eiser] betwist dat sprake is van een eiswijziging en voert aan dat hij producties 6 en 7 heeft ingebracht als reactie op door [gedaagde sub 1] c.s. bij conclusie van dupliek in conventie nieuw ingebrachte producties 11 en 12.

6.2.

De kantonrechter oordeelt dat de later ingebrachte producties 6 en 7 in de beoordeling worden meegenomen, omdat [gedaagde sub 1] c.s. zelf ook later in de procedure nieuwe producties heeft ingebracht die op de eis in conventie zien. Mede daardoor zijn producties 6 en 7 noodzakelijk om een volledig beeld van de feiten te krijgen. De kantonrechter oordeelt verder dat geen sprake is van een eiswijziging. Hoewel de vermelding ‘4e termijn’ op de factuur van [eiser] verwarrend is en [eiser] pas later in de procedure een toelichting op de factuur heeft gegeven, heeft [eiser] voldoende onderbouwd dat in deze factuur minderwerk van de aanneemsom is verwerkt, zodat de grondslag van de factuur (ook) de aanneemsom is.

6.3.

Het bezwaar en het verzoek van [gedaagde sub 1] c.s. worden dus afgewezen.

de vordering

6.4.

Vast staat dat tussen [gedaagde sub 1] c.s. [eiser] een aannemingsovereenkomst in de zin van art. 7:750 BW bestaat voor een totaalbedrag van € 27.000,00, welk bedrag [gedaagde sub 1] c.s. heeft voldaan. Ook staat vast dat [gedaagde sub 1] c.s. nog een bedrag van € 2.200,00 contant aan [eiser] verschuldigd was voor extra - niet in de aannemingsovereenkomst betrokken - werkzaamheden. [gedaagde sub 1] c.s. voert aan dat [eiser] niets meer van haar te vorderen heeft, omdat partijen hebben geschikt voor een bedrag van € 2.000,00 dat [gedaagde sub 1] c.s. heeft voldaan. Voordat verder wordt ingegaan op de vordering van [eiser] , wordt eerst dit verweer van [gedaagde sub 1] c.s. behandeld.

Schikking

6.5.

Om van een schikking te kunnen spreken dient tussen partijen vast te staan dat zij overeenstemming hebben bereikt over - in dit geval - de betaling van een bedrag en het verder afzien van vorderingen over en weer. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] een schikkingsvoorstel heeft gedaan, maar wel of [gedaagde sub 1] c.s. dit voorstel (tijdig) heeft aanvaard.

6.6.

Ter onderbouwing van haar verweer verwijst [gedaagde sub 1] c.s. naar het gespreksverslag van DAS van 16 augustus 2019 en het sms-verkeer tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] op diezelfde dag. Daaruit volgt dat [gedaagde sub 1] c.s. die dag om 16:05 uur (dus vóór 16:45 uur) per sms akkoord heeft gegeven op het schikkingsvoorstel, hierna ‘de sms’. [gedaagde sub 1] c.s. overlegt ook een overzicht van ‘hollands nieuwe’, de telefoonprovider van [gedaagde sub 2] , waaruit blijkt dat [gedaagde sub 2] op 16 augustus 2019 om 16:05 uur een sms aan [eiser] heeft verstuurd.

6.7.

[eiser] betwist dat hij de sms heeft ontvangen.

6.8.

Vooropgesteld moet worden dat [gedaagde sub 1] c.s. voldoende onderbouwd heeft gesteld dat de sms is verzonden. Echter, omdat [gedaagde sub 1] c.s. zich als verzender op de sms beroept, is het aan haar om op grond van de in artikel 3:37 lid 3 Burgerlijk Wetboek (hierna BW) neergelegde ontvangsttheorie feiten en omstandigheden te stellen en zonodig te bewijzen dat de sms niet alleen is verzonden, maar ook door [eiser] is ontvangen. Het verweer van [gedaagde sub 1] c.s. dat uit het arrest van de Hoge Raad van 14 maart 2013 (ECLI:NL:HR:2013: BZ4104) volgt dat het niet ontvangen van de sms voor risico van [eiser] is, omdat hij er voor heeft gekozen om via sms te communiceren, faalt. Die uitleg kan immers niet uit dat arrest worden afgeleid. De ontvangst van de sms blijkt daarnaast niet uit het overzicht van ‘hollands nieuwe’, omdat daar uitsluitend de verzending van de sms uit kan worden afgeleid. Dat [eiser] andere sms-berichten die dag wel heeft ontvangen, maakt het weliswaar aannemelijk, maar bewijst nog niet dat [eiser] de sms heeft ontvangen. Datzelfde geldt voor het argument dat er voor sms-verkeer geen internet nodig is en er op dat tijdstip geen storing bekend was. Het verweer van [gedaagde sub 1] c.s. ten slotte dat [eiser] de betwisting van de ontvangst van de sms onvoldoende heeft gemotiveerd slaagt evenmin. [eiser] verwijst immers naar zijn sms van 17:50 uur die dag aan [gedaagde sub 2] waarin hij zegt helaas niet vóór 16:45 uur een acceptatie-bericht te hebben ontvangen, waaruit blijkt dat hij de sms niet heeft ontvangen, aldus [eiser] . Uit de sms van 17:50 uur volgt niet dat [eiser] de sms (van 16:05 uur) heeft ontvangen en ook niet dat DAS de schikking had moeten aanvaarden, aldus [eiser] . Ten slotte heeft [eiser] aangegeven geen print-screen van het sms-verkeer van zijn telefoon te kunnen overleggen. Als hij de telefoon nog had gehad (wat niet het geval is) was het niet mogelijk geweest sms-gegevens uit het toestel (een ouderwetse Nokia) terug te halen, omdat het geheugen snel vol zat.

6.9.

Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat [eiser] de sms heeft ontvangen, zodat ook niet is vast komen te staan dat een schikking tot stand is gekomen.

6.10.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft enkel een algemeen bewijsaanbod gedaan. Gelet op de aard van de zaak en het uitvoerig gevoerde partijdebat, had het op de weg van [gedaagde sub 1] c.s. gelegen het bewijsaanbod nader te specificeren. Nu het bewijsaanbod onvoldoende specifiek is, zal [gedaagde sub 1] c.s. niet tot het leveren van bewijs worden toegelaten.

Factuur 4e termijn

6.11.

[eiser] vordert onder meer betaling van de factuur 4e termijn, een bedrag van € 3.025,00 incl. btw, waarvan [gedaagde sub 1] c.s. al € 2.000,00 heeft voldaan. [gedaagde sub 1] c.s. betwist deze factuur en voert aan dat zij de aanneemsom volledig heeft voldaan en er dus geen sprake kan zijn van een ‘4e termijn’.

6.12.

Zoals hiervoor in 6.2 al overwogen, is de vermelding ‘4e termijn’ op de factuur van [eiser] verwarrend, echter heeft [eiser] - weliswaar pas later in de procedure - voldoende onderbouwd dat in deze factuur minderwerk van de aanneemsom is verwerkt. Ondanks dat partijen geen 4e termijn hadden afgesproken, is vermelding daarvan enigszins begrijpelijk vanwege de verrekening met het minderwerk. Daarnaast betekent een onjuiste benaming van een factuur niet dat het bedrag van de factuur niet verschuldigd zou kunnen zijn. [eiser] heeft inzichtelijk gemaakt dat deze factuur ziet op extra werkzaamheden voor een bedrag van € 3.500,00, welk bedrag contant zou worden betaald en waarvan - na vermindering met € 1.000,00 aan minderwerk en een korting van € 300,00 - nog een bedrag van € 2.200,00 open stond. [gedaagde sub 1] c.s. heeft weliswaar een andere lezing over de extra werkzaamheden waar het bedrag op ziet, maar heeft bevestigd dat zij nog een contant bedrag van € 2.200,00 voor extra werkzaamheden verschuldigd was.

6.13.

Dat de schikking voor een bedrag van € 2.000,00 vervolgens niet tot stand komt, betekent niet dat deze eerdere afspraak van partijen is komen te vervallen. Niet is immers gebleken dat [eiser] bij het maken van de afspraak ten aanzien van de korting of het niet berekenen van btw een voorbehoud heeft gemaakt. [gedaagde sub 1] c.s. was dus nog steeds een bedrag van € 2.200,00 verschuldigd en niet de gefactureerde € 3.025,00.

6.14.

Het verweer van [gedaagde sub 1] c.s. dat zij het bedrag van € 2.200,00 gedeeltelijk heeft voldaan door verrekening met kosten voor het plaatsen van een nieuwe buitenkraan, slaagt niet. [gedaagde sub 1] c.s. heeft geen bevoegdheid tot verrekening, omdat zij geen vordering op [eiser] heeft waarvan [gedaagde sub 1] c.s. de betaling kan afdwingen (art. 6:127 lid 2 BW). Enerzijds zijn de kosten nog niet gemaakt. Anderzijds is niet vast komen te staan dat het gebrek aan de buitenkraan door [eiser] is veroorzaakt. [eiser] verklaart dat de buitenkraan het in 2017 deed en dat hij hem ook heeft gebruikt. Bovendien heeft [gedaagde sub 1] c.s. de kosten voor de buitenkraan, die niet in de aanneemsom waren begrepen, nog niet voldaan, aldus [eiser] . Volgens [gedaagde sub 1] c.s. heeft zij [eiser] op 28 juni 2018 op het gebrek gewezen, maar zij onderbouwt dat verder niet. Weliswaar heeft [eiser] op 13 juli 2018 [gedaagde sub 1] c.s. laten weten een collega te zullen vragen om naar de buitenkraan te kijken, maar niet is gebleken dat [eiser] dat deed uit hoofde van herstel van een gebrek van geleverd werk. Pas nadat [eiser] (bijna een jaar later) op 24 mei 2019 via sms vraagt naar de betaling van de € 2.200,00, werpt [gedaagde sub 1] c.s. op dat zij nog steeds wacht op een loodgieter die de buitenkraan komt maken. Voor zover [eiser] daar uit mocht begrijpen dat [gedaagde sub 1] c.s. hem verantwoordelijk hield voor herstel van de buitenkraan, hoefde [eiser] daar niet aan te voldoen, aangezien [gedaagde sub 1] c.s. op dat moment zelf al in verzuim was met de betaling van € 2.200,00. [gedaagde sub 1] c.s. heeft nog aangevoerd dat zij de betaling had opgeschort in afwachting van herstelwerk dat [eiser] had beloofd, echter, zij laat na te onderbouwen waaruit dat herstelwerk (anders dan de kraan) bestond. Zij was daarom niet bevoegd tot opschorten. Het onbevoegd opschorten van de betaling levert een toerekenbare tekortkoming op, zodat sprake is van schuldeisersverzuim in de zin van art. 6:54 BW aan de kant van [gedaagde sub 1] c.s.. Voor verrekening met kosten voor herstel van de buitenkraan is dan ook geen plaats.

6.15.

Gelet op het vorenstaande en het feit dat [gedaagde sub 1] c.s. op 16 september 2019 al € 2.000,00 heeft voldaan, dient [gedaagde sub 1] c.s. ter zake de factuur 4e termijn nog een bedrag van € 200,00 aan [eiser] te betalen. Het resterende gevorderde bedrag van € 825,00 zal worden afgewezen.

Extra werk factuur

6.16.

[eiser] vordert betaling van de extra werk factuur. Tussen partijen staat in beginsel niet ter discussie dat de werkzaamheden van de extra werk factuur zijn uitgevoerd. [gedaagde sub 1] c.s. betwist echter de contractuele basis voor deze factuur. Een deel zou als vriendendienst worden gedaan, een deel is al ‘zwart’ betaald en een deel betreft herstelwerkzaamheden van niet goed uitgevoerd werk. [eiser] heeft ten slotte ook zijn waarschuwingsplicht ex art. 7:755 BW ten aanzien van de meeste posten geschonden, aldus [gedaagde sub 1] c.s..

6.17.

Voordat op de verschillende posten van de extra werk factuur wordt ingegaan, zal eerst het laatste verweer ter zake van de schending van de waarschuwingsplicht worden behandeld.

Schending art. 7:755 BW

6.18.

[gedaagde sub 1] c.s. stelt dat [eiser] niet conform art. 7:755 BW heeft gewezen op een verhoging van de aanneemsom voor het verrichten van meerwerk. [eiser] voert daar tegen aan dat dit niet aan de orde is, omdat geen sprake is van meerwerk voortvloeiend uit de toevoegingen of aanpassingen in het overeengekomen werk van de aannemingsovereenkomst, maar om extra werk. Dit standpunt van [eiser] faalt. Uit de offerte volgt immers dat het in de aannemingsovereenkomst overeengekomen werk ziet op de verbouwing van de woning, bestaande uit diverse aannemingswerkzaamheden van sloop tot timmer-, installatie-, metsel-, stuc-, schilder- en tegelwerk. Gezien de aard van de werkzaamheden van de extra werk factuur, dienen deze - met uitzondering van de underlayment vloer (post 26) - te worden beschouwd als toevoegingen aan het overeengekomen werk en hebben deze als meerwerk te gelden. [eiser] kan daarom in beginsel slechts een verhoging van de prijs vorderen, wanneer hij [gedaagde sub 1] c.s. tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij [gedaagde sub 1] c,s, die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen. Hoewel [gedaagde sub 1] c.s. geen deskundige partij is, blijkt uit de offerte duidelijk welke werkzaamheden in de aanneemsom zijn begrepen, zodat [gedaagde sub 1] c.s. - mede gezien de niet geringe omvang van de extra werkzaamheden - had moeten begrijpen dat de toevoegingen meerwerk inhielden en een prijsverhoging met zich mee zouden brengen. Het beroep op schending van art. 7:755 BW slaagt dan ook niet, behoudens voor zover dat beroep ziet op underlayment vloer. Dit zal hierna bij het beoordelen van de extra werk factuur worden gemotiveerd.

6.19.

Gelet op het vorenstaande dient [gedaagde sub 1] c.s. – behoudens de underlayment vloer - voor het meerwerk te betalen, tenzij blijkt dat zij de posten van de extra werkfactuur voldoende gemotiveerd heeft betwist.

Betwisting van de posten van de extra werk factuur

Post nummer 07, 11, 12, 14, 15, 16 , 17, 18, 19, 21 en 23

6.20.

[gedaagde sub 1] c.s. voert aan dat zij met [eiser] is overeengekomen dat de werkzaamheden vermeld onder post nummer 07, 11, 12, 14, 15, 16 , 17, 18, 19, 21 en 23 voor een bedrag van € 2.500,00 zouden worden uitgevoerd. Daarvan stond na korting nog € 2.200,00 open, waarvan [gedaagde sub 1] op 16 september 2019 € 2.000,00 heeft voldaan. Voor het restant beroept zij zich op verrekening met de kosten voor het vervangen van de buitenkraan.

6.21.

[eiser] betwist dit en voert aan dat het openstaande bedrag van € 2.200,00 zag op ander extra werk van 23 april 2017 ten aanzien van een kast en een deur voor een bedrag van € 3.500,00. Na aftrek van € 1.000,00 aan minderwerk, resteerde een bedrag van € 2.500,00 waarop later de korting van € 300,00 is gegeven. Een bedrag van € 2.500,00 is ook veel te laag voor bedoelde posten op de extra werk factuur, aldus [eiser] .

6.22.

De kantonrechter merkt op dat de hiervoor bedoelde posten van de extra werk factuur uitkomen op een totaal bedrag van € 4.210,00 ex btw, wat aanzienlijk meer is € 2.500,00. Aangezien [eiser] het in de opdrachtbevestiging opgenomen uurtarief heeft gehanteerd en [gedaagde sub 1] c.s. de uren of doorberekende materiaalkosten voor deze posten niet heeft betwist, moet worden aangenomen dat de bedragen van de factuur een correcte weergave zijn van de kosten van deze extra werkzaamheden. Het is daarom niet aannemelijk dat [eiser] voor deze extra werkzaamheden slechts € 2.500,00 zou hebben gerekend en dat dit bedrag op de in 6.20 bedoelde posten van de extra werk factuur zou zien. [gedaagde sub 1] c.s. dient de op de factuur aangegeven bedragen voor deze posten dan ook in beginsel te voldoen.

6.23.

Uit het vorenstaande volgt dat het verweer van [gedaagde sub 1] c.s. dat bedoelde posten al door haar zijn voldaan faalt. Voldoende is komen vast te staan dat [gedaagde sub 1] c.s. met haar betaling van € 2.000,00 (een deel) van de factuur 4e termijn heeft voldaan en niet (een deel) van de extra werk factuur. [eiser] heeft in dit verband voldoende onderbouwd dat de extra werkzaamheden van de factuur 4e termijn zien op werkzaamheden voor ‘kast en deur’. Echter, de door [eiser] overgelegde bijbehorende kostenopstelling van 23 april 2017 geeft slechts een onderbouwing voor een bedrag van € 1.800,00 in plaats van € 3.500,00. [eiser] heeft daarom onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde sub 1] c.s. nog € 3.500,00 voor de extra werkzaamheden ‘kast en deur’ verschuldigd was, zodat het verschil (€ 1.700,00 ex btw) in mindering wordt gebracht op de posten met nummer 07, 11, 12, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 21 en 23 van de extra werk factuur.

Post nummer 06, 08, 10, 24, 28 en 29

6.24.

[gedaagde sub 1] c.s. voert aan dat de zij met [eiser] is overeengekomen dat de posten met nummer 06, 08, 10, 24, 28 en 29 als vriendendienst zijn verricht. Voor zover het geen vriendendienst is, rekent [eiser] voor post nummer 06, 08 en 24 teveel, aldus [gedaagde sub 1] c.s.. Met betrekking tot post 10 voert [gedaagde sub 1] c.s. aan dat zij zelf het materiaal heeft geleverd, [eiser] een tegel heeft gebroken zodat [gedaagde sub 1] c.s. een nieuwe tegel moest kopen en dat het werk niet goed is uitgevoerd omdat nog steeds sprake is van een lekkage.

6.25.

[eiser] betwist dat sprake was van een vriendendienst. Daarover is volgens hem nimmer gesproken. Bovendien was [eiser] een goede kennis van de broer van [gedaagde sub 2] maar geen vriend van [gedaagde sub 1] c.s.. Hij betwist ook dat hij voor post 06, 08 en 24 teveel rekent. [eiser] voert aan dat hij voor post 06 (vloerdelen leggen bij deur/gang 1e verdieping) niet enkel twee stroken laminaat heeft gelegd en voorgedaan hoe je dit legt. Het waren meer stroken en het ging ook om de ondervloer, afmetingen passend maken etc.. Voor deze beperkte werkzaamheden heeft hij een beperkt bedrag van € 70,00 (ex btw) gerekend. Voor post 08 (traphek timmerwerk) heeft hij niet alleen een traphekje bevestigd, het moest ook worden aangepast/passend worden gemaakt. Daarvoor heeft hij slechts € 140,00 in rekening gebracht ex € 60,00 materiaal kosten. Ten aanzien van post 10 (badkamer tegel/voeg herstel) betwist [eiser] dat hij een tegel heeft gebroken. [eiser] had aanvankelijk helemaal geen opdracht om in de badkamer werk uit te voeren, waarvoor hij naar de offerte verwijst. [gedaagde sub 1] c.s. heeft zelf in de badkamer gewerkt en daarbij een tegel gebroken, waardoor een lekkage ontstond. [eiser] heeft toen op verzoek van [gedaagde sub 1] c.s. nieuwe tegels geplaatst en daarvoor een gering bedrag van € 135,00 inclusief materiaal gerekend. [eiser] betwist dus - zo begrijpt de kantonrechter - dat [gedaagde sub 1] c.s. het materiaal zelf heeft geleverd. Ten aanzien van post 24 (nieuw straatwerk 2 ½ dag) - waarvan [gedaagde sub 1] c.s. aanvoert dat [eiser] slechts een halve dag samen met [gedaagde sub 2] als vriend de tuin heeft bestraat – stelt [eiser] dat hij weldegelijk 2,5 dag daar mee bezig is geweest. De tuin is ook veel te groot om in een halve dag te kunnen bestraten. Aangezien uit de stukken blijkt dat [gedaagde sub 1] c.s. voor al het verrichte werk moest betalen en ook voor kleinere bedragen, is het onaannemelijk dat [eiser] het bestraten van de hele tuin gratis zou doen.

6.26.

Het verweer van [gedaagde sub 1] c.s. dat de hiervoor in 6.24 bedoelde posten vriendendiensten zijn, faalt. Aangezien [gedaagde sub 1] c.s. zich hier op beroept, had het op haar weg gelegen dit nader de onderbouwen. Zij heeft dit onvoldoende gedaan, waarbij [eiser] dit verweer voldoende heeft betwist, zodat niet is vast komen te staan dat het vriendendiensten zijn. Voor zover het verweer er op ziet dat [eiser] op een verhoging van de kosten had moeten wijzen, is hiervoor al gemotiveerd waarom dat verweer niet slaagt. Dat in bedoelde posten ook materiaalkosten zijn begrepen - waarvan [gedaagde sub 1] c.s. op zich zelf een deel niet betwist – maakt het bovendien niet aannemelijk dat sprake is van een vriendendienst. Daarnaast heeft [gedaagde sub 1] c.s. het aantal gewerkte manuren voor de werkzaamheden van post 06, 08 en 24 onvoldoende gemotiveerd betwist. Gelet op het vorenstaande dient [gedaagde sub 1] c.s. de op de factuur aangegeven bedragen voor de posten met nummer 06, 08, 10, 24, 28 en 29 dan ook volledig te voldoen.

Post nummer 01, 02, 03, 04, 05, 13, 09, 20, 22, 25, 26 en 27

6.27.

[gedaagde sub 1] c.s. betwist de werkzaamheden vermeld onder post nummer 01, 02, 03, 04, 05, 13, 09, 20, 22, 25, 26 en 27 om verschillende redenen, zodat die hierna afzonderlijk zullen worden beoordeeld.

Post nummer 01 (‘Serre Brabant’ inkoop-bezoek-overleg)

6.28.

[gedaagde sub 1] c.s. voert aan dat [eiser] zelf heeft aangeboden om mee te gaan naar ‘Serre Brabant’. [eiser] heeft dit betwist en voert aan dat [gedaagde sub 1] c.s. [eiser] heeft gevraagd mee te gaan voor de inkoop, omdat [eiser] de deskundige was en het om een aanzienlijke investering ging en hij degene was die het vervolgens zou bouwen. De kantonrechter overweegt dat deze werkzaamheden niet onder de offerte vallen. Het verweer dat [eiser] had moeten zeggen dat hij hiervoor kosten in rekening zou brengen, slaagt niet zoals hiervoor al gemotiveerd is overwogen. [gedaagde sub 1] c.s. dient het bedrag voor de post met nummer 01 dus te voldoen.

Post nummer 02 (Bestaande vloerdelen demonteren/afvoeren)

6.29.

[gedaagde sub 1] c.s. voert aan dat de vloer nog in zeer goede staat was en dat [eiser] deze samen met een vriend heeft gedemonteerd en zonder vergoeding mee mocht nemen om elders opnieuw te leggen. [eiser] heeft dit betwist en gesteld dat hij de vloer op verzoek van [gedaagde sub 1] c.s. heeft verwijderd omdat [gedaagde sub 1] c.s. een nieuwe vloer zou gaan leggen. [eiser] heeft een kennis gevraagd de vloerdelen af te voeren en betwist dat [gedaagde sub 1] c.s. niet hoeft te betalen voor deze werkzaamheden. De kantonrechter overweegt dat gezien hetgeen partijen over een weer hebben aangevoerd, niet is vast komen te staan dat [eiser] de vloerdelen mocht hebben tegenover het kosteloos demonteren en afvoeren ervan. [gedaagde sub 1] c.s. dient het bedrag voor de post met nummer 02 dus te voldoen.

Post nummer 03, 04, 05 en 13 (zolder CV-omtimmering, zolderkastjes op wielen, zolder vensterbank en wand verplaatsen op zolder)

6.30.

Het verweer van [gedaagde sub 1] c.s. dat [eiser] in plaats van post nummer 22 van de offerte (zolderwand en deur voor € 1.000,00 ex btw) andere werkzaamheden op de zolder heeft uitgevoerd slaagt niet. Zoals hiervoor immers al is overwogen is € 1.000,00 voor de werkzaamheden van post 22 van de offerte al als minderwerk verrekend via de factuur 4e termijn. [gedaagde sub 1] c.s. dient de bedragen voor de posten met nummer 03, 04, 05 en 13 dus te voldoen.

Post nummer 09 (2x trapleuning monteren)

6.31.

[gedaagde sub 1] c.s. voert aan dat het demonteren van de trapleuning – dat noodzakelijk was voor het stucen van de woonkamer – geen meerwerk is. [eiser] voert daartegen aan dat het niet de kosten van demonteren betreft, maar van monteren van twee trapleuningen waarvoor hij slechts € 70,00 heeft gerekend. De kantonrechter overweegt dat de extra werk factuur inderdaad niet van demonteren, maar van monteren spreekt. Aangezien tussen partijen echter niet vast staat of het om één of twee trapleuningen gaat, zal de tijd die [eiser] voor het monteren berekent, worden beperkt tot één manuur (€ 35,00 ex btw). [gedaagde sub 1] c.s. dient dus de helft van het bedrag voor de post met nummer 09 te voldoen.

Post nummer 20 (lekkage plek plafond / isoleer-spray)

6.32.

Aangezien [gedaagde sub 1] c.s. dit niet nader heeft onderbouwd met bijvoorbeeld een proces-verbaal van oplevering, faalt haar verweer dat bij oplevering bleek dat een op advies van [eiser] gedicht ventilatiegat een vochtplek vertoonde dat [eiser] verplicht was te herstellen. [eiser] heeft dit ook voldoende gemotiveerd betwist. [gedaagde sub 1] c.s. dient het bedrag voor de post met nummer 20 dus te voldoen.

Post nummer 22 en 25 (oprooien bestaand straatwerk en afvoeren zand+breuksteen 2x vracht)

6.33.

[gedaagde sub 1] c.s. voert aan dat het afvoeren van oud straatwerk en sloop-/bouwafval in de aannemingsovereenkomst is meegenomen, zodat dit geen meerwerk is. [eiser] betwist dat de afvoer van het oude straatwerk uit de tuin in de aannemingsovereenkomst is begrepen. De kantonrechter overweegt dat deze werkzaamheden niet in de offerte worden vermeld en dat in de opdrachtbevestiging ‘bestrating/tuin’ expliciet is uitgesloten, zodat vast staat dat deze niet onder de aannemingsovereenkomst vallen. Het verweer dat [eiser] voor dit meerwerk had moeten wijzen op een prijsverhoging, slaagt niet zoals hiervoor al gemotiveerd is overwogen. [gedaagde sub 1] c.s. dient de bedragen voor de posten met nummer 22 en 25 dus te voldoen.

Post 26 (underlayment i.p.v. zand/cement dekvloer 15m2)

6.34.

[gedaagde sub 1] c.s. voert aan dat [eiser] afwijkend van de aannemingsovereenkomst, heeft gekozen voor een houten underlayment vloer in plaats van een zandcement dekvloer. Deze uitvoering is goedkoper, want [eiser] rekent op de extra werkfactuur € 300,00 in plaats van de voor de zandcement vloer afgesproken € 500,00. Dit is geen meerwerk maar minderwerk. [eiser] voert daartegen aan dat een underlayment vloer duurder is dan een zandcement dekvloer en dat daarom € 300,00 meerwerk is gerekend. Reden voor de wijziging was dat [gedaagde sub 1] c.s. haast had om de vloer te leggen. De zandcementvloer zou een te lange droogtijd hebben. Indien wordt aangenomen dat de underlayment vloer duurder is, overweegt de kantonrechter dat aannemelijk is - gezien het verweer van [gedaagde sub 1] c.s. - dat [gedaagde sub 1] c.s. als niet deskundige hier niet mee bekend was. Aangezien het om een aanpassing van het overeengekomen werk gaat en [gedaagde sub 1] c.s. de noodzaak van een prijsverhoging uit zichzelf niet had moeten begrijpen, had [eiser] [gedaagde sub 1] c.s. op de noodzaak van een prijsverhoging moeten wijzen. Niet is gebleken dat [eiser] dat heeft gedaan, zodat hij dit meerwerk niet aan [gedaagde sub 1] c.s. kan doorberekenen. [gedaagde sub 1] c.s. hoeft post nummer 26 van de extra werk factuur ten bedrage van € 300,00 dus niet te voldoen.

Post 27 (Herstel achterpoort/schutting)

6.35.

[gedaagde sub 1] c.s. betwist dat zij de kosten voor het herstel van de achterpoort/schutting moet betalen. [eiser] moest een deel van de achterpoort/schutting verwijderen zodat de heimachine in de tuin kon om palen voor de uitbouw in de grond te slaan. [eiser] voert aan dat de werkzaamheden aan de schutting niet gecalculeerd zijn en ook niet in de offerte begrepen, zodat [gedaagde sub 1] c.s. dit meerwerk moet betalen. [gedaagde sub 1] c.s. voert daar tegen aan dat het terug plaatsen van de achterpoort/schutting onderdeel uitmaakt van de aannemingsovereenkomst. De kantonrechter overweegt dat van [eiser] , die wist hoe groot de heimachine was, verwacht mag worden rekening te houden met het eventueel verwijderen en terugplaatsen van een schutting, zodat deze werkzaamheid onderdeel van de aannemingsovereenkomst is. [gedaagde sub 1] c.s. hoeft post nummer 27 van de extra werk factuur ten bedrage van € 35,00 dus niet te voldoen.

6.36.

Gelet op het vorenstaande is [gedaagde sub 1] c.s. ten aanzien van de extra werk factuur nog een bedrag van € 6.812,30 aan [eiser] verschuldigd, berekend als volgt: € 7.700,00 - € 1.700,00 - € 35,00 - € 300,00 - € 35,00 = € 5.630,00, vermeerderd met 21% btw = € 6.812,30.

6.37.

In totaal is [gedaagde sub 1] c.s. daarom voor beide facturen samen nog een bedrag van € 7.012,30 (€ 6.812,30 + € 200,00) aan [eiser] verschuldigd.

Wettelijke rente

6.38.

[eiser] vordert € 238,00 aan wettelijke rente tot en met 31 december 2019. [gedaagde sub 1] c.s. betwist dit omdat dit bedrag niet is onderbouwd.

6.39.

Artikel 6:119 BW bepaalt dat de wettelijke rente verschuldigd is over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening van een geldsom in verzuim is geweest. Verzuim treedt in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld en nakoming binnen deze termijn uitblijft. [gedaagde sub 1] c.s. is bij brief van 8 augustus 2019 in gebreke gesteld onder een termijn van vijf dagen.

6.40.

Aangezien [eiser] de wettelijke rente tot en met 31 december 2019 niet heeft onderbouwd en niet is gebleken dat [eiser] [gedaagde sub 1] c.s. eerder in gebreke heeft gesteld dan bij de hiervoor vermelde brief, zal de vordering van de wettelijke rente tot en met 31 december 2019 gedeeltelijk worden toegewezen, te berekenen over:

  1. € 9.012,30 (€ 6.812,30 + € 2.200,00) van 14 augustus 2019 tot en met 15 september 2019;

  2. € 7.012,30 (€ 6.812,30 + € 200,00) van 16 september 2019 tot en met 31 december 2019.

6.41.

De vanaf 1 januari 2020 gevorderde wettelijke rente over de verschenen en niet betaalde wettelijke rente tot en met 31 december 2019 is op grond van art. 6:119a lid 3 BW slechts verschuldigd en dus toewijsbaar na afloop van één jaar, dus vanaf 31 december 2020.

6.42.

[eiser] vordert ook wettelijke rente vanaf 1 januari 2020 over € 11.458,42. Deze vordering is toewijsbaar over het toegewezen bedrag van de hoofdsom: € 7.012,30.

6.43.

Aangezien de buitengerechtelijke incassokosten – zoals hierna gemotiveerd – zullen worden afgewezen, zal de wettelijke rente over die kosten eveneens worden afgewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

6.44.

[eiser] maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden echter afgewezen, omdat [eiser] de aanmaning als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW, waarop hij zich ter onderbouwing van de gevorderde buitengerechtelijke kosten beroept, niet bij de dagvaarding heeft overgelegd. Daarmee is in strijd gehandeld met artikel 85 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Voor zover [eiser] zich al zou kunnen beroepen op de als productie 9 bij de conclusie van antwoord door [gedaagde sub 1] c.s. overgelegde sommatiebrieven, wordt daarin geen termijn van veertien dagen voor betaling gegeven, zodat ook om die reden in strijd met art. 6:96 lid 6 BW is gehandeld.

6.45.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiser] (gedeeltelijk) zal toewijzen.

6.46.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde sub 1] c.s., omdat zij (grotendeels) ongelijk krijgt.

de tegenvordering

6.47.

[gedaagde sub 1] c.s. stelt dat zij schade lijdt, omdat [eiser] de sleutel van de woning niet heeft teruggegeven, waardoor zij de sloten moet vervangen. [eiser] betwist dat hij de sleutel nog heeft. Daarbij verklaart een collega van [eiser] , de heer Sprangens, dat hij de sleutel in 2017 aan [gedaagde sub 2] heeft gegeven, wat [gedaagde sub 2] op zijn beurt betwist.

6.48.

Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat [eiser] de sleutel nog heeft of dat hij deze heeft teruggegeven of laten teruggeven. De vordering van [gedaagde sub 1] c.s. is niet toewijsbaar, waardoor niet meer wordt toegekomen aan de vraag of [gedaagde sub 1] c.s. daadwerkelijk schade lijdt.

6.49.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [gedaagde sub 1] c.s. zal afwijzen.

6.50.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde sub 1] c.s., omdat zij ongelijk krijgt.

7 De beslissing

De kantonrechter:

de vordering

7.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk tot betaling aan [eiser] van € 7.012,30 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 januari 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;

7.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk tot betaling aan [eiser] van de wettelijke rente over:

  • -

    € 9.012,30 van 14 augustus 2019 tot en met 15 september 2019;

  • -

    € 7.012,30 van 16 september 2019 tot en met 31 december 2019;

7.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk tot betaling aan [eiser] van de wettelijke rente over de hiervoor in r.o. 7.2 bedoelde rente vanaf 31 december 2020;

7.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiser] tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 109,29
griffierecht € 236,00
salaris gemachtigde € 747,00 (3 x € 249,00);

7.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

7.6.

wijst de vordering voor het overige af.

de tegenvordering

7.7.

wijst de vordering af;

7.8.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [eiser] worden vastgesteld op een bedrag van € 37,00 (1/2 x 2 x € 37,00) aan salaris van de gemachtigde van [eiser] ;

7.9.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Greef en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter