Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:4173

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
C/15/302225 / HA ZA 20-267
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg overeenkomst. Tekortkomingen rechtvaardigen gerechtelijke ontbinding van de overeenkomst. Aanpassing of gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst wegens onvoorziene omstandigheden ex artikel 6:258 lid 1 BW als gevolg van de coronacrisis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/302225 / HA ZA 20-267

Vonnis van 21 april 2021

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE HOORN,

zetelend te Hoorn,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. L.F. Birnie te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] H.O.D.N. ‘ [bedrijfsnaam] ’,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J.J. Kunst te Hoorn.

Partijen zullen hierna de gemeente en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het incidenteel vonnis van 9 september 2020,

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 4 november 2020 waarbij een mondelinge behandeling is gelast,

  • -

    de conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie tevens akte (voorwaardelijke) wijziging (grondslag) eis met producties,

  • -

    de akte houdende overlegging producties van de kant van [gedaagde] ,

  • -

    de mondelinge behandeling van 20 januari 2021 waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. De advocaten van partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De gemeente is eigenaar van het pand aan de [adres] te [plaats] . In het pand is een winkel gevestigd waarin (voorheen) levensmiddelen en watersportartikelen werden verkocht. In het pand zit ook een openbare sanitaire voorziening.

2.2.

Op 28 mei 2002 heeft de gemeente een overeenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten met [bedrijfsnaam 2] (hierna: de V.O.F.) voor het beheer en de schoonmaak van het sanitair en de exploitatie van de havenwinkel. [gedaagde] was op dat moment één van de vennoten van de V.O.F. Nadat de V.O.F. per 16 september 2005 was ontbonden, heeft [gedaagde] de exploitatie voortgezet.

2.3.

In de overeenkomst staat – onder andere – vermeld:

“(…)

ARTIKEL 4

(…)

3. Alle kosten, zowel in als buiten rechte die voor de verhuurder uit niet nakoming door de huurder voortvloeien komen voor rekening van de huurder, onverminderd het recht van de verhuurder om vergoeding van overige schade te eisen.

(…)

ARTIKEL 5

1. De huurder dient door en voor eigen rekening de verkoop- en wasseretteruimte in te richten en ingericht te houden. De huurder is verplicht om gedurende de openingstijden voldoende toezicht te houden op een ordentelijk gebruik van de in het gehuurde aanwezige douche- en toiletruimte alsmede wasseretteruimte.

2. De huurder is verplicht om de in het gehuurde aanwezige douche- en toiletruimte alsmede de wasseretteruimte ten genoegen van de verhuurder schoon te maken en te houden (…).

(…)

ARTIKEL 6

1. De huurder verplicht zich het gehuurde uitsluitend te gebruiken als douche- en toiletruimte, wasserette en verkoopruimte. De verkoopruimte mag door de huurder worden gebruikt voor de verkoop van levensmiddelen en watersportartikelen. Andere sportartikelen mogen worden verkocht tijdens de officiële openingsuren ingevolge de Winkelsluitingswet.

(…)

3. Het is de huurder niet toegestaan om het gehuurde, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de verhuurder, te verhuren c.q. de exploitatie van het in het gehuurde uitgeoefende bedrijf geheel of gedeeltelijk aan een derde over te dragen of over te laten (…). Aan het gehuurde mag zonder schriftelijke toestemming van de verhuurder geen andere bestemming worden gegeven.

(…)

ARTIKEL 8

(…)

4. Het is de huurder, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de verhuurder niet toegestaan in, op of aan het gehuurde werkzaamheden te verrichten aan de constructie en/of installatietechnische onderdelen van het gehuurde of het uiterlijk van het gehuurde te wijzigen.

(…)

ARTIKEL 10

(…)

2. Huurder mag niets in, aan of op het gehuurde (laten) aanbrengen, veranderen of wegbreken zonder schriftelijke toestemming van de verhuurder (…).

(…)”

2.4.

Bij brieven van 11 juli en 12 augustus 2019 heeft de gemeente aan [gedaagde] laten weten dat hij tekortschiet in de nakoming van de overeenkomst en [gedaagde] gesommeerd om de tekortkomingen te staken.

2.5.

Bij brieven van 3 september 2019 en 24 januari 2020 heeft de advocaat van [gedaagde] aan de gemeente laten weten dat hij betwist dat [gedaagde] zijn verplichtingen niet nakomt en dat hij niet aan de sommaties van de gemeente zal voldoen.

2.6.

De gemeente heeft bij brief van 31 maart 2020 de overeenkomst tussen partijen per 1 april 2021 opgezegd.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De gemeente vordert – samengevat en na eiswijziging – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

I. de overeenkomst tussen partijen te ontbinden;

subsidiair:

II. een verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen partijen door opzegging eindigt op 31 maart 2021, althans het tijdstip vast te stellen waarop deze overeenkomst eindigt en voorwaardelijk de overeenkomst tussen partijen gedeeltelijk te ontbinden in die zin dat de betalingsverplichting van de gemeente inzake de facturen voor schoonmaakwerkzaamheden in het tweede kwartaal van 2020 vervalt;

primair en subsidiair:

III. veroordeling van [gedaagde] tot ontruiming van het pand binnen twee weken na vonnis met medeneming van al het zijne en de zijnen en met achterlating van hetgeen aan de gemeente toebehoort en het pand aan de gemeente ter beschikking te stellen in goede staat, bezemschoon, ontdaan van door [gedaagde] aangebrachte aanpassingen, ingericht als havenwinkel, zonder schade en gebreken en onder afgifte van alle sleutels, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat [gedaagde] na betekening van het vonnis in gebreke blijft hieraan te voldoen, met een maximumbedrag van € 100.000,00;

(voorwaardelijk) primair:

IV. onder de voorwaarde dat het primaire, subsidiaire en meer subsidiaire verweer tegen de reconventionele vordering tot betaling van het bedrag van € 10.639,14 vermeerderd met rente en kosten niet zouden slagen, vordert de gemeente bevrijding van haar verplichting tot betaling van dit bedrag op grond van artikel 6:60 van het Burgerlijk Wetboek (BW);

V. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 23.008,79 inclusief btw aan (buiten)gerechtelijke kosten, te vermeerderen met de kosten die de gemeente na december 2020 maakt, althans veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

De gemeente legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen die volgen uit de overeenkomst. Volgens de gemeente gebruikt [gedaagde] de havenwinkel thans in strijd met de overeengekomen bestemming en exploitatieverplichting. Daarnaast heeft [gedaagde] zonder toestemming van de gemeente de havenwinkel verbouwd tot tandenbleekcentrum. Ook worden het gebruik en de exploitatie van het tandenbleekcentrum in de havenwinkel aan derden overgelaten.

3.3.

Het verweer van [gedaagde] houdt in dat hij niet is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. En voor zover daar wel sprake van zou zijn, dient de gevorderde ontbinding afgewezen te worden primair omdat [gedaagde] niet in verzuim is en subsidiair omdat de tekortkomingen de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[gedaagde] vordert – samengevat en na eiswijziging – bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. een verklaring voor recht dat de gemeente door het afscheiden van de verkoopruimte van het sanitair in 2014 is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst;

II. een verklaring voor recht dat de gemeente aansprakelijk is voor de door [gedaagde] geleden en te lijden schade ten gevolge van de hiervoor genoemde tekortkoming;

III. veroordeling van de gemeente tot vergoeding aan [gedaagde] van deze schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente;

IV. veroordeling van de gemeente tot betaling van een bedrag van € 10.639,14, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente berekend vanaf 21 oktober 2020 tot de dag van volledige betaling en met de buitengerechtelijke kosten van € 881,39, althans veroordeling van de gemeente tot betaling van in goede justitie te bepalen bedragen;

V. veroordeling van de gemeente in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.6.

[gedaagde] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de gemeente is tekortgeschoten in de overeenkomst door de verkoopruimte van het sanitair af te scheiden, hoewel partijen geen overeenstemming hadden bereikt over de voorwaarden waaronder dat zou gebeuren. Hierdoor heeft [gedaagde] (omzet)schade geleden. Daarnaast heeft [gedaagde] in de maanden april, mei en juni 2020 aan zijn verplichting tot het schoonmaken en het schoonhouden van het sanitair voldaan, zodat de gemeente gehouden is om de daarvoor verstuurde facturen te voldoen.

3.7.

De gemeente voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en reconventie

4.1.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie worden deze gezamenlijk beoordeeld.

4.2.

Kern van het geschil is of [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en wel zodanig dat de door de gemeente gestelde tekortkomingen de ontbinding met haar gevolgen rechtvaardigen. De rechtbank zal deze gestelde tekortkomingen hierna bespreken.

1: Gebruik in strijd met bestemming en exploitatieverplichting

4.3.

De gemeente heeft aangevoerd dat partijen waren overeengekomen dat de havenwinkel zou worden gebruikt als verkoopruimte voor de verkoop van levensmiddelen en watersportartikelen (en overige sportartikelen tijdens officiële openingsuren). Omdat [gedaagde] in strijd met de afgesproken bestemming een tandenbleekcentrum is gaan exploiteren in de havenwinkel, komt hij die verplichting niet na.

4.4.

[gedaagde] heeft dit betwist en aangevoerd dat hij niet in strijd handelt met de hiervoor genoemde verplichting omdat er voor de (verkoop)activiteiten in de tot het gehuurde behorende verkoopruimte en het daarbij te hanteren assortiment geen restricties gelden. Dit volgt volgens [gedaagde] met name uit de tekst van artikel 6 lid 1 van de overeenkomst. Daarin is volgens hem slechts tot uitdrukking gebracht dat in ieder geval de verkoop van levensmiddelen en watersportartikelen is toegestaan. De stelling van de gemeente dat partijen zouden hebben beoogd dat de verkoopruimte uitsluitend zou worden gebruikt voor de verkoop van levensmiddelen en watersportartikelen, zodat in de behoeften van de haventoeristen zou worden voorzien én dat de huurprijs van € 1,00 per jaar op dat gebruik en die behoeftevoorziening is gebaseerd, wordt door [gedaagde] ook betwist. De huurprijs is volgens [gedaagde] gebaseerd op de verplichting om het sanitair tegen niet-marktconforme vergoeding in te richten, schoon te maken en schoon te houden, niet op enig gebruik of beperking van het gehuurde. Daarnaast voorzien volgens [gedaagde] de supermarkten en overige winkels in de binnenstad van Hoorn al geruime tijd – mede door de zondagopenstelling – in de behoeften van de haventoeristen.

4.5.

De rechtbank oordeelt dat de tekst van artikel 6 lid 1 van de overeenkomst redelijkerwijs niet anders kan worden gelezen dan dat partijen een restrictie met betrekking tot het te hanteren assortiment in de verkoopruimte zijn overeengekomen. Dat de verkoopruimte gebruikt mag worden voor de verkoop van bepaalde, duidelijk omschreven zaken, te weten levensmiddelen en sportartikelen impliceert namelijk dat al het andere niet mag worden verkocht. Het feit dat in de tweede zin van artikel 6 lid 1 na de zinsnede “door de huurder” niet het woord “slechts” is toegevoegd maakt dit niet anders. Dat artikel 6 lid 1 van de overeenkomst een restrictie betreft, volgt ook uit artikel 6 lid 3 van de overeenkomst. Daarin is immers bepaald dat aan de havenwinkel geen andere bestemming mag worden gegeven. Op het moment dat er een tandenbleekcentrum wordt gevestigd in de havenwinkel, krijgt deze overduidelijk een andere bestemming dan contractueel is voorzien. Daarbij komt dat de toenmalige advocaat van [gedaagde] bij mailbericht van 9 april 2014 aan de gemeente heeft bevestigd dat [gedaagde] het bestaande assortiment zou handhaven. Indien [gedaagde] het assortiment in de verkoopruimte wilde wijzigen, had het dan ook op zijn weg gelegen om dit vooraf te bespreken met de gemeente.

4.6.

