Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:3807

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-04-2021
Datum publicatie
07-05-2021
Zaaknummer
HAA 20/3075
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten en omstandigheden. Het besluit van 20 maart 2018 is niet onmiskenbaar onjuist danwel de weigering om terug te komen van dit besluit evident onredelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/3075

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.H. Weermeijer),

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. A.P. van den Berg).

Procesverloop

Bij besluit van 24 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om herziening van de beslissing op bezwaar van 20 maart 2018 afgewezen.

Bij besluit van 15 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2021. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak van [naam 1] (20/3074). Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die via een skypeverbinding heeft deelgenomen.

Overwegingen

1. Eiser heeft van 1 januari 2013 tot en met 28 februari 2014 in loondienst van [bedrijf] Ltd. ( [bedrijf] ) in de binnenvaart gewerkt op het schip [schip] .

1.1

Bij besluit van 24 juni 2014 heeft verweerder eiser meegedeeld dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op hem van toepassing is vanaf het moment waarop hij voor [bedrijf] werkzaamheden is gaan verrichten. Als onderdeel van deze beslissing is een A1-verklaring afgegeven voor de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014. Dit besluit is onderwerp geweest van bezwaar, beroep en hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft bij uitspraak van 29 december 2017, het door verweerder genomen besluit op bezwaar van december 2014 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

1.2

Bij nieuw besluit op bezwaar van 20 maart 2018 heeft verweerder het bezwaar van [bedrijf] gegrond verklaard en het besluit van 24 juni 2014 herroepen en de daarbij behorende A1-verklaring, in die zin dat op grond van artikel 16, tweede en derde lid, van Verordening (EG) 987/2009 ten behoeve van eiser over de periode van 1 januari 2013 tot en met 28 februari 2014 de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving als toepasselijk is aangewezen en dienovereenkomstig een A1 verklaring afgegeven. Voor zover relevant heeft verweerder overwogen dat personen die in twee of meer lidstaten werkzaamheden verrichten op grond van artikel 13, lid 1, sub a, van Verordening (EG) nr. 883/2004 onderworpen zijn aan de wetgeving van de lidstaat van de woonplaats als zij aldaar een substantieel gedeelte van hun werkzaamheden verrichten. Ter beoordeling van de vraag wanneer een werknemer een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in de lidstaat van zijn woonplaats verricht slaat verweerder naast de in artikel 14, achtste lid, van Verordening (EG) nr. 987/2009 genoemde 25 procent van de werkzame uren tevens acht op andere relevante informatie. Bij de beoordeling van het aantal uren dat een persoon werkzaam is in Nederland gaat verweerder uit van de vaar- en ligtijden van het binnenvaartschip waarop wordt gewerkt en daarnaast wordt gekeken naar dienstboekjes van werknemers, reisverslagen, verklaringen van individuele werknemers en algemene informatie die beschikbaar is over de binnenvaart. Naast informatie over het aantal uren dat in Nederland wordt gewerkt kijkt verweerder naar de aanknopingspunten van de arbeidsovereenkomst met een lidstaat, zoals de lidstaat van vestiging van de eigenaar en de exploitant en de thuishaven van het schip, de lidstaat van werving en of de werkzaamheden veelal aanvangen en eindigen in Nederland. Eiser heeft ondanks herhaaldelijke verzoeken niet de gevraagde informatie en stukken verstrekt die verweerder nodig heeft om te kunnen vaststellen welke wetgeving van toepassing is, maar verweerder heeft alsnog op andere wijze informatie verkregen over het schip waarop eiser heeft gevaren. Op grond van de vaartijdenboeken over 2013 en 2014 stelt verweerder vast dat eiser ten tijde in geding substantieel werkte in het woonland Nederland, omdat deze laten zien dat in 2013 ongeveer 22% en in 2014 ongeveer 24% van de tijd in Nederland werd gevaren/bemand gelegen (door [schip] ). Hoewel dit percentage lager is dan 25% die als indicatie wordt genoemd in artikel 14, achtste lid, van Verordening 987/2009, is verweerder van mening dat toch kan worden gezegd dat in dit geval sprake is van substantieel werken in Nederland. Eiser woont in Nederland, het schip is in Nederland geregistreerd en de eigenaar en exploitant zijn in Nederland gevestigd.

1.3

Bij uitspraak van 28 februari 2019 heeft de CRvB het door eiser tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard (18/2439 AOW). De CRvB heeft, onder meer, overwogen:

“(…)het Unierecht niet voorziet in een absolute 25%-maatstaf(…). Dit impliceert dat de Svb (…) de situatie van werknemers in beginsel in zijn geheel moet beoordelen(…). De Raad acht het aanvaardbaar dat de Svb ten aanzien van werknemers in de binnenvaart uitgaat van een bandbreedte van 5 procentpunten.(…) De Svb heeft wat is weergegeven in 4.2.6.1, nader toegelicht, in die zin dat te kennen is gegeven dat de Svb bij de beoordeling van de arbeidstijd van werknemers in de binnenvaart, de vaar- en ligtijden van de betrokken binnenvaartschepen als uitgangspunt hanteert, tenzij betrokkenen zich daarmee niet verenigen en zij tijdig, concreet, transparant en sluitend aantonen wat, gemeten over een tijdvak van voldoende lengte, hun werkelijke individuele arbeidstijd is in hun woonstaat en buiten hun woonstaat.

4.2.6.3 De Raad is van oordeel dat de onder 4.2.6.1 weergegeven graadmeters, zoals de Svb deze nader heeft toegelicht, stroken met de regels die zijn opgenomen in artikel 13 van Vo. 883/2004, artikel 14 van Vo. 987/2009(…) en wat de Raad in zijn uitspraak van 29 december 2017 terzake heeft overwogen.(…) [bedrijf] en betrokkenen hebben uitdrukkelijk niet betwist dat de op de door het Svb overgelegde overzicht vermelde gegeven juist zijn. Wel hebben [bedrijf] en betrokkenen beklemtoond dat de door de Svb vastgestelde percentages van werkzaamheid in hun optiek geen accurate weergave zijn van feiten. In dit verband is erop gewezen dat de Svb de percentages van werkzaamheid in Nederland in de meeste voorliggende gevallen heeft afgeleid van de vaartijden van de schepen(…) en niet van de individuele werktijden(…). [bedrijf] en betrokkenen hebben – voor zover nog van belang - niet tijdig, concreet, transparant en aangetoond wat, gemeten over een tijdvak van voldoende lengte, de werkelijke individuele arbeidstijden betrokkenen waren. Daarom gaat de Raad hierna in zijn beoordeling uit van de juistheid van wat is vermeld op het door verweerder overlegde overzicht.(…) Ten aanzien van de verzekeringspositie van de opvarenden van (…) [schip] ,(…) is bij de bestreden besluiten wel op toereikende gronden aangenomen dat betrokkenen een substantieel gedeelte van hun werkzaamheden verrichten in hun woonstaat Nederland.(…).”

1.4

Op 5 augustus 2019 hebben [bedrijf] en onder andere eiser de CRvB verzocht om de uitspraak van 28 februari 2019 te herzien. Bij uitspraak van 6 december 2019 is dit verzoek afgewezen, omdat het geen nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) behelst, omdat de besluitvorming rondom [naam 2] ook naar voren had kunnen worden gebracht in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak waarvan om herziening wordt verzocht.

1.5

Eiser heeft verweerder op 22 september 2019 om herziening van het besluit op bezwaar van 20 maart 2018 verzocht. Namens eiser is ter onderbouwing van zijn verzoek onder verwijzing naar een aantal voorbeelden gesteld dat, naar de rechtbank begrijpt, - heel kort samengevat - de wijze waarop artikel 13, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004 wordt uitgelegd en toegepast in Nederland rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid tot gevolg heeft.

Naar aanleiding hiervan heeft verweerder het primaire besluit genomen.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder is van oordeel dat de e-mail van de heer [naam 3] , het “Bordbuch” en de brief van de Belastingdienst van 29 juli 2016, zoals ingebracht in bezwaar, geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb zijn. De brief van de Belastingdienst was reeds in bezit van verweerder en dateert van vóór de beslissing waarvan herziening wordt gevraagd en de eerdergenoemde e-mail van de heer [naam 3] en het Bordbuch hadden ook reeds kunnen worden ingediend in de beroepsprocedure tegen de beslissing van 20 maart 2018. Los daarvan ziet verweerder daarin ook geen aanleiding tot een ander oordeel te komen.

Verweerder volgt eiser niet in de stelling dat hij het oordeel van de Belastingdienst zou moeten volgen. Een uitspraak van de Belastingdienst bindt verweerder niet en verder is verweerder het bevoegde orgaan als het gaat om de vaststelling van de toepasselijke wetgeving en het ligt eerder voor de hand dat de Belastingdienst de beslissing van verweerder volgt. In dit verband wijst verweerder op de uitspraak van de Hoge Raad van 5 oktober 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1725). Verder merkt verweerder nog op dat hij en de Belastingdienst in de zaak van de door eiser genoemde persoon op een lijn zitten. De uitspraak van de Belastingdienst waar eiser op doelt, ziet op een andere periode dan waarover verweerder besliste, zodat de door eiser gemaakte vergelijking reeds daarom niet opgaat. Van een onmiskenbaar onjuist besluit is verweerder eveneens niet gebleken.

3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij verweerder niet volgt in zijn standpunt dat de verklaring van [naam 3] en het Bordbuch eerder hadden kunnen worden ingediend, omdat de kern van dit soort zaken is dat verweerder onderzoekt of wel of niet voor meer dan 25% in Nederland is gevaren. Het blijkt niet dat verweerder ooit met de eigenaar of de exploitant van het schip contact heeft opgenomen of het Bordbuch heeft onderzocht. Dit kan niet anders dan gezien worden als een fout van verweerder. Aan het standpunt van verweerder dat hij los daarvan geen aanleiding ziet tot een ander oordeel te komen, ontbreekt iedere motivering. Wat betreft de zaak [naam 2] voert eiser aan dat verweerder weliswaar het bevoegde orgaan is als het gaat om de vaststelling van de toepasselijke wetgeving, maar dat het een andere zaak wordt als verweerder bij het vaststellen van de toepasselijke wetgeving “fouten” maakt. De overweging dat de uitspraak inzake [naam 2] ziet op een andere periode dan waarover verweerder heeft beslist, kan het besluit niet dragen. Wanneer een rechtzoekende op een en hetzelfde schip vaart op hetzelfde traject dan kan niet in de ene periode het ene recht van toepassing zijn en in een daarop volgende periode een ander recht, volgens eiser, gelet op het beginsel van rechtsgelijkheid.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.1

De rechtbank constateert dat in de vorige procedures de (ex-)werkgever van eiser, [bedrijf] , ook partij is geweest. De rechtbank ziet in dit stadium in dit kader geen aanleiding om de werkgever in deze procedure als zodanig te benaderen. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eerst indien de rechtbank aanleiding zou zien om het bestreden besluit te vernietigen, er mogelijk een belang voor de (ex)-werkgever ontstaat.

4.1.2

De rechtbank heeft evenmin aanleiding gezien het zijdens eiser gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling, met het oog op toepassing van het bepaalde in artikel 8:13 van de Awb, in te willigen. Daarbij is in aanmerking genomen dat deze zaak eerder door de rechtbank Noord-Nederland aan deze rechtbank is doorgezonden, als ook dat hierom eerst ter zitting is verzocht.

4.2

Volgens vaste rechtspraak1 is op een verzoek om terug te komen van een besluit artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan het verzoek afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij het verzoek is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, mag een bestuursorgaan het verzoek op deze manier afwijzen. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Uit jurisprudentie van de CRvB2 vloeit verder voort dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan geleverd beleid toetst of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.3

4.3

Het beleid van verweerder met betrekking tot het terugkomen van een rechtens onaantastbaar besluit op verzoek van de belanghebbende is neergelegd in beleidsregels SB1076. Dit beleid luidt, voor zover van belang, als volgt. De Svb is bevoegd om als geen sprake is van nieuwe feiten het verzoek om herziening zonder nader onderzoek af te wijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit, tenzij van die bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik kan worden gemaakt. Verweerder hanteert verder als beleid dat hij terugkomt van een rechtens onaantastbaar besluit als dit besluit onmiskenbaar onjuist moet worden geacht.

4.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb geen sprake is. Wat eiser ter ondersteuning van zijn verzoek om herziening aanvoert, heeft namelijk betrekking op feiten en omstandigheden die hem al bekend konden zijn en die hij ook al tegen het besluit van 20 maart 2018 had kunnen aanvoeren. De brief van de Belastingdienst van 29 juli 2016 dateert van voor de beslissing waarvan herziening wordt gevraagd. De e-mail van de heer [naam 3] en het Bordbuch hadden ook reeds kunnen worden ingediend in de beroepsprocedure tegen de beslissing van 20 maart 2018. Daarbij overweegt de rechtbank dat het gaat om de perioden 2013 en 2014 en niet gesteld of gebleken is dat eiser niet in staat was om eerder dan rond december 2019 bij de heer [naam 3] over het vaargedrag te vragen en te verzoeken om het Bordbuch. Dat verweerder de eigenaar had moeten aanspreken of het Bordbuch had moeten onderzoeken zijn argumenten die eiser ook in de procedure naar aanleiding van het besluit van 20 maart 2018 had kunnen aanvoeren.4 De besluitvorming rond [naam 2] dateert van 1 juni 2017 had ook voor het besluit van 20 maart 2018 naar voren kunnen worden gebracht.

4.5

Ook heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het besluit van

20 maart 2018 niet onmiskenbaar onjuist is. De eerdere vaststelling dat in de periode in geding substantieel in Nederland is gewerkt, is gemaakt op basis van het aan de SVB overgelegde vaartijdenboek van [schip] . Eiser heeft destijds bij de CRvB de feitelijke vaststelling van verweerder dat hij in 2013 en 2014 respectievelijk 22% en 24% van zijn in aanmerking te nemen werkzaamheden in Nederland heeft verricht, niet bestreden. Eiser heeft wel aangevoerd dat ten onrechte niet is uitgegaan van de individuele werktijden, maar hij heeft, aldus de CRvB in de uitspraak van 28 februari 2019, niet sluitend aangetoond wat zijn werkelijke arbeidstijd was.

In wat eiser onder 3. heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat de weigering om terug te komen van het besluit van 20 maart 2018 evident onredelijk is.

Ter zitting is door de gemachtigde van eiser breed geschetst welke gevolgen, ook in verband met de Belastingdienst, de besluiten en procedures hebben, maar dit ligt niet ter toetsing voor. De betreffende materie is driemaal onderwerp geweest van een procedure bij de CRvB, ook recent in het kader van een verzoek om herziening. De rechtbank heeft ook gezien dat er kamervragen zijn gesteld, maar dit maakt de beoordeling in het kader van artikel 4:6 Awb niet anders. Eiser dient zich in dit verband te wenden tot de overlegvormen. De geschetste nijpende gevolgen van de problematiek kunnen in deze procedure niet tot een ander oordeel leiden, omdat hieruit niet volgt dat het besluit van 20 maart 2018 onmiskenbaar onjuist is dan wel de weigering om terug te komen van dit besluit evident onredelijk.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB 21 oktober 2003, LJN AM3202.

2 Zie de uitspraak van de CRvB van 20 december 2016, (ECLI:NL:CRVB:2016:4872).

3 Zie de uitspraken van de CRvB van 3 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:403 en van 24 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1912.

4 Zie de uitspraak van de CRvB van 9 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2758.