Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:3914

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
13-05-2021
Zaaknummer
C/15/314982 / KG ZA 21-182
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot schadevergoeding afgewezen. Onvoldoende gesteld om bestaan, toedracht en omvang van schade vast te (kunnen) stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer: C/15/314982 / KG ZA 21-182

Vonnis in kort geding van 12 mei 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.I. Vervest te Heemskerk,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MARLO CENTER B.V.,

gevestigd te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M. Meijerink te Hoorn.

Partijen zullen hierna [eiser] en Marlo Center genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 13 april 2021 met 7 producties

  • -

    de brief van mr. Vervest van 28 april 2021 met 1 productie

  • -

    de akte overlegging producties van Marlo Center met 3 producties

  • -

    de mondelinge behandeling van 28 april 2021

  • -

    de pleitaantekeningen van mr. Vervest

  • -

    de aantekeningen ten behoeve van het kort geding van mr Meijerink.

1.2.

Na uitroeping van de zaak zijn verschenen:

  • -

    [eiser]

  • -

    mr. Vervest voornoemd

  • -

    mr. Meijerink voornoemd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De zaak in het kort

2.1.

Volgens [eiser] zijn er werkzaamheden verricht op het terrein en aan de hemelwaterafvoer van Marlo Center, als gevolg waarvan de afwatering in de sloot tussen de percelen van partijen het zand onder de grond van [eiser] heeft weggeslagen. Dat zou schade aan de woonwagen van [eiser] hebben veroorzaakt, zodat Marlo Center die schade aan [eiser] moet vergoeden. Volgens de wet moet degene die dat stelt dan wel bewijzen dat die schade het gevolg is van het handelen van de tegenpartij. In dit geval is dat bewijs niet (voldoende) geleverd. Omdat duidelijke bewijsstukken ontbreken, kan niet worden vastgesteld óf er schade is, en zo ja hoe groot die schade dan is, hoe die schade is ontstaan en wie daarvoor verantwoordelijk is. De voorzieningenrechter moet de vordering dan ook afwijzen.

3 Feiten

3.1.

[eiser] is eigenaar van een woonwagen gelegen aan de [adres] te [plaats] . De grond onder de woonwagen is eigendom van woningbouwvereniging Pre Wonen. Die grond grenst aan het terrein van Marlo Center (hierna; het Marlo-terrein). Tussen de beide locaties ligt een sloot. De hemelwaterafvoer van het Marlo-terrein watert af in die sloot.

3.2.

De sloot is eigendom van de gemeente [gemeente] en wordt beheerd door het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (hierna: HHNK).

3.3.

[eiser] heeft na een door hem geconstateerde verzakking van de grond waarop zijn woonwagen staat eerst contact opgenomen met Pre Wonen en naderhand met HHNK.

3.4.

In een e-mail van 10 maart 2021 heeft HHNK onder mee het volgende aan [eiser] geschreven:

(…)

Op 8-7-2020 ben ik, destijds beheerder beschoeiingen, ter plaatse geweest om poolshoogte te nemen. Geconstateerd wordt dat hier de oever inderdaad aan het afkalven is. Bewoner toont een filmpje, tijdens regenbui opgenomen, van de lozing door de waterafvoerenpijpen aan de overkant van de sloot, de [adres] . Dit filmpje laat zien dat er tijdens regen een flinke stroming ontstaat vanuit de afvoerpijpen. De lozing veroorzaakte een dusdanige stroming dat de oever aan de kant van [adres] werd weggeslagen. Bewoner claimt dat door deze uitspoeling de stabiliteit van de betonnen grondkering is verminderd, hierdoor zou woonwagen scheef zijn gaan staan. Dit is niet onze expertise; dus kunnen we hier vanuit HHNK geen uitspraak over doen. Een onderzoeksbureau kan dat wellicht wel.

Gemeente [gemeente] is eigenaar van de sloot maar HHNK heeft het beheer en onderhoud van het stedelijk water door een overeenkomst in het verleden overgenomen. Vanuit HHNK is daarom toen besloten om een beschoeiing te plaatsen om te zorgen dat de afkalving van de oever stopt.

In de zomer 2020 is deze beschoeiing daadwerkelijk aangebracht en de grond tussen nieuwe beschoeiing en betonnen grondkering is aangevuld.

(…)

3.5.

Sinds de in bovenstaande e-mail beschreven beschoeiingswerkzaamheden is er geen sprake (meer) van verzakking.

3.6.

In een op verzoek van [eiser] door Bouwservice Rose BV te Amersfoort opgesteld ‘Schade herstel rapport’ van 30 november 2020 worden de kosten voor ‘herstelwerkzaamheden’ begroot op een bedrag van € 23.800,70.

3.7.

Bij brieven van 23 februari 2021 en 1 april 2021 heeft de advocaat van [eiser] Dreef Beheer BV respectievelijk Marlo Center aansprakelijk gesteld voor de schade, door [eiser] begroot op € 25.000,00.

3.8.

Bij brief van 2 maart 2021 heeft Dreef Beheer BV elke aansprakelijkheid afgewezen, stellende dat zij geen werkzaamheden heeft verricht “in de nabijheid van het adres [adres] te [plaats] ”.

4 Het geschil

4.1.

[eiser] vordert – samengevat – veroordeling van Marlo Center tot betaling van € 25.000,- als voorschot op de door hem geleden schade, vermeerderd met rente en kosten.

4.2.

Aan zijn vordering legt [eiser] – kort gezegd – ten grondslag dat Marlo Center op haar eigen terrein werkzaamheden heeft verricht, als gevolg waarvan de afwatering in de sloot door Marlo Center het zand onder de grond waarop de woonwagen van [eiser] staat heeft weggeslagen en dat hij daardoor schade heeft geleden.

4.3.

Marlo Center voert tot haar verweer – zakelijk weergegeven – aan dat zij zowel de schade als het causaal verband betwist. Met andere woorden zegt Marlo Center dat [eiser] niet heeft bewezen dát er schade is, en ook niet dat die schade door Marlo Center zou zijn veroorzaakt.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

5.2.

In deze procedure valt op dat (de advocaat van) [eiser] geen bewijsstukken in het geding heeft gebracht van de schade als zodanig. Hoewel meerdere foto’s zijn overgelegd, is op niet één daarvan ook maar enige schade te zien. Ook heeft (de advocaat van) [eiser] geen expertiserapport in het geding gebracht waaruit zou kunnen worden afgeleid dat sprake is van de gestelde schade en dat deze het (directe) gevolg is van enige werkzaamheden die door of ten behoeve van Marlo Center zijn verricht op diens eigen terrein. Marlo Center heeft ter zitting daarom aangegeven dat zij niet anders kan dan bij gebrek aan wetenschap de door [eiser] gestelde schade te betwisten. Met andere woorden: zij kon haar verweer niet anders vormgeven dan te stellen dat er geen schade is, of – áls er al schade mocht zijn – dat die schade niet is veroorzaakt door de werkzaamheden van Marlo Center.

5.3.

De voorzieningenrechter is het met Marlo Center eens, en wel om de volgende reden.

5.4.

Op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de hoofdregel dat de partij die zich beroept op het rechtsgevolg van de door haar gestelde feiten de bewijslast daarvan draagt. In deze procedure is het dus aan [eiser] om niet alleen te stellen, maar bij betwisting van die stelling (zoals Marlo Center uitvoerig heeft gedaan) ook te bewijzen dat de schade aan zijn woonwagen is veroorzaakt door de werkzaamheden die Marlo Center heeft laten uitvoeren aan de afwateringsinstallatie op haar terrein. Dat heeft (de advocaat van) [eiser] echter niet (voldoende) gedaan. Op zijn minst had een rapportage van een onafhankelijke deskundige in het geding gebracht kunnen worden. In de onder 3.4 weergegeven e-mail van het HHNK van 10 maart 2021 wordt dat ook al met zoveel worden aangegeven: “Dit is niet onze expertise, dus kunnen we hier vanuit HHNK geen uitspraak over doen. Een onderzoeksbureau kan dat wellicht wel.” Dat is echter niet gebeurd.

5.5.

Het door [eiser] als productie 3 bij dagvaarding overgelegde ‘schade herstel rapport’ van Bouwservice Rose BV is in feite niets meer dan een offerte van een bouwbedrijf voor ‘herstelwerkzaamheden’. Deze offerte kan dan ook niet als (onafhankelijk) deskundigenrapport gelden, zodat dit niet als bewijsstuk kan gelden ten aanzien van de door [eiser] gestelde schade of het causaal verband tot de werkzaamheden. Anders gezegd: deze vrijblijvende aanbieding van een bouwbedrijf kan niet als bewijs dienen voor het bestaan van de schade, en ook niet voor feit dat die eventuele schade zou zijn veroorzaakt door Marlo Center.

5.6. (

De advocaat van) [eiser] heeft simpelweg niet genoeg gesteld en onderbouwd om zelfs maar aannemelijk te achten dát er schade is ontstaan, en al helemaal niet dat Marlo Center daarvoor verantwoordelijk (en dus aansprakelijk) is. De voorzieningenrechter begrijpt dan ook niet waarom het advies van HHNK om een onderzoeksbureau in te schakelen niet is opgevolgd. Bij die stand van zaken kan de voorzieningenrechter niet anders dan de vordering afwijzen.

5.7.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Marlo Center worden begroot op:

- griffierecht € 2.076,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 3.056,00

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Marlo Center tot op heden begroot op € 3.056,00,

6.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.M.P. Langeveld op 12 mei 2021.1

1 Conc.: 936