Daarnaast heeft [gedaagde] niet weersproken de stelling van de gemeente dat het de bedoeling was dat [gedaagde] vanaf 2002 de havenwinkel zou exploiteren op dezelfde wijze als de moeder van [gedaagde] voordien meer dan tien jaar had gedaan. Evenmin heeft [gedaagde] betwist dat de gemeente bepaalde voorzieningen wilde creëren voor het havenpubliek omdat hier volgens de gemeente behoefte aan was en dat de gemeente, om de destijds bestaande voorzieningen te continueren, de havenwinkel ter exploitatie aan [gedaagde] in gebruik gegeven. Ten slotte heeft [gedaagde] onvoldoende betwist dat de gemeente daarom bereid was om met een symbolische huurprijs van € 1,00 per jaar genoegen te nemen en dat de gemeente daartoe nooit zou zijn overgegaan indien [gedaagde] de vrijheid had gehad om de havenwinkel naar eigen inzicht te exploiteren. Immers, de gemeente had met de havenwinkel een duidelijk doel voor ogen, namelijk het voorzien in de behoeften van de haventoeristen. Bovendien heeft [gedaagde] ter zitting erkend dat hij vanuit de havenwinkel diensten verleent – tandenbleken –, dat de verkoop van mondverzorgingsproducten een ondergeschikte rol speelt en dat van de verkoop van andere producten (zoals voorheen) geen sprake meer is. Zelfs al zouden partijen het gebruik van de havenwinkel als algemene verkoopruimte zijn overeengekomen, dan zou het huidige gebruik van de havenwinkel als tandenbleekcentrum hier niet binnen passen. De exploitatie van een tandenbleekcentrum is immers geen gebruik als (algemene) verkoopruimte. Dit betekent dat er überhaupt niet meer van een gebruik als verkoopruimte kan worden gesproken. Op dit punt is dan ook sprake van een wezenlijke tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door [gedaagde] .

2: Verbouwing tot tandenbleekcentrum

4.7.

De gemeente heeft aangevoerd dat [gedaagde] de havenwinkel ingrijpend heeft verbouwd en het uiterlijk van de havenwinkel vergaand heeft veranderd, terwijl [gedaagde] voor de werkzaamheden geen toestemming heeft gevraagd of verkregen van de gemeente. De gemeente heeft zelfs tijdens de uitvoering van de werkzaamheden uitdrukkelijk aangegeven geen toestemming te verlenen voor het verrichten van de werkzaamheden en [gedaagde] gesommeerd de uitvoering te staken. Hierdoor is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van de artikelen 8 lid 4 en 10 lid 2 van de overeenkomst, aldus de gemeente. Ook is [gedaagde] volgens de gemeente tekortgeschoten in de nakoming van artikel 5 lid 1 van de overeenkomst, door de havenwinkel niet langer als verkoopruimte ingericht te houden, maar daarin een tandenbleekcentrum in te richten.

4.8.

[gedaagde] heeft dit betwist en aangevoerd dat hij beperkte aanpassingen heeft gedaan aan de inrichting van het gehuurde. De aanpassingen hebben volgens [gedaagde] geen invloed op de constructie of de buitenschil van het gehuurde en zijn bij het eindigen van de overeenkomst eenvoudig ongedaan te maken. Gelet op de artikelen 8 lid 4 en 10 lid 2 van de overeenkomst is dit toegestaan en schiet hij dus ook niet tekort in de nakoming van de overeenkomst, aldus [gedaagde] .

4.9.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de artikelen 8 lid 4, 10 lid 2 en 5 lid 1 van de overeenkomst. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Op het moment dat [gedaagde] koos voor een (geheel) andere vorm van bedrijfsvoering, te weten een tandenbleekcentrum, vergde dat uiteraard een andere inrichting van de havenwinkel. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] het interieur van de havenwinkel substantieel heeft gewijzigd. Gelet op de hiervoor genoemde artikelen diende [gedaagde] hiervoor toestemming te vragen aan de gemeente, ongeacht of de aanpassingen de constructie of de buitenschil van de havenwinkel onverlet lieten. Ook op dit punt is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een serieuze tekortkoming in de nakoming van de kant van [gedaagde] .

4.10.

De twee hiervoor besproken tekortkomingen zijn - in samenhang bezien - van zodanig gewicht dat de primair gevorderde ontbinding van de overeenkomst gerechtvaardigd is. Nu de gemeente bij brief van 12 augustus 2019 een termijn heeft gesteld voor het staken van de tekortkomingen c.q. het ongedaan maken van de aanpassingen, is [gedaagde] , die aan de sommatie geen gehoor heeft gegeven, na afloop van deze termijn, te weten op 30 augustus 2019, in verzuim geraakt. De rechtbank acht daarom de gevorderde ontbinding, gelet op het bepaalde in artikel 6:265 lid 2 BW, toewijsbaar. De derde door de gemeente gestelde tekortkoming (die ziet op het contractueel niet toegestane gebruik van het gehuurde door derden) behoeft, wat daar verder van zij, na het voorgaande geen bespreking meer.

4.11.

De conclusie is dat de vordering van de gemeente in conventie onder 3.1. sub I. zal worden toegewezen.

Terme de grȃce

4.12.

Voor het toestaan van een terme de grȃce als bedoeld in artikel 7:280 BW zodat [gedaagde] alsnog aan zijn verplichtingen kan voldoen, bestaat geen juridische grondslag. Een terme de grâce is alleen toewijsbaar in het geval van opzegging of ontbinding van de huurovereenkomst en daarvan is in dit geval geen sprake.

Ontruiming

4.13.

De vordering tot ontruiming (vordering onder 3.1. sub III.) zal worden toegewezen. [gedaagde] dient binnen vier weken na betekening van het vonnis het pand te ontruimen en te verlaten.

4.14.

De gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd als hierna is vermeld.

4.15.

Aan de beoordeling van de vordering onder 3.1. sub IV. komt de rechtbank niet toe, aangezien de voorwaarde waaronder de vordering is ingesteld niet in vervulling is gegaan.

(Buiten)gerechtelijke kosten

4.16.

De gemeente vordert betaling van € 23.008,79 aan (buiten)gerechtelijke kosten (vordering onder 3.1. sub V.) op grond van artikel 4 lid 3 van de overeenkomst. De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] een beroep doet op vernietiging van dat artikel ex artikel 6:233 sub a BW. Nu artikel 4 lid 3 van de overeenkomst geen deel uitmaakt van algemene voorwaarden in de zin van artikel 6:231 BW, is vernietiging op die grond niet mogelijk. Daarom dient aan dat beroep voorbij gegaan te worden.

4.17.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport BGK-integraal - worden afgewezen. De gemeente heeft immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan de gemeente vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. De in artikel 4 lid 3 van de overeenkomst bedongen vergoeding van buitengerechtelijke kosten worden daarom gematigd tot nihil.

4.18.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in conventie in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op:

- dagvaarding € 100,89

- griffierecht € 2.042,00

- salaris advocaat € 1.126,00 (2 punten × tarief II € 563,00)

Totaal € 3.268,89

Uitvoerbaar bij voorraad

4.19.

[gedaagde] verzet zich tegen uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis, omdat daardoor een onomkeerbare situatie zou ontstaan en het een hoger beroep tegen die beslissing zinloos zou maken. Bij de beoordeling van dit verweer dienen de belangen van partijen te worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. De Hoge Raad heeft in dit verband geoordeeld dat mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, op zichzelf niet in de weg staan aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad, maar slechts meegewogen moeten worden (HR 28 mei 1993, NJ 1993, 468). Nu [gedaagde] zijn stelling in het geheel niet nader heeft onderbouwd noch andere relevante omstandigheden heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen grond de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad af te wijzen.

Geen overeenstemming afscheiding sanitair van de verkoopruimte

4.20.

[gedaagde] heeft naar het oordeel van de rechtbank haar stelling dat de gemeente door het afscheiden van de verkoopruimte van het sanitair in 2014 is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst onvoldoende onderbouwd nu niet duidelijk is gemaakt in welke contractuele verplichting de gemeente precies is tekortgeschoten. De vordering onder 3.5. sub I. zal dan ook worden afgewezen. De vorderingen onder 3.5. sub II. en III., die voortbouwen op vordering I, moeten dit lot delen.

Schoonmaakfacturen

4.21.

[gedaagde] voert met betrekking tot de door hem gevorderde betaling van € 10.639,14 wegens schoonmaakwerkzaamheden in de maanden april t/m juni 2020 (vordering onder 3.5. onder IV.) aan dat hij aan zijn verplichting uit de overeenkomst tot het schoonmaken en schoonhouden van het sanitair heeft voldaan. De gemeente dient de overeengekomen vergoeding daarvoor te voldoen, aldus [gedaagde] .

4.22.

De gemeente beroept zich op aanpassing of gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst wegens onvoorziene omstandigheden ex artikel 6:258 lid 1 BW als gevolg van de coronacrisis. De gemeente stelt dat onder die omstandigheden haar betalingsverplichting dient te vervallen.

4.23.

De rechtbank overweegt als volgt. De beperkende maatregelen van de (rijks)overheid als gevolg van de coronacrisis moeten worden aangemerkt als onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 6:258 BW. Nu uit de aard der zaak geen van beide partijen heeft bijgedragen aan het ontstaan van de coronacrisis is het niet redelijk dat het financiële nadeel in volle omvang op de gemeente wordt afgewenteld, maar dient dit over beide partijen te worden verdeeld. Het feit dat het sanitair gesloten is zolang de coronabeperkingen gelden betekent dat de gemeente niet volledig aan haar verplichting tot betaling aan schoonmaakkosten kan worden houden. Anderzijds zou het in de gegeven omstandigheden evenmin redelijk zijn indien de betalingsverplichting van de gemeente zou worden verlaagd tot nihil vanwege het feit dat het sanitair gesloten is, terwijl [gedaagde] aan zijn verplichting heeft voldaan c.q. heeft willen voldoen. Daarom zou als redelijk te achten uitgangspunt kunnen worden genomen dat het financiële nadeel gelijkelijk over beide partijen wordt verdeeld, zij het dat bij de beoordeling daarvan alle omstandigheden van het geval betrokken dienen te worden.

4.24.

Daaromtrent overweegt de rechtbank in deze concrete situatie als volgt. [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij afhankelijk is van de schoonmaakkosten voor zijn levensonderhoud en het een relatief gering bedrag betreft voor de gemeente. De gemeente heeft op haar beurt aangevoerd dat zij kampt met oplopende tekorten – net zoals vele andere gemeenten – door de coronacrisis omdat er minder inkomsten en meer uitgaven zijn. Hieruit volgt dat zowel de gemeente als [gedaagde] worden geraakt door de coronacrisis. Gelet op hetgeen partijen naar voren hebben gebracht ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat het financiële nadeel gelijkelijk over partijen verdeeld wordt.

4.25.

De conclusie is dan ook dat de gemeente 50% van de gevorderde € 10.639,14 wegens schoonmaakwerkzaamheden in de maanden april, mei en juni 2020, te weten € 5.319,57, verschuldigd is aan [gedaagde] .

Wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke incasso- en proceskosten

4.26.

De gevorderde wettelijke handelsrente onder 3.5. sub IV. Zal als onweersproken worden toegewezen.

4.27.

[gedaagde] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. Niet gesteld is echter dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De vordering is dan ook niet toewijsbaar.

4.28.

Aangezien elk van partijen in reconventie als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten in reconventie worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

ontbindt de overeenkomst tussen partijen van 28 mei 2002,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om het pand binnen vier weken na betekening van dit vonnis te ontruimen met medeneming van al het zijne en de zijnen en met achterlating van hetgeen aan de gemeente toebehoort en het pand aan de gemeente ter beschikking te stellen in goede staat, bezemschoon, ontdaan van door [gedaagde] aangebrachte aanpassingen, zonder schade en gebreken en onder afgifte van alle sleutels,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan de gemeente een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag dat hij niet aan de in 5.2. uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 3.268,89,

5.5.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.7.

veroordeelt de gemeente om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 5.319,57, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119b BW vanaf 21 oktober 2020 tot de dag van volledige betaling,

5.8.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.9.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.10.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Haverkate en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2021.1

1 type: VB coll: NMB ACH