Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:4100

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
HAA 21/1580
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de hier bovengenoemde bevindingen van politie en belastingdienst, welke bevindingen in essentie niet zijn weersproken door verzoekster (met uitzondering van het door de belastingdienst gemaakte verwijt aan het adres van verzoekster van fiscale fraude). Uit de bestuurlijke rapportages zoals weergegeven onder rechtsoverwegingen 3 en 4 komt het beeld naar voren van een bedrijfspand waar(mee) stelselmatig en op grote schaal criminele activiteiten worden gefaciliteerd. Dit faciliteren bestaat niet alleen in het verschaffen van een adres voor inschrijving bij de Kamer van Koophandel en/of andere katvanger-achtige gedragingen, maar ook in het verschaffen van kantoorruimten voor criminelen, en het fungeren als adres voor het ontvangen van post en/of goederen en/of leveranties ten behoeve van bedrijven en/of personen die zich inlaten met (grondstoffen van) drugs, wapens en lachgas. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze combinatie van activiteiten de vrees wettigt dat het geopend blijven van het bedrijfspand een ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde in en rond het bedrijfspand. Bij het vorenstaande heeft de voorzieningenrechter ook betrokken dat verzoekster zelf wordt verdacht van identiteitsfraude, belasting- en premiefraude en haar enig aandeelhouder [...] is veroordeeld zoals hiervoor beschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 21/1580


uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 mei 2021 in de zaak tussen

[verzoekster] B.V., te [vestigingsplaats] , verzoekster,

en

de burgemeester van Heerhugowaard, verweerder, (gemachtigde: mr. M.E. Biezenaar).

Als derde-partij neemt aan het geding deel:

Stichting [derde partij] ,

(gemachtigde: mr. J.W. Ebbink).

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2021 heeft verweerder de sluiting bevolen van het bedrijfspand aan de [locatie] te Heerhugowaard met ingang van 19 maart 2021 om 10.00 uur voor een periode van zes maanden.

Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij brief van 7 april 2021. Zij heeft de voorzieningenrechter op 9 april 2021 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 22 april 2021 heeft verweerder geweigerd om de sluiting op te heffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij aan de derde partij gerichte brief van 12 april 2021 heeft de rechtbank de derde partij aangemerkt als belanghebbende.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 april 2021. Namens verzoekster zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Zij werd vergezeld door [naam 4] , juridisch medewerker handhaving bij de gemeente Heerhugowaard en mr. [naam 5] , bestuursjurist Programma aanpak Ondermijning Eenheid Noord-Holland bij het Regionaal Informatie en Expertisecentrum (RIEC). De derde partij is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1.1

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.2

Voor het wettelijk kader verwijst de voorzieningenrechter naar de bijlage welke een integraal onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

2.1

Verzoekster is exploitant/huurder van het bedrijfspand aan de [locatie] in Heerhugowaard (hierna: het bedrijfspand). [naam 3] is enig aandeelhouder van [verzoekster] B.V. en [naam 2] is bestuurder. Het bedrijfspand is in eigendom van Stichting [derde partij] . Gelet op de toelichting van [naam 2] ter zitting is het bedrijfspand een bedrijfsverzamelgebouw met meerdere ingangen, twee verdiepingen en een totale oppervlakte van 10.000 m2. In het bedrijfspand zijn onder meer een autobedrijf, een metaalbedrijf en een broodjeszaak gevestigd. Daarnaast bestaat 1.800 m2 van het bedrijfspand uit kantoorruimten welke door verzoekster als flexruimte wordt verhuurd aan andere bedrijven. Naar de voorzieningenrechter heeft begrepen, houdt verzoekster zelf ook kantoor in een van de flexruimten.

2.2

Verweerder heeft de sluiting bevolen van de flexruimte binnen het bedrijfspand met ingang van 19 maart 2021 om 10.00 uur voor een periode van zes maanden. Daarbij heeft hij zich gebaseerd op de rapportage van 12 januari 2021 van de politie-eenheid Noord-Holland, Basisteam Heerhugowaard alsmede op door de Belastingdienst bij brief van 21 januari 2021 verstrekte informatie.

De bestuurlijke rapportage van de politie

3.1

Uit de bestuurlijke rapportage van de politie blijkt -samengevat- dat verzoekster domicilieverlening aanbiedt aan bedrijven door het verhuren van kantoorruimte inclusief inschrijving van deze bedrijven in de Kamer van Koophandel. Het gaat gemiddeld om 350 bedrijven die op de [straat] staan ingeschreven maar zich daar feitelijk (veelal) niet bevinden. In de rapportage is een opsomming gegeven van een reeks van met name genoemde bedrijven (meer dan twintig) die op de [locatie] staan ingeschreven en die zich schuldig maken aan allerlei vormen van criminaliteit zoals: opiumwetdelicten, witwassen, oplichting, verduistering, faillissementsfraude, acquisitiefraude, computer-vredebreuk, valsheid in geschrifte, verstoring van de openbare orde, milieudelicten, identiteitsfraude, criminele uitbuiting en handel in encrypted telefoons. Ook wordt een bedrijf genoemd waarvan de bestuurder frequent voorkwam in de politiesystemen, meerdere strafrechtelijke antecedenten op zijn naam had staan, lid was van de verboden motorclub No Surrender en op [datum] is geliquideerd. De Financial Intelligence Unit (FIU) heeft blijkens de rapportage aangegeven dat van meerdere van de eerder genoemde bedrijven verdachte transacties worden vermeld welke in het laatste kwartaal van 2020 oplopen tot bedragen van boven de 1 miljoen euro per maand. Verder staan op het adres meerdere taxibedrijven ingeschreven die zijn opgericht door een katvanger-achtig en vaak kwetsbaar persoon. Deze taxibedrijven rijden vooral in Amsterdam en hebben vaak bij zowel het CJIB als de gemeente Amsterdam een grote schuld openstaan. De kentekens worden elke 3 tot 6 maanden overgeschreven op een andere B.V. met de [locatie] als adres.

3.2

Voorts blijkt uit de bestuurlijke rapportage van de politie dat op 11 juli 2019 een bestelling is gedaan van 200 liter aceton (een oplosmiddel dat veel wordt gebruikt voor drugslaboratoria) welke bestelling is afgeleverd op de [locatie] .

3.3

Ook blijkt uit de bestuurlijke rapportage van de politie dat de op [datum] (na een eerdere mislukte liquidatiepoging) geliquideerde bestuurder van een op de [locatie] ingeschreven bedrijf geen vaste woon- of verblijfplaats had en dat het aannemelijk is dat hij op het vestigingsadres van zijn bedrijf post ophaalde. Daarbij is er op gewezen dat de betreffende persoon meerdere strafrechtelijke antecedenten op zijn naam had staan, gekoppeld werd aan 145 onderzoeken naar zware criminaliteit, lid was van No Surrender en veelvuldig omging met personen met antecedenten voor geweldsdelicten, wapenbezit en verdovende middelen, waaronder leden van No Surrender zodat het zeer wel mogelijk is dat ook deze personen het bedrijfspand kennen en zullen gebruiken

3.4

Voorts staan op de [locatie] twee bedrijven ingeschreven die handelen in lachgas. Deze bedrijven sloegen lachgas op in meerdere panden die daarvoor niet geschikt zijn en daarbij was sprake van gevaarzetting. Deze bedrijven doen er alles aan om buiten beeld van de politie en controlerende instanties te blijven. Het feit dat deze bedrijven op de [locatie] staan ingeschreven en niet kan worden uitgesloten dat leveringen met lachgas aldaar wordt ontvangen en opgeslagen heeft tot gevolg dat bij een eventuele brandmelding de brandweer onnodig met groot materieel zal uitrukken in verband met explosiegevaar.

3.5

Verzoekster wordt blijkens de rapportage van de politie verdacht van identiteitsfraude. Aandeelhouder [naam 3] is blijkens de rapportage veroordeeld voor sociale zekerheidsfraude, het opzettelijk doen van onjuiste aangifte, faillissementsfraude en handelen in strijd met de Wet Wapens en Munitie waarvoor hij bij niet onherroepelijk vonnis is veroordeeld tot onder meer 27 maanden gevangenisstraf.

