Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:4178

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
14-06-2021
Zaaknummer
8857970
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vordering van volledig arbeidsongeschikte ex-werknemer tot uitbetaling openstaand verlof en overuren afgewezen. Afspraak dat werknemer openstaand verlof naar eigen inzicht zou opnemen. Overuren niet in opdracht van werkgever gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0787
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8857970 \ CV EXPL 20-9341

Uitspraakdatum: 21 april 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [woonplaats]

eiseres

verder te noemen: [eiseres]

gemachtigde: ARAG SE Rechtsbijstand

tegen

de stichting Stichting TWijs

gevestigd te Haarlem

gedaagde

verder te noemen: TWijs

gemachtigde: M.S. van Hien

De zaak in het kort

Het gaat in deze om een werknemer die na einde dienstverband uitbetaling van openstaande verlof- en overwerkuren van de werkgever vordert. De vordering terzake de verlofuren wordt door de kantonrechter afgewezen. De werkgever en de werknemer hebben in verband met de volledige/duurzame arbeidsongeschiktheid van de werknemer afgesproken dat de werknemer haar openstaande verlof naar eigen inzicht opneemt zonder dat zij hiervoor verlofaanvragen hoeft in te dienen. De werknemer heeft hier ook naar gehandeld. Uit de stukken blijkt dat zij meerdere reizen naar het buitenland heeft gemaakt. Onder die omstandigheden kan de werknemer zich niet achteraf, nadat het dienstverband is geëindigd, op het standpunt stellen dat zij vanwege haar arbeidsongeschiktheid niet in staat was vakantie te genieten, waardoor de opgebouwde vakantiedagen moeten worden uitbetaald. De vordering terzake de overuren wordt ook afgewezen, omdat niet is gebleken dat de werknemer deze in opdracht van de werkgever heeft gemaakt.

1 Het procesverloop

1.1.

[eiseres] heeft bij dagvaarding van 28 oktober 2020 een vordering tegen TWijs ingesteld. TWijs heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 23 maart 2021 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [eiseres] en TWijs hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd.

1.3.

Tenslotte is vonnis bepaald.

2 Feiten

2.1.

[eiseres] is op 14 september 1992 bij (de rechtsvoorganger van) TWijs in dienst getreden in de functie van Leraar met een bruto salaris van (laatstelijk) € 2.056,50 bruto per maand op basis van 20 uur per week.

2.2.

Op de arbeidsovereenkomst is de cao Primair Onderwijs (hierna: de cao) van toepassing. In artikel 6.24 van de cao staat dat onder overwerk wordt verstaan de door of namens de werkgever opgedragen arbeid buiten de met de werknemer afgesproken werktijd, voor zover deze werktijd met een half uur of meer wordt overschreden.

2.3.

Sinds 2007 wordt [eiseres] naar aanleiding van medische beperkingen ingezet als (ambulant) coach voor collega’s op basis van 660 klokuren per schooljaar.

2.4.

In een functioneringsverslag van 11 september 2014 is met [eiseres] het volgende over teveel gewerkte uren besproken: ‘Het totaal aan uren houdt [voornaam] bij, afgelopen jaar heeft zij 80 uur teveel gewerkt. (…). Met betrekking tot het teveel aan gewerkte uren is nu niet meer vast te stellen welke keuzes er gemaakt hadden moeten worden om dit te voorkomen. Wanneer er teveel wordt gewerkt moet vooraf (zo snel mogelijk) een afspraak gemaakt worden over hoe daarmee om te gaan. Dit kan nu wel voor de komende tijd gedaan worden maar niet met terugwerkende kracht. Voor werknemers die bapo genieten is het niet mogelijk een structurele uitbreiding toe te kennen’.

2.5.

Op 19 oktober 2017 is [eiseres] arbeidsongeschikt geraakt. Per 31 juli 2018 is aan haar een IVA-uitkering toegekend door het UWV.

2.6.

Bij brief van 19 september 2018 heeft TWijs [eiseres] – voor zover relevant – het volgende geschreven: ‘Wat ik je nog wilde voorstellen is een afspraak over het opnemen van je vakantieverlof binnen je ziekteverzuim. Je hebt conform de regels aan de werkgever verzocht of je op vakantie mocht gaan voor je rondreis langs het zuidoosten van Amerika. (…). Ik zou je willen voorstellen dat je voortaan alle uitjes en vakantie opneemt zoals het jou uitkomt en dat je dat niet meer apart hoeft aan te vragen. Als je akkoord gaat met die regeling dan heb ik daarvoor jouw toestemming en ondertekening van die afspraak nodig. (…). Handgeschreven is daaraan toegevoegd ‘Afspraak is dat [voornaam] zelf over het verlof beschikt’. [eiseres] heeft deze brief dezelfde dag voor akkoord ondertekend.

2.7.

Bij brief van 4 april 2019 heeft UWV aan [eiseres] bevestigd dat zij UWV had laten weten dat zij van 12 mei 2019 tot en met 11 juni 2019 in het buitenland verblijft.

