Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:4217

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
C/15/316213 / KG ZA 21-242
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis in kort geding. Schorsing van de executie van een ontruimingsvonnis voor de duur van het kort geding. Nader onderzoek nodig naar de (sociale) problematiek van huurster. Mede gelet op de recente maatschappelijke ontwikkelingen, die in de verhouding overheid tot burger nopen tot een meer individuele toets waarbij de persoonlijke omstandigheden worden meegewogen, kan ook van sociale verhuurders zoals gedaagde worden gevergd dat zij de sociale problematiek van huurders in ogenschouw nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&E HW 2021/12, UDH:S&E HW/50617 met annotatie van Sander van Heertum
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/316213 / KG ZA 21-242

Tussenvonnis in kort geding van 19 mei 2021

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat: mr. L. Stolk-Hogeterp te Zaandam,

tegen

de stichting

PRÉ WONEN,

gevestigd te Velserbroek,

gedaagde,

in persoon verschenen, tevens bijgestaan door gemachtigde mr. J.J.L. Boudewijn.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Pré Wonen genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 17 mei 2021 met producties 1 tot en met 7 van de zijde van [eiseres];

  • -

    de door Pré Wonen in het geding gebrachte producties 1 tot met 5;

  • -

    de mondelinge behandeling van 18 mei 2021, waarbij door beide partijen pleitaantekeningen zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 Overwegingen

2.1.

[eiseres] huurt sinds 2013 van Pré Wonen een woning aan de [adres] (hierna: de woning). Bij verstekvonnis van 15 juli 2020 heeft de kantonrechter van deze rechtbank onder meer de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden, [eiseres] veroordeeld de woning te ontruimen binnen veertien dagen na betekening van het verstekvonnis en [eiseres] veroordeeld tot betaling van de achterstallige huurpenningen van € 1.947,98, te vermeerderen met de wettelijke rente en een gebruiksvergoeding van € 589,27 voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [eiseres] de woning in gebruik houdt.

2.2.

[eiseres] vordert in dit kort geding - zakelijk weergegeven - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis van de kantonrechter van 15 juli 2020 voor onbepaalde tijd schorst, althans schorst voor een duur en onder eventuele voorwaarden zoals door de voorzieningenrechter te bepalen, met veroordeling van Pré Wonen in de kosten van dit geding.

2.3.

Hieraan legt [eiseres] - samengevat - ten grondslag dat sprake is van een onaanvaardbare onevenredigheid in de betrokken belangen en misbruik van executiebevoegdheid. [eiseres] heeft aangevoerd dat Pré Wonen bij haar de indruk heeft gewekt dat als zij zoveel als mogelijk zou aflossen op haar schuld aan Pré Wonen, Pré Wonen geen gebruik zou maken van haar ontruimingsbevoegdheid. Subsidiair is volgens [eiseres] sprake van een noodtoestand, omdat zij financiële problemen heeft, haar kinderen uit huis zijn geplaatst en zij onder behandeling staat van een psycholoog. De ontruiming zou betekenen dat de kinderen van [eiseres] niet meer bij haar kunnen komen wonen en dat haar (financiële) problemen alleen maar verder oplopen, aldus nog steeds het betoog van [eiseres].

2.4.

Pré Wonen voert verweer. Zij betoogt dat [eiseres] keer op keer in de gelegenheid is gesteld de bestaande betalingsachterstand aan te zuiveren, maar steeds gemaakte betalingsafspraken bewust niet nakomt. Bovendien staan tegen het verstekvonnis van de kantonrechter van 15 juli 2020 geen rechtsmiddelen meer open, zodat volgens Pré Wonen de executie enkel kan worden geschorst indien dat vonnis berust op een misslag of indien de ontruiming op grond van na het verstekvonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten aan de zijde van [eiseres] een noodtoestand zal doen ontstaan. Daarvan is volgens Pré Wonen geen sprake.

2.5.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.6.

Ter zitting is gebleken dat de situatie veel gecompliceerder is dan Pré Wonen doet voorkomen. [eiseres] heeft namelijk toegelicht dat zij ervoor heeft gezorgd dat sinds 2020 de lopende huurverplichtingen steeds tijdig en volledig door de gemeente [woonplaats] rechtstreeks uit haar bijstandsuitkering worden voldaan aan Pré Wonen, hetgeen Pré Wonen heeft erkend. Naast haar bijstandsuitkering, ontving [eiseres] tot voor kort verschillende toeslagen, onder meer verband houdende met de zorg voor haar vier kinderen. Zij wendde die toeslagen gedeeltelijk aan om haar huurachterstand aan Pré Wonen af te lossen conform de met Pré Wonen daarover gemaakte afspraken. Die afspraken tussen partijen (van ná het verstekvonnis van 15 juli 2020) hielden ook in dat als [eiseres] de betalingsafspraken zou nakomen, zij een ontruiming nog kon voorkomen. Vanwege ernstige problemen met haar ex-partner (die daarvoor strafrechtelijk is/wordt vervolgd) heeft [eiseres] echter recent hulp moeten inschakelen van onder meer Veilig Thuis om de veiligheid van haar kinderen (en haarzelf) te waarborgen. Deze hulpvraag van [eiseres] heeft er uiteindelijk toe geleid dat haar kinderen in september 2020 (dus eveneens na het verstekvonnis van 15 juli 2020) uit veiligheidsoverwegingen tijdelijk uit huis zijn geplaatst en bij pleeggezinnen zijn ondergebracht. Het lijkt er op dat dit niet te wijten is geweest aan de handelswijze van [eiseres]. Als gevolg hiervan is [eiseres] aanzienlijk gekort in haar toeslagen, zodat niet of nauwelijks mogelijkheden resteerden om haar huurschuld af te lossen en betalingsafspraken met Pré Wonen na te komen, waarna Pré Wonen de ontruiming alsnog heeft aangezegd tegen 20 mei 2021.

2.7.

De situatie wordt voorts verdere gecompliceerd doordat uit de verklaringen van Pré Wonen ter zitting is gebleken dat de wens van Pré Wonen om de woning van [eiseres] te ontruimen niet enkel is gegrond op de betalingsachterstand, maar ook verband houdt met een gesteld overlastdossier, waarover nog onvoldoende duidelijkheid bestaat en die ook niet aan het verstekvonnis van de kantonrechter ten grondslag ligt.

2.8.

Pré Wonen heeft hiertegen aangevoerd dat zij ook naar aanleiding van deze omstandigheden meerdere keren hulp heeft aangeboden aan [eiseres], onder meer via het sociaal team van de gemeente [woonplaats], maar dat dit niet tot een oplossing heeft geleid. Voor deze stellingen is echter vooralsnog geen onderbouwing in het geding gebracht, terwijl [eiseres] weerspreekt dat zij dergelijke hulp heeft ontvangen.

2.9.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat - mede gelet op de recente maatschappelijke ontwikkelingen, die in de verhouding overheid tot burger nopen tot een meer individuele toets waarbij de persoonlijke omstandigheden worden meegewogen - in gevallen als het onderhavige ook van sociale verhuurders zoals Pré Wonen kan worden gevergd dat zij de sociale problematiek van huurders in ogenschouw nemen. Omdat dit geschil aan de voorzieningenrechter is voorgelegd, rust in dit geval ook op hem een verantwoordelijkheid om op basis van de gehele problematiek een eigen afweging te maken.

2.10.

Anders dan Pré Wonen aanvoert, is de voorzieningenrechter van oordeel dat die ruimte hier ook bestaat, ondanks het feit dat tegen het verstekvonnis van de kantonrechter geen rechtsmiddelen meer openstaan. Ook in dat geval kan de voorzieningenrechter de executie van een vonnis immers schorsen indien Pré Wonen, mede gelet op de belangen aan de zijde van [eiseres] die zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat kan het geval zijn indien het verstekvonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, of indien de ontruiming op grond van na het verstekvonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van [eiseres] een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Gelet op de omstandigheden zoals in 2.6 en 2.7 van dit tussenvonnis geschetst, is niet uitgesloten dat laatstgenoemde situatie (noodtoestand) zich voordoet. In het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026) is bovendien expliciet benoemd dat de genoemde gevallen slechts voorbeelden betreffen en dat er zich ook andere situaties kunnen voordoen waarin in verband met na de uitspraak voorgevallen of aan het licht gekomen feiten sprake is van misbruik van bevoegdheid.

2.11.

Teneinde deze afweging te kunnen maken, waarbij de gehele problematiek wordt overzien, dient echter nader onderzoek plaats te vinden. Daarom zal de voorzieningenrechter een voortzetting van de behandeling in kort geding gelasten, waarin hij door partijen (onderbouwd met stukken) en door informanten nader zal worden ingelicht over deze kwestie. De ontruiming is door Pré Wonen echter aangezegd tegen 20 mei 2021 (twee dagen na de mondelinge behandeling), zodat dit nadere onderzoek niet meer kan plaatsvinden voorafgaand aan de aangezegde ontruiming. Gezien het voorgaande ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding om in dit tussenvonnis te bepalen dat de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis van de kantonrechter van 15 juli 2020, voor zover het de ontruimingsverplichting betreft, zal worden geschorst totdat dit nadere onderzoek in het kader van deze kort geding procedure heeft plaatsgevonden.

2.12.

De voortzetting van de behandeling zal zo mogelijk binnen vier weken na heden worden gepland, waartoe bij partijen verhinderdata zullen worden opgevraagd. Partijen wordt verzocht om suggesties voor eventuele informanten die bij de voortzetting aanwezig kunnen zijn, voorafgaand aan de zitting aan de voorzieningenrechter voor te leggen, zoals ter zitting besproken.

2.13.

Als handvat voor intern beraad - dat niet tot na de voortzetting behoeft te worden uitgesteld - geeft de voorzieningenrechter (in alle voorlopigheid) graag het volgende mee.

1. Afgaande op de uitlatingen van [eiseres] lijkt het erop dat de aanleiding voor de voorgenomen ontruiming is ontstaan doordat na uithuisplaatsing van de kinderen van [eiseres] de toeslagen die zij in verband met die kinderen ontving zijn stopgezet, met als gevolg dat de middelen die beschikbaar waren om naast de lopende huur – die rechtstreeks door de gemeente aan Pré Wonen werd overgemaakt – de extra aflossingen te voldoen waarover zij met Pré Wonen afspraken had gemaakt, van het ene op het andere moment kwamen te ontbreken.

2. Indien dit het geval is, had Pré Wonen dit in haar afweging moeten betrekken en [eiseres] de gelegenheid moeten bieden om alternatieve financiering voor deze aflossingen te organiseren. Het lijkt er niet op dat dit is gebeurd.

3. De uithuisplaatsing van de kinderen lijkt een gevolg te zijn van een melding bij Veilig Thuis die de betrokken instanties tot de opvatting hebben gebracht dat de veiligheid van de kinderen bij moeder thuis niet langer was verzekerd.

4. Het lijkt er niet op dat de onveiligheid door moeder zelf is veroorzaakt; Veeleer moet worden aangenomen dat haar voormalige partner (en/of diens netwerk) hier een doorslaggevende hand in heeft gehad. Indien dit het geval is, rusten op de betrokken instanties de plicht zich er rekenschap van te geven dat uithuisplaatsing in beginsel als tijdelijke maatregel moet dienen, en het dus in het belang van de kinderen is dat de kans op terugkeer in de eigen woning bij moeder als gevolg van andere interventies niet wordt verkleind.

5. Gebleken is dat het beleid dat door Pré Wonen in deze is gevoerd in afstemming met het zorgteam van de gemeente heeft plaatsgevonden. Men mag in zo’n situatie van de betrokkenen verwachten dat er consistentie in de overheidsinterventies wordt nagestreefd.

6. Dat impliceert dat de kans op terugplaatsing van de kinderen niet moet worden verminderd doordat moeder haar huis kwijtraakt. Dat klemt temeer waar moeder al jaren van een bijstandsuitkering afhankelijk is en (dus) voor alle betrokkene voorzienbaar moet worden geacht dat terugkeer in huisvesting waarin zij haar kinderen kan grootbrengen in de huidige woning na ontruiming in ieder geval op korte termijn volstrekt illusoir is.

2.14.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 De beslissing

De voorzieningenrechter

3.1.

schorst de tenuitvoerlegging van het tussen partijen gewezen verstekvonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 15 juli 2020 (zaak-/rolnr.: 8603971 \ CV EXPL 20-5461), voor zover [eiseres] daarin is veroordeeld om het perceel [adres] te ontruimen, voor de duur van deze procedure in kort geding in eerste aanleg;

3.2.

bepaalt dat de behandeling van het kort geding zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum en tijdstip;

3.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 19 mei 2021, en bij verhindering van de voorzieningenrechter ondertekend door mr. Th.S. Röell, voorzieningenrechter. 1

1 type: 1538