Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:4241

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
20-1363
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

weigering omgevingsvergunning voor nieuwbouw dienstwoning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/1363


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2021 in de zaak tussen

Hoogelandt B.V., te De Koog, eiseres

(gemachtigde: mr. H.P. Verheijen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Texel, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H. Witte).

Als derde-partijen nemen aan het geding deel:

de heer en mevrouw [derde partij 1], te [woonplaats]

[derde partij 2] en [derde partij 3], te [woonplaats] ,

[derde partij 3] en [derde partij 4] , te [woonplaats] ,

de heer en mevrouw [derde partij 5] , te [woonplaats]

(gemachtigde: mr. E.A. Wentink-Quelle).

Procesverloop

In het besluit van 9 september 2019 (primair besluit) heeft verweerder aan eiseres een omgevingsvergunning verleend voor de nieuwbouw van een dienstwoning aan de Pelikaanweg 41A in De Koog.

In het besluit van 3 februari 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van derde-partijen tegen het primaire besluit gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de omgevingsvergunning geweigerd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2021. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor derde-partijen is verschenen [derde partij 2] , bijgestaan door hun gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiseres heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor de nieuwbouw van een dienstwoning aan de Pelikaanweg 41A in De Koog, Texel. De beoogde locatie ligt op een vakantiepark. Het perceel valt binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Texel 2013’. Op het perceel rust de bestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatieve terreinen’, met dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’.

1.2

In het primaire besluit heeft verweerder de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. Verweerder constateert dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan wat betreft een gedeelte van de dakhelling. Met gebruikmaking van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid heeft verweerder de omgevingsvergunning verleend.

1.3

Derde-partijen zijn allemaal eigenaar van een vakantiewoning op het vakantiepark. Zij hebben bezwaar gemaakt.

2. In het bestreden besluit weigert verweerder de omgevingsvergunning alsnog. Daaraan ligt – samengevat – het volgende ten grondslag. Alle bezwaarmakers zijn eigenaar van een vakantiewoning op het park. Daarom zijn zij belanghebbenden.

Het perceel is bestemd voor wonen ten behoeve van de recreatieve bestemming. Een bedrijfswoning is daarom in beginsel toegestaan, maar er moet wel een noodzaak zijn voor die bedrijfswoning. Het is niet gebleken dat voor eiseres een noodzaak bestaat om een bedrijfswoning op het park te hebben. Bovendien is logies met ontbijt in de aangevraagde bedrijfswoning in strijd met de planregels.

3. Eiseres voert in beroep gronden aan die hierna, voor zover voor de beslissing van belang, ieder afzonderlijk worden besproken.

4.1

In de eerste plaats stelt eiseres dat verweerder een te ruim criterium heeft toegepast bij de vraag naar de belanghebbendheid. Niet alle bezwaarmakers ondervinden volgens eiseres gevolgen van enige betekenis van de aangevraagde bedrijfswoning. Niet alle bezwaarmakers kijken uit op de bouwlocatie. Bovendien is de aard van het gebruik van de dienstwoning niet zodanig dat gesproken kan worden over gevolgen van enige betekenis voor hen. Eiseres stelt dat alleen de eigenaren van de woningen aan [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt.

4.2

De rechtbank, die de belanghebbendheid van bezwaarmakers ook ambtshalve moet boordelen, volgt eiseres niet in haar betoog. Het gaat in dit geval om een kleinschalig vakantiepark zonder verdere voorzieningen. Aannemelijk is dat de dienstwoning, die aanzienlijk groter en hoger is dan de aanwezige vakantiewoningen en waarvoor een deel van de bomensingel wordt gekapt, effect heeft op het karakter en de uitstraling van het gehele vakantiepark. Bovendien loopt de ontsluiting van het park langs de noordelijk gelegen weg. Niet is uit te sluiten dat met de komst van de bedrijfswoning de verkeersintensiteit toeneemt. Daarom is aannemelijk dat alle bezwaarmakers gevolgen van enige betekenis zullen ondervinden van het aangevraagde project. Verweerder heeft hen terecht als belanghebbenden aangemerkt.

5.1

In de tweede plaats stelt eiseres dat zij bij brief van 5 december 2019 uitgebreid is ingegaan op de bezwaarschriften, maar dat dit document in het advies van de adviescommissie en in het bestreden besluit nergens genoemd wordt. Volgens eiseres is daarom sprake van strijd met het motiveringsbeginsel.

Verweerder erkent dat in het advies van de commissie bezwaarschriften en in het bestreden besluit niet wordt verwezen naar die brief. Verweerder wijst erop dat die brief voorafgaand aan de hoorzitting wel is verstrekt aan alle partijen en ook de commissie. Het standpunt van eiseres is volgens verweerder dan ook bij de beoordeling betrokken.

5.2

De rechtbank stelt vast dat de brief deel uitmaakt van het procesdossier. Eiseres heeft niet weersproken dat de brief ten tijde van de hoorzitting bekend was bij alle betrokkenen en dat zij op de hoorzitting haar standpunt kenbaar heeft kunnen maken en heeft kunnen toelichten. Er moet dan ook vanuit worden gegaan dat de inhoud van de brief bij het nemen van het bestreden besluit is betrokken. De rechtbank verbindt dan ook aan het enkele feit dat de brief niet expliciet is genoemd in het bestreden besluit geen consequenties. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

6.1

In de derde plaats voert eiseres aan dat verweerder ten onrechte meent dat de noodzaak van de bedrijfswoning moet worden aangetoond. Verweerder kan niet alleen maar kijken naar de algemene definitie van het begrip ‘bedrijfswoning’, zoals opgenomen in artikel 1.24 van het bestemmingsplan. Er moet volgens eiseres ook gekeken worden naar de bijzondere inhoud van het bestemmingsplan en de codificatie van gemeentelijk beleid in dat plan. De gemeenteraad heeft bij iedere afzonderlijke bestemming nagedacht of de noodzaak van een eerste (of volgende) bedrijfswoning moet worden aangetoond en heeft in de planregels per bestemming aangegeven of de mogelijkheid bestaat één of meer (nieuwe) bedrijfswoningen aanwezig te hebben en/of te realiseren, en zo ja, wat hierbij de vereisten zijn. In dit geval is artikel 37.2.1 sub d van de planregels van toepassing. Uit die regel volgt niet dat de noodzaak aangetoond moet worden. Een eerste bedrijfswoning mag op deze bestemming dan ook altijd, aldus eiseres.

6.2

Verweerder voert aan dat eiseres het bestemmingsplan verkeerd uitlegt. Het is niet zo dat altijd één bedrijfswoning is toegestaan, zonder dat de noodzaak beoordeeld hoeft te worden. De door eiseres genoemde planregel moet volgens verweerder altijd gelezen worden in samenhang met de definitie van bedrijfswoning in artikel 1.24 van het bestemmingsplan.

6.3

De rechtbank heeft op de zitting vastgesteld dat eiseres een aanvraag heeft ingediend voor een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van een bedrijfswoning, met de mogelijkheid voor een bed & breakfast. Bij de beoordeling van de aangevraagde bedrijfswoning is artikel 37 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Texel 2013’ relevant. In artikel 37.2.1 onder d staat dat per bestemmings- c.q. bouwvlak maximaal 1 bedrijfswoning aanwezig mag zijn. In deze bepaling is niet opgenomen wat onder een bedrijfswoning wordt verstaan. In artikel 1.24 van het bestemmingsplan staat dat een bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein is, “kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, van wie huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is.” Daarmee ligt in de definitie van het begrip ‘bedrijfswoning’ zelf besloten dat die bedrijfswoning noodzakelijk moet zijn. Uit deze planbepalingen in samenhang gelezen volgt dat een bedrijfswoning op het perceel is toegestaan, maar alleen als dat noodzakelijk is gelet op de bestemming van het terrein. Dat betekent dat een bedrijfswoning, anders dan eiseres aanvoert, niet zonder meer is toegestaan. Dat in de planregels die horen bij andere bestemmingen in dit bestemmingsplan expliciet voorwaarden zijn gesteld voor het mogen hebben van een bedrijfswoning, doet hier niet aan af. De beroepsgrond slaagt niet.

7.1

Daarmee komt de rechtbank toe aan de beoordeling van het (subsidiaire) standpunt van eiseres dat het in dit geval noodzakelijk is om een bedrijfswoning op het terrein aanwezig te hebben. Voor de vraag naar de noodzaak van een bedrijfswoning is van belang of de bedrijfsprocessen ter plaatse zoveel tijd en aandacht opeisen, dat op grond daarvan een redelijk belang om op het perceel te wonen aanwezig moet worden geacht. Het is aan de aanvrager, in dit geval eiseres, om dit aannemelijk te maken.1

Eiseres heeft in dat kader aangevoerd en ter zitting toegelicht dat zij eigenaar is van 9 kavels op het vakantiepark, waarop zij toezicht wil kunnen houden. Verder is eiseres eigenaar van enkele wegen en paden, waaraan zij onderhoud moet verrichten Ten slotte wijst eiseres erop dat er nu op dit park geen enkel aanspreekpunt is als zich een calamiteit voordoet, en dat is volgens eiseres een onwenselijke situatie.

7.2

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat eiseres niet de beheerder is van het park. De kavels en vakantiehuizen zijn eigendom van particulieren. De 9 kavels die eiseres in eigendom heeft zijn in erfpacht uitgegeven aan de eigenaren van de desbetreffende vakantiewoningen. De huurders van de vakantiewoningen op het park, ook de huurders van de vakantiewoningen die op de in erfpacht uitgegeven kavels staan, richten zich bij onderhoudsproblemen en andere vragen, volgens derde-partijen rechtstreeks tot de eigenaren van deze vakantiewoningen. Bij ernstige calamiteiten wordt 112 gebeld. Eiseres speelt daarin tot nu toe geen rol en dat heeft nog nooit tot problemen geleid. Eiseres heeft dit niet gemotiveerd weersproken. Het siert eiseres dat zij zich opwerpt als aanspreekpunt bij calamiteiten, maar zij is daartoe niet verplicht. Ook is niet aannemelijk geworden dat de door eiseres overige genoemde bedrijfsprocessen zoveel tijd en aandacht opeisen, dat zij er daarmee een redelijk belang bij heeft dat er iemand dag en nacht op het park aanwezig moet zijn.. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat voor de gewenste bedrijfswoning de noodzaak ontbreekt. Verweerder heeft de omgevingsvergunning daarom terecht geweigerd.

7.3

Aan een bespreking van de standpunten van partijen over de (planologische) toelaatbaarheid van de beoogde bed & breakfast komt de rechtbank daarom niet toe.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Jochem, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Vermeij, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1697