Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:3845

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
21-05-2021
Zaaknummer
8136828 \ CV EXPL 19-16882
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Luchtvaartclaim. Vervoerder heeft niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gewijzigde slottijden ertoe hebben geleid dat er geen andere optie was dan de voorgaande vlucht te annuleren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8136828 \ CV EXPL 19-16882

Uitspraakdatum: 12 mei 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1 [passagier sub 1]

2. [passagier sub 2]

beiden wonende te [woonplaats] (Kroatië)

eisers

hierna gezamenlijk te noemen de passagiers

gemachtigde mr. D.E. Lof

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

Austrian Airlines A.G.

gevestigd te Wenen (Oostenrijk)

gedaagde

hierna te noemen de vervoerder

gemachtigde mr. E.C. Douma

1 Het procesverloop

1.1.

De passagiers hebben bij dagvaarding van 1 oktober 2019 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. De passagiers hebben hierna nog een akte genomen.

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers op 10 augustus 2018 diende te vervoeren van Zagreb (Kroatië) naar Wenen (Oostenrijk) met vluchtnummer OS678 en aansluitend van Wenen naar Amsterdam met vlucht OS377.

2.2.

Vlucht OS377 is geannuleerd. De passagiers zijn omgeboekt naar vervangende vluchten van Wenen naar Zagreb en van Zagreb naar Amsterdam.

2.3.

Airhelp heeft namens de passagiers compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde annulering.

2.4.

De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3 De vordering

3.1.

De passagiers vorderen dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 500,00 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 75,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 250,00 per passagier.

3.3.

De vervoerder betwist de vordering. Op het verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

4.2.

De kantonrechter heeft geen acht geslagen op het in de laatste akte van de passagiers opgenomen commentaar dat niet ziet op de door de vervoerder in haar laatste conclusie overgelegde producties. De passagiers zijn door de kantonrechter in de gelegenheid gesteld om zich over die producties uit te laten, maar niet om het in de eerdere twee schriftelijke rondes gevoerde debat voort te zetten.

4.3.

Niet is gebleken dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 5, lid 1 sub c van de Verordening. Gelet daarop is de vervoerder gehouden de passagiers te compenseren, tenzij de vervoerder ingevolge artikel 5, lid 3 van de Verordening kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden en dat de annulering, ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen, niet voorkomen had kunnen worden.

4.4.

Nu het een geannuleerde vlucht betreft, is het voor de vraag of compensatie is verschuldigd niet van belang hoe laat de passagiers uiteindelijk op de eindbestemming zijn aangekomen. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan het verweer van de vervoerder dat de passagiers niet hebben voldaan aan de substantiëringsplicht (de kantonrechter begrijpt: de stelplicht) door niet te vermelden hoe laat zij op de eindbestemming zijn aangekomen. Anderzijds gaat de kantonrechter gelet op het voorgaande voorbij aan de stelling van de passagiers dat zij zich nooit tijdig hadden kunnen melden voor de aansluitende vlucht OS377, aangezien er sprake was van vertraging van vlucht OS678 en een te korte overstaptijd. Vast staat dat de aansluitende vlucht OS377 is geannuleerd, zodat een ‘gemiste aansluiting’ vanwege een vertraagde uitvoering van het eerste deel van de vlucht hier niet ter beoordeling staat.

4.5.

De kantonrechter overweegt dat de vervoerder voldoende heeft onderbouwd dat vlucht OS377 gewijzigde slottijden toegewezen heeft gekregen vanwege ‘ATFM due to ATC EN-ROUTE DEMAND/CAPACITY, standard demand/capacity problems’ en ‘ATFM due to WEATHER AT DESTINATION’. De door de luchtverkeersleiding opgelegde slottijden kunnen gezien worden als een besluit van de luchtverkeersleiding gericht aan een specifiek toestel op een specifieke dag in de zin van de Verordening, zodat deze een buitengewone omstandigheid kunnen opleveren. Onvoldoende is echter gebleken dat vlucht OS377 vanwege de gewijzigde slottijden alleen kon worden geannuleerd en niet alsnog, zij het met vertraging, kon worden uitgevoerd. Volgens de vervoerder kreeg de vlucht uiteindelijk de ‘slot’ van 00:33 UTC toegewezen, maar was de vlucht toen al geannuleerd (om 20:46 UTC). Volgens de vervoerder had het geen zin om het vliegtuig nog langer ‘vast te houden’, omdat het vliegtuig dan andere vluchten na de vlucht OS377 niet meer - op tijd – kon uitvoeren. De vervoerder heeft echter niet onderbouwd dat het uitvoeren van de vlucht zou hebben geleid tot een (ernstige) verstoring van de dienstregeling of een onaanvaardbaar offer voor de vervoerder. De vervoerder heeft geen overzicht overgelegd van de vluchten die gepland stonden om na de uitvoering van vlucht OS377 met hetzelfde toestel uitgevoerd te worden.

4.6.

De kantonrechter komt tot de conclusie dat de vervoerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gewijzigde slottijden ertoe hebben geleid dat er geen andere optie was dan de voorgaande vlucht te annuleren. Wellicht heeft de vervoerder keuzes gemaakt die vanuit het oogpunt van de onderneming het meest gunstig waren, maar dit ontslaat de vervoerder niet van de verplichting om een gedupeerde passagiers te compenseren. Het beroep van de vervoerder op buitengewone omstandigheden slaagt dan ook niet. De kantonrechter komt daarom niet toe aan de beantwoording van de vraag of de annulering ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet kon worden voorkomen.

4.7.

Nu de vervoerder voor het overige geen verweer heeft gevoerd, zal de vordering tot betaling van de hoofdsom worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.

4.8.

De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat kosten zijn gemaakt dan wel (voldoende) werkzaamheden zijn verricht anders dan die ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak, waarvoor de artikelen 237 tot en met 240 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een vergoeding plegen in te sluiten.

4.9.

De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat hij ongelijk krijgt. De gevorderde rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 10 augustus 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

dagvaarding € 99,01;
griffierecht € 231,00
salaris gemachtigde € 248,00
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter