Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:4227

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
28-05-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1561
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verordening leges 2019; is sprake van een belastbaar feit?; hoorplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 31-5-2021
NTFR 2021/1756
V-N Vandaag 2021/1301
FutD 2021-1783 met annotatie van Fiscaal up to Date
NLF 2021/1183 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/1561

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 mei 2021 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van Cocensus, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser een aanslag leges opgelegd van € 19,70.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2021 te Haarlem.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft met ingang van 30 juni 2019 zijn vergunning voor een vaste ligplaats voor een pleziervaartuig opgezegd.

2. Vervolgens heeft verweerder met dagtekening 3 juli 2019 op één aanslagbiljet verenigd een aanslag havengeld en een aanslag leges opgelegd. Het aanslagbiljet vermeldt hierover het volgende (voor zover relevant):

“(…)

Pleziervaart 07-9,99m havengeld vaste ligpl. 2 kwart. € 241,00

Leges opzeggen vaste ligpl. pleziervaartuig € 19,70

Wij berekenen u alsvolgt :

In verband met opzegging van uw ligplaats per 30-06-2019

Subtotaal € 260,70

(…)”

Geschil
3. In geschil is het antwoord op de vraag of sprake is van een belastbaar feit waarvoor leges kunnen worden geheven.

4. Verder is (vooraf) in geschil of de hoorplicht is geschonden.

Beoordeling van het geschil

Vooraf over de hoorplicht

5. Eiser heeft voor het eerst op de zitting aangevoerd dat hij niet is gehoord, terwijl hij daar wel om heeft verzocht in zijn bezwaarschrift. Volgens verweerder is deze beroepsgrond te laat aangevoerd. Dat eiser niet is gehoord, is overigens aan eiser zelf te wijten, omdat het bezwaarschrift naar een onbevoegd orgaan is gestuurd. Vanwege de doorzending is het verzoek om te worden gehoord gemist, aldus verweerder.

6. De rechtbank is het niet eens met het betoog van verweerder dat de beroepsgrond te laat is aangevoerd. Partijen verschillen niet van mening over de gang van zaken tijdens de bezwaarfase: eiser heeft in zijn bezwaarschrift aangegeven dat hij gehoord wil worden, waarna het horen niet heeft plaatsgevonden. De voor het eerst op de zitting aangevoerde stelling vereist niet een nader onderzoek van feiten en omstandigheden. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich voldoende kunnen verweren op de zitting en is verweerder dus niet in zijn procesvoering geschaad. De rechtbank zal daarom deze beroepsgrond wel bespreken.

7. De rechtbank is het ook niet eens met het betoog van verweerder dat het niet horen aan eiser zelf te wijten is. In het bezwaarschrift (zoals doorgestuurd naar verweerder) heeft eiser de vraag ‘Wilt u gehoord worden over het bezwaar?’ beantwoord met: ‘Ja, ik wil mijn bezwaar graag op een hoorzitting toelichten’. Eiser heeft in het bezwaarschrift dus duidelijk om een hoorzitting gevraagd. Verweerder heeft dat verzoek gemist. De rechtbank ziet niet wat de verkeerde adressering van het bezwaarschrift te maken heeft met de omstandigheid dat verweerder het bezwaarschrift slecht heeft gelezen. De kennelijk bij verweerder levende opvatting dat eiser ervan uit moest gaan dat het bezwaarschrift als gevolg van de onjuiste adressering niet in goede orde door het bevoegde bestuursorgaan zou worden ontvangen, is onverenigbaar met de doorzendverplichting van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). In elk geval is dat geen reden (als genoemd in artikel 7:3 van de Awb) om niet te horen. Dit betekent dat eiser in strijd met artikel 7:2 van de Awb niet is gehoord.

8. Eiser heeft op de zitting uitdrukkelijk te kennen gegeven dat de zaak niet hoeft te worden teruggewezen naar verweerder. Ook heeft eiser de rechtbank verzocht de zaak inhoudelijk te behandelen. De rechtbank kan eiser in die wens volgen en zal daarom overgaan tot behandeling van het eigenlijke geschilpunt.

Is sprake van een belastbaar feit?

9. Eiser betoogt dat de leges pas in rekening mogen worden gebracht nadat de (jaarlijkse) aanslag havengeld is opgelegd. Omdat de aanslag havengeld nog niet was opgelegd ontbreekt de grondslag om leges te berekenen die samenhangen met de (extra) werkzaamheden voor de restitutie van havengeld.

10. Verweerder betoogt dat de leges worden geheven voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot opzegging van een ligplaatsvergunning en dat het geen verschil maakt of in verband daarmee restitutie van havengeld plaatsvindt.

11. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of in de situatie van eiser sprake is van een belastbaar feit waarvoor leges kunnen worden geheven. Volgens artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Op de grondslag van deze bepaling heeft de raad van de gemeente Haarlem de Verordening leges 2019 (hierna: Verordening) vastgesteld. In artikel 2, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat onder de naam ‘leges’ rechten worden geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, zoals genoemd in de Verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

12. Hoofdstuk 18a Havendienst van de bij de Verordening behorende tarieventabel luidt als volgt (voor zover relevant):

“1.18a Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag:

(…)

1.18a.3 Tot wijziging en opzegging (bij restitutie) van een ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig € 19,70

(…)”

13. In een nader stuk van eiser heeft eiser gewezen op een link naar de volgende tekst op de website van de gemeente Haarlem:

“Wijzigen of opzeggen ligplaatsvergunning

U kunt uw ligplaatsvergunning opzeggen met het opzeggingsformulier. Blijven er na opzeggen van uw ligplaatsvergunning volle kwartalen over? Dan kunt u vragen om restitutie. Hiervoor betaalt u € 20,30 [rechtbank: bedrag in 2021] voor de administratieve kosten. Dit bedrag wordt afgetrokken van het bedrag dat u eventueel terugkrijgt.”

Door verweerder is niet weersproken dat het begrip ‘restitutie’ betrekking heeft op havengeld en dat deze tekst tevens betrekking heeft op het jaar 2019.

14. Artikel 1.18a van de tarieventabel is niet eenduidig geformuleerd door de toevoeging ‘opzegging (bij restitutie)’. Mede gelet op voormelde tekst op de website van de gemeente Haarlem leest de rechtbank deze bepaling zo dat leges als de onderhavige zijn verschuldigd in geval de opzegging van een ligplaatsvergunning wordt gevolgd door (een verzoek om) restitutie van havengeld. De rechtbank is reeds daarom van oordeel dat deze leges niet in rekening worden gebracht voor (enkel) het in behandeling nemen van een opzegging van een ligplaatsvergunning.

15. Verweerder heeft zich nog op het standpunt gesteld dat (impliciet) restitutie van havengeld heeft plaatsgevonden omdat sprake is van een ontheffing van havengeld voor de laatste twee kwartalen van het belastingjaar. Hierbij heeft verweerder verwezen naar artikel 8, vijfde lid, van de Verordening havengelden 2019. Volgens dit artikel(lid) wordt op verzoek een ontheffing (van havengeld) verleend naar evenredigheid van het aantal volle kwartalen dat na de beëindiging van de belastingplicht in het desbetreffende jaar overblijft.

16. De rechtbank is het niet eens met het betoog van verweerder. Verweerder heeft aan eiser op één aanslagbiljet de aanslag leges en de aanslag havengeld opgelegd. De aanslag havengeld is opgelegd over de eerste twee kwartalen van 2019. Over de laatste twee kwartalen van 2019 is geen aanslag havengeld opgelegd en restitutie van havengeld over die kwartalen is dus niet aan de orde. Een ontheffing van havengeld kan niet gelijk worden gesteld met een restitutie van reeds geheven havengeld.

17. De rechtbank concludeert dat niet sprake is van een belastbaar feit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Verordening en artikel 1.18a van de tarieventabel. Dit betekent dat de beroepsgrond slaagt.

Slotsom

18. Het beroep dient gegrond te worden verklaard. De aanslag leges kan dus niet in stand blijven.

Proceskosten

19. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat in deze zaak aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen is echter niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de aanslag leges en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar; en

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Huisman, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. van Doesburg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.