2.8.

TWijs heeft, na verkregen toestemming van het UWV, de arbeidsovereenkomst met [eiseres] per 1 februari 2020 opgezegd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.

2.9.

Bij brief van 28 november 2019 heeft (de gemachtigde van) [eiseres] TWijs verzocht in het kader van de afwikkeling van het dienstverband het openstaande verlofsaldo en 411 extra gewerkte uren uit te betalen.

2.10.

Bij brief van 13 december 2019 heeft TWijs te kennen gegeven dat (en waarom) zij niet gehouden is tot uitbetaling van openstaand verlof en extra gewerkte uren.

2.11.

Bij de eindafrekening is geen openstaand verlof of extra gewerkte uren door TWijs uitbetaald.

3 De vordering

3.1.

[eiseres] vordert dat de kantonrechter TWijs bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling van:

  1. I. uitbetaling van € 6.480,85 bruto aan 227 uren openstaand verlof;
    II. Uitbetaling van € 12.832,58 bruto aan 411 extra gewerkte uren;

  2. De wettelijke verhoging en wettelijke rente over het onder a) gevorderde vanaf 1 februari 2020;

  3. De buitengerechtelijke kosten van € 968,13;

  4. De proceskosten;

  5. De nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien de kosten niet binnen twee weken na betekening van het vonnis zijn betaald.

3.2.

[eiseres] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat zij wegens haar langdurige (en volledige) arbeidsongeschiktheid geen verlof heeft kunnen opmaken, zodat na beëindiging van het dienstverband de verlofbalans (227 uur) moet worden uitbetaald. Daarbij is van belang dat voor [eiseres] niet de wettelijke vervaltermijn van zes maanden, maar een verjaringstermijn van vijf maanden geldt, omdat zij wegens langdurige (en volledige) arbeidsongeschiktheid niet in staat was verlof op te nemen.

3.3.

Ten aanzien van de vordering tot uitbetaling van extra gewerkte uren geldt dat [eiseres] op verzoek van haar toenmalige leidinggevende extra coachingtrajecten heeft gegeven. [eiseres] diende haar eigen urenregistratie bij te houden. Daaruit blijkt dat [eiseres] in totaal 411 overuren heeft gemaakt, die door TWijs uitbetaald moeten worden.

3.4.

[eiseres] heeft aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten volgens de kantonrechterstaffel, omdat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht waarvoor [eiseres] niet verzekerd is.

4 Het verweer

4.1.

TWijs betwist de vorderingen en betoogt dat deze dienen te worden afgewezen. Zij betwist dat sprake is van niet-genoten verlofuren en stelt zich op het standpunt dat [eiseres] haar verlofsaldo volledig heeft genoten. Deze afspraak is op 19 september 2018 nadrukkelijk en welbewust gemaakt tussen [eiseres] en haar toenmalige leidinggevende. TWijs betwist ook dat in haar opdracht extra werkzaamheden of extra uren door [eiseres] zijn gemaakt. TWijs heeft deze extra uren nooit gefiatteerd. Dat [eiseres] een urenregistratie moest bijhouden, was om haar er bewust van te maken dat zij teveel uren aan de begeleiding/coaching besteedde, hetgeen uitdrukkelijk niet de bedoeling was.

5 De beoordeling

5.1.

De vraag ligt voor of TWijs openstaande verlofuren en extra gewerkte uren aan [eiseres] moet betalen.

5.2.

De kantonrechter is van oordeel dat dat niet het geval is, hetgeen hierna wordt toegelicht.

Verlof

5.3.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of [eiseres] al haar opgebouwde verlofuren vóór het einde van de arbeidsovereenkomst heeft opgenomen. [eiseres] meent dat dit niet het geval is, omdat zij wegens volledige arbeidsongeschiktheid niet in staat was vakantie te genieten. TWijs meent dat (uit de brief van 19 september 2018 blijkt dat) partijen hebben afgesproken dat [eiseres] voor het einde van haar dienstverband alle openstaande verlofdagen zou opnemen. Hoewel in voornoemde brief niet met zoveel woorden staat dat bij einde dienstverband geen verlof zou worden uitbetaald, kan dit daar naar het oordeel van de kantonrechter in gegeven de omstandigheden wel uit worden afgeleid. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat TWijs ter zitting heeft aangevoerd dat [eiseres] ondanks haar arbeidsongeschiktheid (veroorzaakt door gehoorproblemen) vaak op vakantie ging om met haar partner (rond-)reizen in het buitenland te maken. Juist om [eiseres] tegemoet te komen, is – nadat vaststond dat de arbeidsongeschiktheid duurzaam was (IVA) - afgesproken dat zij haar verlof naar eigen inzicht zou opnemen zonder dat zij daarvoor steeds aanvragen hoefde in te dienen. De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] het daarmee eens was. Zij heeft immers de brief voor akkoord ondertekend en heeft vervolgens ook daarnaar gehandeld, zoals blijkt uit de brief zelf (rondreis door Amerika) en uit de brief van UWV (verblijf in het buitenland voor een maand). Dat [eiseres] haar verblijf van een maand in het buitenland niet als vakantie maar als een ‘korte periode ergens anders verblijven’ aanmerkt, maakt het voorgaande niet anders. De kantonrechter oordeelt verder dat als [eiseres] van mening was geweest dat zij vanwege haar (verslechterende) medische toestand (op enig moment) niet (meer) in staat was vakantie te genieten, het op haar weg had gelegen dat bij TWijs kenbaar te maken (en haar akkoord in te trekken). Dat heeft zij niet gedaan en onder die omstandigheden kan niet achteraf, na beëindiging van het dienstverband, alsnog uitbetaling van het verlofsaldo worden gevorderd. Gelet op het voorgaande behoeft het standpunt van [eiseres] over de verval- danwel verjaringstermijn geen verdere bespreking. Dit komt immers pas aan de orde indien er een openstaand verlofsaldo is en dat is hier niet het geval.

Overwerk / extra gewerkte uren

5.4.

De kantonrechter stelt vast dat op grond van artikel 6.24 van de cao sprake is van overwerk (dat in tijd of geld wordt gecompenseerd) indien daartoe opdracht is gegeven door de werkgever. [eiseres] stelt dat dit het geval is geweest, hetgeen door TWijs is betwist. TWijs ontkent niet dat [eiseres] mogelijk meer uren heeft gewerkt dan haar contracturen, maar voert aan dat zij dat op eigen initiatief/naar eigen opvatting en zeker niet in opdracht van TWijs heeft gedaan. TWijs heeft ter zitting toegelicht dat zij vanwege de gezondheid van [eiseres] juist niet wilde dat [eiseres] meer uren werkte dan haar contracturen. Dit was volgens TWijs een steeds terugkerend gespreksonderwerp, waarbij [eiseres] werd verzocht binnen haar contracturen te blijven. TWijs heeft verder toegelicht dat er vanwege de hoge werkdruk in het onderwijs regelmatig discussie met het onderwijspersoneel is over extra gewerkte uren. Om die reden is het beleid binnen TWijs dat, als er overwerk wordt opgedragen, hiervan aantekening wordt gemaakt in het personeelsdossier. Dergelijke aantekeningen ontbreken in het dossier van [eiseres] , behoudens de eenmalige compensatie van overuren in 2014. Vanaf dat moment is gezegd ‘we moeten iets doen aan die efficiency’, aldus nog steeds TWijs.

5.5.

[eiseres] heeft ter zitting toegelicht dat bepaalde trajecten meer tijd kosten dan gebruikelijk en dat coachinggesprekken vaak (vanwege emoties bij de coachee) uitliepen. Verder heeft [eiseres] verklaard dat zij overuren wel gemeld heeft en dat dan gezegd werd dat ze die uren later maar weer moest inhalen, maar dat die mogelijkheid er niet was. De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] hiermee de door TWijs gegeven toelichting onvoldoende (gemotiveerd) heeft weerlegd. Hoewel niet onaannemelijk is dat [eiseres] uit loyaliteit/verantwoordelijkheidsgevoel veel (meer) tijd in het coachingwerk heeft gestoken dan dat haar contract toestond, kan uit de door haar geschetste gang van zaken geen opdracht hiertoe van TWijs worden afgeleid. Van belang in dit verband is dat blijkens het functioneringsverslag van 11 september 2014 overwerk vooraf met de leidinggevende moet zijn afgesproken. Van een dergelijke (op voorhand gemaakte) afspraak is niet gebleken. De verwijzing door [eiseres] naar haar urenregistratie is hiervoor onvoldoende. Hieruit blijkt niet dat de door [eiseres] bijgehouden uren (vooraf) door TWijs zijn gefiatteerd. TWijs heeft bovendien toegelicht dat deze registratie uitsluitend diende voor [eiseres] om inzicht te krijgen in haar tijdsbesteding zodat het aantal (extra) uren kon worden teruggedrongen, hetgeen ook aansluit bij hetgeen is opgenomen in het functioneringsverslag van 11 september 2014. De conclusie van het voorgaande is dat niet is gebleken dat [eiseres] de extra uren in opdracht van TWijs heeft verricht, zodat van overwerk in de zin van de cao geen sprake is en [eiseres] daarvan geen betaling kan vorderen.

Conclusie

5.6.

De conclusie van het voorgaande is dat de kantonrechter de vorderingen van [eiseres] , als genoemd onder a) I en II van het petitum, zal afwijzen. Omdat de hoofdvorderingen worden afgewezen, zullen ook de nevenvorderingen (onder b en c van het petitum) worden afgewezen.

Proceskosten

5.7.

De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de vorderingen af;

6.2.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor TWijs worden vastgesteld op een bedrag van € 996,00 aan salaris van de gemachtigde van TWijs (€ 498,00 x 2 punten).

6.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.P. Ruitinga, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter