Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:4040

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
HAA 20/2563
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opleggen bouwstop op straffe van een last onder dwangsom. Recreatiewoningen zijn aan te merken als bijbehorend bouwwerk bij het hoofdgebouw. Sprake van functionele verbondenheid, omdat zij in planologisch opzicht gerelateerd zijn aan het hoofdgebouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/2563


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 mei 2021 in de zaak tussen

[eisers] e.a., te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. M.L.M. Frantzen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Texel, verweerder

(gemachtigden: mr. J.D. Kooistra en dhr. C. Witte).

Procesverloop

In het besluit van 6 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers gelast alle bouwwerkzaamheden aan de gebouwen op het perceel [# 1] en [# 2] aan de [locatie] in Texel, met onmiddellijke ingang te (doen) staken en gestaakt te houden totdat op een (eventueel) ingediende aanvraag voor een legaliserende omgevingsvergunning positief is beslist, op straffe van een last onder dwangsom van € 25.000,-.

Eisers hebben op 7 november 2019 tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening bij deze rechtbank ingediend.

Bij uitspraak van 10 december 2019 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Alkmaar, het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen

(HAA 19/4972 WABOA KV).

In het besluit van 17 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden middels een digitale verbinding via Skype op 1 april 2021. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Eisers zijn eigenaren van het westelijke deel van de stolpboerderij (de bedrijfswoning) aan [adres 1] met kadastraal nummer [# 1] . Het kleinere oostelijke deel van de stolpboerderij met kadastraal nummer [# 2] , [adres 2] , is onderdeel van het vermogen van [bedrijf 1] B.V., waarvan eisers aandeelhouder zijn. Dit deel is in gebruik als receptie/kantoor ten behoeve van het achtergelegen recreatieterrein [naam 1] met kadastrale nummers [# 3] , [# 4] , [# 5] [# 6] , waarop een aantal recreatiewoningen staat. Het recreatieterrein [naam 1] valt voor een groot deel in het vermogen van [bedrijf 2] B.V., waarvan eisers ook aandeelhouder zijn. De receptie/kantoor en de recreatiewoningen vormen tezamen het ‘Villapark [naam 1] ’.
Eisers bouwen een berging/veranda van 48m² bij hun bedrijfswoning op het perceel met kadastraal nummer [# 1] . De afstand tussen de berging/veranda en de bedrijfswoning/ stolpboerderij is meer dan vier meter.

1.2

Op grond van het vigerende bestemmingsplan “Bestemmingsplan Buitengebied Texel 2013” (hierna: het bestemmingsplan) rust op de gronden waarop de stolpboerderij en de recreatiewoningen gelegen zijn de bestemming “Recreatie-Verblijfsrecreatieve terreinen”.

1.3

Uit het opnamerapport van 6 november 2019 (hierna: het opnamerapport) blijkt dat toezichthouder [naam 2] op 5 november 2019 een controle heeft uitgevoerd. In het rapport is opgenomen dat zonder omgevingsvergunning is gebouwd, terwijl wel een omgevingsvergunning benodigd is.

2. Verweerder heeft de last onder dwangsom opgelegd, omdat blijkens het opnamerapport een bouwwerk wordt gerealiseerd zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning is verleend. Het bouwwerk is volgens verweerder niet vergunningvrij, omdat het niet past binnen de regels voor vergunningvrij bouwen. Het bouwwerk is niet vergunningvrij op grond van artikel 2, aanhef en onder 3, van Bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht (Bor), omdat de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied reeds meer bedraagt dan de toegestane 150 m². Verweerder merkt de stolpboerderij in het geheel aan als hoofdgebouw en de recreatiewoningen als bijbehorende bouwwerken bij het hoofdgebouw.

3.1

De bouwstop op straffe van een last onder dwangsom is opgelegd totdat op een (eventueel) ingediende aanvraag voor een legaliserende omgevingsvergunning positief is beslist. Bij besluit van 26 februari 2020 heeft verweerder aan eisers een omgevingsvergunning verleend voor de nieuwbouw van een berging met veranda ten behoeve van de bedrijfswoning aan [adres 1] in [woonplaats] .

3.2

Ter zitting hebben eisers desgevraagd aangegeven dat zij nog belang hebben bij onderhavige procedure, omdat zij door de bouwstop schade hebben geleden en afhankelijk van de uitkomst van deze procedure een verzoek tot schadevergoeding willen indienen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eisers nog procesbelang hebben.

4.1

De kern van het geschil betreft de vraag of de berging/veranda vergunningvrij gebouwd kan worden op grond van artikel 2 van Bijlage II behorende bij het Bor. Daarbij is niet in geschil dat het te bouwen bouwwerk een bijbehorend bouwwerk is. Wel in geschil is of er reeds bijbehorende bouwwerken op het perceel staan, die tezamen de toegestane oppervlakte van 150 m² overschrijden (artikel 2, aanhef en onder 3, sub f, van Bijlage II bij het Bor).

4.2

Ingevolge artikel 1 van bijlage II bij het Bor wordt in deze bijlage verstaan onder "bijbehorend bouwwerk": uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

Op grond van artikel 2, aanhef en onder 3, van Bijlage II behorende bij het Bor is een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

(…)

b. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

1°. indien hoger dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3;

2°. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het betreft huisvesting in verband met mantelzorg,

(…)

f. de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan:

1°. in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied,

2°. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2,

3°. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2;

(…).

4.3

Om te bepalen of de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer bedraagt dan 150 m², moet worden beoordeeld of de recreatiewoningen zijn aan te merken als bijbehorend bouwwerk. Voor deze beoordeling is, zoals verweerder terecht stelt, de definitiebepaling in artikel 1, eerste lid, van Bijlage II behorende bij het Bor van ‘bijbehorend bouwwerk’ van belang en niet artikel 2, aanhef en onder 3, van Bijlage II. Het gaat immers niet om de vraag of de recreatiewoningen vergunningvrij gebouwd kunnen worden. De eis van functionele ondergeschiktheid, neergelegd in artikel 2, aanhef en onder 3, sub b onder 2˚, van Bijlage II behorende bij het Bor is dus niet van toepassing. Blijkens de definitiebepaling moet sprake zijn van een functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden bouwwerk.

4.4

Tussen partijen is niet in geschil dat de gehele stolpboerderij als hoofdgebouw dient te worden aangemerkt. Vraag is dan vervolgens of de recreatiewoningen zich op hetzelfde perceel bevinden als het hoofdgebouw. Als overwogen is sprake van meerdere kadastrale percelen. Gelet op de feitelijke actuele situatie ter plaatse vormen alle kadastrale percelen tezamen één perceel en bevinden de recreatiewoningen zich dus op hetzelfde perceel als het hoofdgebouw. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de gronden met de verschillende kadastrale nummers allemaal deel uitmaken dan wel ten dienste staan van Villapark [naam 1] , het terrein is ingericht als één perceel en eisers zijn eigenaar van de kadastrale percelen, dan wel aandeelhouder van de bedrijven die het Villapark beheren en exploiteren. Door eisers is dat ook niet betwist.

4.5

Resteert de vraag of de recreatiewoningen functioneel verbonden zijn met het hoofdgebouw.

4.6

Eisers betogen dat dat niet het geval is. Het betreffen zelfstandige woningen en een zelfstandige woning kan nooit functioneel verbonden zijn met een hoofdgebouw. Eisers verwijzen daarbij naar Toelichting bij de artikelen 1 en 2 van bijlage II bij het Bor (Staatbladen 2010, 143 en 2014, 333). Daar staat dat een bouwwerk dat wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg kwalificeert als een zelfstandige woning en daarom niet functioneel verbonden is met het hoofdgebouw (hetgeen volgende de definitie van huisvesting in verband met mantelzorg altijd een andere woning zal zijn). Analoog hieraan zijn de recreatiewoningen dus niet aan te merken als bijbehorende bouwwerken volgens eisers.

4.7

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de verwijzing naar de regeling die ziet op mantelzorg niet relevant is. Gelet op de bestemming “Recreatie-Verblijfsrecreatieve terreinen” zijn de recreatiewoningen in het achtererfgebied functioneel verbonden met het hoofdgebouw waar onder meer een receptie en kantoor gevestigd is. Daarmee is sprake van functionele verbondenheid. Dat het woningen betreft maakt niet dat geen sprake kan zijn van functionele verbondenheid. De ondergeschiktheidseis van artikel 2, aanhef en onder 3, sub b, van Bijlage II behorende bij het Bor is alleen relevant voor de beoordeling of vergunningvrij gebouwd kan worden en niet voor de vraag of sprake is van een bijbehorend bouwwerk.

4.8

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de recreatiewoningen zijn aan te merken als bijbehorend bouwwerk bij het hoofdgebouw. Er is sprake van functionele verbondenheid, omdat zij in planologisch opzicht gerelateerd zijn aan het hoofdgebouw. Dat het recreatiewoningen zijn doet daar niet aan af. Het beroep op de Toelichting uit 2010 en op de wijziging van artikel 1 met betrekking tot huisvesting in verband met mantelzorg in 2014 maakt het voorgaande ook niet anders. Ten aanzien van mantelzorg geldt dat het daarbij gaat om een zelfstandige woning ten behoeve van mantelzorg bij een woning (hoofdgebouw). Daarvan is in dit geval geen sprake. De Toelichting bij de artikelen 1 en 2 bevat evenmin aanknopingspunten voor de stelling dat een (recreatie)woning nooit een bijbehorend bouwwerk kan zijn. Bepalend is wat de bestemming van het hoofdgebouw is. Als overwogen komt de eis van functionele ondergeschiktheid pas aan de orde bij de vraag of een bijbehorend bouwwerk vergunningvrij gebouwd kan worden. Die vraag ligt dus niet voor met betrekking tot de recreatiewoningen.

4.9

Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank verweerders standpunt dat met de recreatiewoningen de maximale te bebouwen oppervlakte van het bebouwingsgebied is bereikt en dat daarom de berging/veranda niet vergunningvrij gebouwd kan worden. Het betoog van eisers slaagt niet.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. Steinhauser, rechter, in aanwezigheid van

drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
17 mei 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.