3.6

Voorts biedt verzoekster blijkens de rapportage de mogelijkheid aan bedrijven om voertuigen in te schrijven op de [locatie] in het register van de Rijksdienst voor het Wegverkeer. Het gaat om gemiddeld 800 actieve en inactieve kentekens. Met deze op het adres van het bedrijfspand ingeschreven voertuigen worden veelvuldig verkeersover-tredingen gepleegd. Volgens de rapportage stond er begin november 2020 meer dan € 300.000,-- aan boetes open die niet kunnen worden geïnd omdat de verantwoordelijken noch de voertuigen zich op dit adres bevinden. Voor een groot deel van het totaal uitstaande bedrag zijn op de [locatie] ingeschreven bedrijven verantwoordelijk. Verder zijn er aanwijzingen dat met deze voertuigen andere strafbare feiten worden gepleegd omdat meerdere keren personen met inbraakantecedenten in nachtelijke uren zijn aangehouden in op het bedrijfspand ingeschreven huurvoertuigen.

3.7

Door deze domicilieverlening wordt aan bedrijven en hun bestuurders de mogelijkheid geboden om anoniem en onvindbaar te zijn voor instanties en burgers. Deurwaarders zijn in het verleden met grote regelmaat langs geweest op het adres maar kunnen geen beslag leggen op zaken, dagvaardingen uitreiken of vonnissen te betekenen, omdat de bedrijven en hun bestuurders niet fysiek aanwezig zijn, aldus de bestuurlijke rapportage.

De informatie van de belastingdienst

4.1

Uit het onderzoek van de belastingdienst is gebleken dat:

-het adres wordt gebruikt voor verhulling (het niet kunnen traceren) van frauduleuze doeleinden;

-rechtspersonen vaak kort op het adres ingeschreven staan;

-een behoorlijk aantal rechtspersonen op dit adres vaak mutaties heeft naar andere risicoadressen en is betrokken bij faillissementen en/of malafide turboliquidaties;

-rechtspersonen over het algemeen niet bereikbaar/traceerbaar zijn voor aangifte/heffing/ controle/inning;

-een groot deel van de vennootschappen een invorderingsschuld heeft;

-het grootste deel van de vennootschappen geen aangifte meer doet van vennootschaps-belasting zodra ze op dit adres zijn gevestigd;

-en dat op dit adres vele vormen van (belasting)fraude plaatsvinden gericht op publieke en private partijen en dat het gaat om onder meer carrouselfraude, taxifraude, faillissementsfraude en betalingsfraude.

4.2

Uit de door de Belastingdienst verstrekte informatie blijkt verder dat verzoekster zelf ook fiscale fraude zou plegen. Uit onderzoek is naar voren gekomen dat door verzoekster grote geldbedragen zijn verdiend en dat daarover geen aangifte vennootschaps- en omzetbelasting is gedaan en dat er hoogstwaarschijnlijk sprake is van witwassen. Verder is op 3 december 2020 bij de belastingdienst gemeld dat vanuit het UWV is gebleken dat er op dat moment nog steeds belasting- en premiefraude wordt gepleegd via een vennootschap van [naam 3] die staat ingeschreven op het adres [locatie] . Door het Bureau Economische Handhaving (BEH) is onderzoek uitgevoerd op dit adres en zijn processen-verbaal opgemaakt wegens overtreding van artikel 11 van de Handelsregisterwet wegens een onjuiste opgave in het handelsregister van het bezoekadres [locatie] .

Standpunt verweerder

5. Verweerder heeft op basis van vorenstaande informatie van de politie en belasting-dienst in het besluit van 11 maart 2021 geconcludeerd dat sprake is van het structureel plegen van strafbare feiten/zware criminaliteit door meerdere op het adres ingeschreven ondernemingen en hun bestuurders over langere tijd en dat het aannemelijk is dat deze ondernemingen en personen hierin structureel worden gefaciliteerd door de door verzoekster aangeboden flexconstructie. Het vermoeden bestaat dan ook dat verzoekster met de domicilieverlening (ondermijnende) criminaliteit faciliteert. Door deze constructie wordt het overheidsinstanties structureel onmogelijk gemaakt toezicht te houden op deze bedrijven. Uit de stukken blijkt dat de schaal waarop ondermijning plaatsvindt op dit adres uniek is in Nederland. Gelet hierop is verweerder van mening dat er sprake is van een ernstige verstoring van de openbare orde. Een tijdelijke sluiting van het bedrijfspand is het enige middel om het gebruik van het pand voor ondermijning en het structureel plegen van strafbare feiten tegen te gaan. De sluiting is blijkens verweerders besluit gebaseerd op artikel 174 van de Gemeentewet en artikel 2:80, eerste lid aanhef en onder e, van de Algemene plaatselijke verordening 2020.

Grieven verzoekster

6. Verzoekster beoogt met haar verzoek schorsing van het besluit van 11 maart 2021 zodat de flexruimte in het pand weer in gebruik kan worden genomen. Zij wil graag weer ondernemen. Door de sluiting kunnen veel bedrijven geen gebruik maken van de flexruimte terwijl ze dat wel graag willen. Al hun spullen (computers, administratie) liggen nog in het pand. Door de sluiting van de flexruimte zal verzoekster voor haar klanten in allerijl andere kantoorruimte moeten huren waardoor zij veel schade zal lijden. Slechts 0,61% van de huurders is niet zuiver geweest. Alle door verweerder genoemde bedrijven zijn door toedoen van verzoekster -op 1 na- vertrokken. Van het nog aanwezige bedrijf is de huur opgezegd. Het is voor verzoekster lastig om te beoordelen of een potentiële huurder betrouwbaar is of niet. Indien uit het door haar zelf verrichte onderzoek geen relevante feiten en omstandigheden naar voren komen, is er voor haar geen reden om de ondernemer niet als klant aan te nemen. Zolang deze ondernemers door de strafrechter geen bestuursverbod opgelegd hebben gekregen, mogen zij vrij deelnemen aan het handelsverkeer. In een dergelijk geval kan verzoekster -zo begrijpt de voorzieningenrechter- niet weten dat zij zich inlaten met criminele activiteiten en kan haar niks worden verweten. Verzoekster heeft zelf geen problemen met de fiscus. Zij heeft aan al haar verplichtingen voldaan, aldus verzoekster.

Spoedeisend belang

7.1

Verweerder heeft betoogd dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft. Daarbij heeft hij er onder meer op gewezen dat de flexruimte van het bedrijfspand op 19 maart 2021 is gesloten en verzoekster eerst bij brief van 7 april 2021 bezwaar heeft gemaakt en op 9 april 2021 verzocht heeft om een voorlopige voorziening te treffen. Er zijn verweerder geen feitelijke problemen bekend als gevolg van de sluiting. Van een noodtoestand is niet gebleken.

7.2

De voorzieningenrechter overweegt dat sluiting van een bedrijfspand in de regel ingrijpende en verstrekkende gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van het desbetreffende bedrijf. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om daar in de onderhavige situatie anders over te denken. Ofschoon niet vaststaat hoeveel personen in het pand werkzaam waren, valt toch aan te nemen dat door verzoekster in ieder geval activiteiten in het pand werden verricht zoals het openen en verwerken van post en het beheren en ter beschikking stellen van kantoorruimte aan derden. Een spoedeisend belang bij de beoordeling van de sluiting kan verzoekster derhalve niet worden ontzegd. Dat verzoekster om haar moverende redenen niet onmiddellijk een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend, doet daar niet aan af.

Beoordeling

8. In het hiernavolgende zal de voorzieningenrechter beoordelen of aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen zoals gevraagd, hetgeen er op neerkomt dat de sluiting van de kantoorruimte hangende bezwaar ongedaan wordt gemaakt waardoor deze weer in gebruik kan worden genomen door verzoekster en haar flexhuurders. Voor het treffen van een dergelijke voorlopige voorziening is in beginsel slechts plaats indien het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft omdat ernstig moet worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het besluit tot sluiting van het bedrijfspand.

9.1

Voorop staat dat verweerder bevoegd is om op grond van artikel 174 van de Gemeentewet en op grond van artikel 2:80, eerste lid aanhef en onder e, van de Algemene plaatselijke verordening 2020 over te gaan tot sluiting van het bedrijfspand indien de vrees bestaat dat in of rond het bedrijfspand feiten plaatsvinden die de orde en rust binnen de gemeente verstoren en een ernstig gevaar opleveren voor de openbare orde of het woon- en leefklimaat.

9.2

Van een dergelijke situatie is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter sprake. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de hier bovengenoemde bevindingen van politie en belastingdienst, welke bevindingen in essentie niet zijn weersproken door verzoekster (met uitzondering van het door de belastingdienst gemaakte verwijt aan het adres van verzoekster van fiscale fraude). Uit de bestuurlijke rapportages zoals weergegeven onder rechtsoverwegingen 3 en 4 komt het beeld naar voren van een bedrijfspand waar(mee) stelselmatig en op grote schaal criminele activiteiten worden gefaciliteerd. Dit faciliteren bestaat niet alleen in het verschaffen van een adres voor inschrijving bij de Kamer van Koophandel en/of andere katvanger-achtige gedragingen, maar ook in het verschaffen van kantoorruimten voor criminelen, en het fungeren als adres voor het ontvangen van post en/of goederen en/of leveranties ten behoeve van bedrijven en/of personen die zich inlaten met (grondstoffen van) drugs, wapens en lachgas. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze combinatie van activiteiten de vrees wettigt dat het geopend blijven van het bedrijfspand een ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde in en rond het bedrijfspand. Bij het vorenstaande heeft de voorzieningenrechter ook betrokken dat verzoekster zelf wordt verdacht van identiteitsfraude, belasting- en premiefraude en haar enig aandeelhouder [naam 3] is veroordeeld zoals hiervoor beschreven. De aldus begrepen stelling van verzoekster dat [naam 3] niet meer verbonden zou zijn aan [verzoekster] B.V. wordt weersproken in de bestuurlijke rapportage en in de overgelegde stukken van de Kamer van Koophandel betreffende verzoekster. Nu verzoekster ook geen verdere onderbouwing heeft gegeven van haar stelling, bijvoorbeeld door aan te geven wie de aandelen zou hebben overgenomen, gaat de voorzieningenrechter aan deze stelling voorbij.

10. Ten aanzien van het aldus begrepen betoog van verzoekster dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van het feit dat criminelen bij haar flexruimte huren, overweegt de voorzieningenrechter dat voor de beantwoording van de vraag of de openbare orde in het geding is, de verwijtbaarheid van verzoekster niet relevant is.

11. De stelling van verzoekster dat alle malafide onderhuurders inmiddels zijn vertrokken, kan verzoekster niet baten. Dienaangaande heeft verweerder terecht overwogen dat daarin geen reden kan worden gevonden om de sluiting op te heffen omdat malafide ondernemingen vaak maar korte tijd op dit adres verblijven en dat de wijze van verhuur tot gevolg heeft dat steeds nieuwe malafide ondernemingen zich zullen melden.

12. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, bestaat er vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat ernstig moet worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het besluit tot sluiting van het bedrijfspand en moet het er vooralsnog voor worden gehouden dat dit besluit in bezwaar stand zal houden. Derhalve bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. de Valk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. Poggemeier, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2021.

Griffier

Voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage

Artikel 174, eerste lid, van de Gemeentewet luidt: De burgemeester is belast met het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven.

Artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet luidt: De burgemeester is bevoegd bij de uitoefening van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, de bevelen te geven die met het oog op de bescherming van veiligheid en gezondheid nodig zijn.

Artikel 2:80, eerste lid aanhef en onder e, van de Algemene plaatselijke verordening 2020 van de gemeente Purmerend (Apv) luidt: De burgemeester kan ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat, de sluiting bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte als daar:

e. zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde of het woon- en leefklimaat.