Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:3767

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-04-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 25
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douanerecht. Geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar, nu geen sprake is van een herroeping van het oorspronkelijke besluit wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Wel veroordeling van verweerder in de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2021/1589
FutD 2021-1543 met annotatie van Fiscaal up to Date
DouaneUpdate 2021-0264 met annotatie van Fiscaal up to Date
Viditax (FutD), 06-05-2021
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/25

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 29 april 2021 in de zaak tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigden: mrs. M. Janse en M. Boekhoud)

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 22 mei 2018 aan eiseres een (verzamel)uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt ten bedrage van € 25.649,50 aan douanerechten op industriële producten.

Verweerder is bij uitspraak op bezwaar van 1 november 2018 teruggekomen op de door hem doorgevoerde wijziging van de douanewaarde in de aangifte en heeft het bezwaar van eiseres tegen de utb toegewezen. Het verzoek om vergoeding van de (werkelijke) kosten van rechtsbijstand in de bezwaarprocedure is afgewezen.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2020 te Haarlem.

Namens eiseres zijn haar gemachtigden verschenen en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde [A] .

Overwegingen

Feiten en de uitspraak op bezwaar

1. Op 14 mei 2018 heeft [B] B.V. (hierna: [B] ) als direct vertegenwoordiger voor eiseres aangifte gedaan tot plaatsing onder de douaneregeling ‘in het vrije verkeer brengen’ van ‘korte/lange broeken, van katoen, voor dames” met een totale douanewaarde van € 40.491 (50.010,40 USD). De op basis van deze aangifte verschuldigde douanerechten bedragen in totaal € 4.858,92 (12% van de douanewaarde).

2. Bij e-mail van 16 mei 2018 heeft verweerder [B] als volgt bericht: “Met betrekking tot de (...) aangifte heb ik gegronde twijfel of de aangegeven waarde overeenkomt met de totale betaalde of te betalen prijs. Op basis van artikel 15 DWU juncto artikel 163 DWU en artikel 140 UVo.DWU verzoek ik u om aanvullende informatie over de aangegeven douanewaarde. Hierbij denk ik aan een gemotiveerde en schriftelijke uitleg over de prijs van de goederen en de aanvullende kosten. Ook ontvang ik graag bescheiden die deze uitleg ondersteunen, bv. zeevrachtverzekeringspolis, betalingsbewijzen, contracten, correspondentie m.b.t. de inkoop; doorverkoopfacturen van de goederen etc. Mochten bovengenoemde twijfels niet worden weggenomen, dan kan de Douane besluiten dat de waarde van de goederen niet kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel

70 DWU.”.

3. Bij e-mail van 18 mei 2018 heeft [B] nogmaals de op de broeken betrekking hebbende handelsfactuur (Invoice) van de Chinese leverancier en het koopcontract (Sales Contract) met de Chinese leverancier aan verweerder gestuurd, die zij reeds eerder in het kader van de controle van de aangifte aan verweerder had gestuurd. Op beide documenten is een factuurprijs van USD 50.010,40 vermeld. [B] heeft geen van de door verweerder in zijn e-mail van 16 mei 2018 genoemde bescheiden overgelegd.

4. Bij e-mails van 22 mei 2018 heeft [B] verweerder verzocht om de aangifte definitief af te handelen (“met de verhoogde waarde naar wat u conform acht”) en de broeken vrij te geven, daaraan toevoegend: “Voor de volledigheid betekent dit bericht niet dat wij het eens zijn met de verhoging van de douanewaarde.”.

5. Verweerder heeft daarop de verificatie op 22 mei 2018 beëindigd, de goederen vrijgegeven, de totale douanewaarde gewijzigd in € 213.745,82 en eiseres de onder het procesverloop genoemde utb uitgereikt. Daarin zijn de hiervoor bij 1 genoemde en op de aangifte van 14 mei 2018 gebaseerde douanerechten met € 20.790,58 verhoogd.

6. Bij het bezwaarschrift heeft eiseres een kopie van een [c] bankafschrift bijgevoegd met daarop een betaling van € 42.508,84 aan een Chinese leverancier op 23 mei 2018 onder vermelding van het nummer van de container waarmee de onderhavige broeken naar de EU zijn vervoerd. Daarnaast heeft eiseres de verkoopfactuur (Invoice) overgelegd van 23 mei 2018 waarmee eiseres de gehele in geding zijnde zending broeken aan een Frans bedrijf heeft gefactureerd. Op basis van deze bescheiden heeft verweerder (vooralsnog) aangenomen dat de aangegeven waarde van de broeken overeenkomt met de totale betaalde of te betalen prijs. Verweerder is daarom teruggekomen op de verhoging van de douanewaarde en heeft de hoogte van de douaneschuld alsnog vastgesteld op basis van de door eiseres aangegeven douanewaarde.

7. Op het door eiseres in het bezwaarschrift gedane verzoek tot vergoeding van de (werkelijke) kosten van rechtsbijstand in de bezwaarprocedure heeft verweerder beslist dat eiseres niet voor deze vergoeding in aanmerking komt, omdat niet kan worden gezegd dat de utb is herzien wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Ter motivering daarvan is in de uitspraak op bezwaarschrift vermeld dat het bewijs van betaling (het [c] bankafschrift) waarom de douane in de aangiftefase reeds heeft verzocht, eerst bij het bezwaarschrift is overgelegd. Uit 6.7 van het verweerschrift begrijpt de rechtbank dat verweerder ter motivering tevens heeft gedoeld op de eerst bij het bezwaarschrift overgelegde Invoice.

Geschil

8. Het beroep is enkel gericht tegen de onder 7 omschreven afwijzing van verweerder van vergoeding van de (werkelijke) kosten van rechtsbijstand in de bezwaarprocedure.

9. In bezwaar heeft eiseres aan haar verzoek om vergoeding van de werkelijke kosten van rechtsbijstand in de bezwaarprocedure ten grondslag gelegd dat verweerders handelen voorafgaand aan de oplegging van de utb als onrechtmatig is aan te merken.
Daarbij heeft eiseres gewezen op de vele eerdere - tot uiteindelijk niets leidende en onterechte - aanhoudingen en onderzoeken ter zake van haar invoerzendingen en de reeds uitgevoerde “pre-arrival” controle van de onderhavige container.
Verweerder heeft in het geheel niet duidelijk gemaakt waarop zijn gestelde gegronde twijfels in de zin van artikel 140 van de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie (Uvo. DWU) over de aangegeven waarde zijn gebaseerd. In de eerdere aanhoudingen was dat evenmin het geval. Met een uitgebreide toelichting ter zake van de desbetreffende afgekeurde of geannuleerde in balen geperste restpartijen, veelal synthetische kleding die al tot het goedkopere segment behoort en door de Chinese fabrikanten voor gereduceerde prijzen van de hand wordt gedaan, bedoeld voor de markt- en straathandel in Europa (de onderkant van de markt), komt eiseres tot de conclusie dat voor verweerder van gegronde twijfels geen sprake kon zijn.

Voorts heeft eiseres uiteengezet dat verweerders handelwijze in de eerdere aanhoudingen tot vertraging heeft geleid en een definitieve afhandeling en terugbetaling van de zekerheidstelling maandenlang kon duren. Het maakt eiseres bijna onmogelijk haar handelsactiviteiten in dit soort partijen kleding uit te oefenen. Daarom is in dit geval gevraagd om definitieve afhandeling (zie hiervoor onder 4).

10. In beroep heeft eiseres het in bezwaar aangevoerde herhaald en primair gesteld dat verweerder niet tot een besluit tot wijziging van de aangegeven douanewaarde heeft kunnen komen, omdat het bij voorbaat reeds duidelijk was - althans bij verweerder duidelijk had behoren te zijn - dat er geen sprake was van gegronde twijfels in de zin van artikel 140 Uvo. DWU. Voorafgaande aan de onderhavige aangifte heeft eiseres diverse zendingen met textielproducten voor het vrije verkeer aangegeven. Steevast worden deze zendingen door verweerder bemonsterd en/of fysiek gecontroleerd en worden door verweerder vragen gesteld over de aangegeven douanewaarde. Eiseres heeft keer op keer aangetoond dat de door haar aangegeven douanewaarde de werkelijk betaalde prijs van de goederen is en dat de zogenaamde gegronde twijfels van verweerder ongegrond zijn. De twijfels van verweerder zijn op niets gebaseerd. Verweerder heeft ook geen enkel argument voor de twijfels gegeven, anders dan dat de aangegeven waarde lager is dan de gemiddelde waarde waartegen kleding wordt ingevoerd. Eiseres heeft keer op keer aan verweerder uitgelegd waardoor dit komt. Zoals uit de jurisprudentie van het Gerechtshof en Hoge Raad volgt, vormt het enkele feit dat de aangegeven douanewaarde lager is dan gemiddeld zelfs geen begin van bewijs dat de douanewaarde onjuist is.

Subsidiair stelt eiseres, voor het geval dat wel sprake zou zijn van gegronde twijfels, dat dan gelet op de toewijzing van het bezwaar vast staat dat de utb voor een te hoog bedrag is vastgesteld. De onrechtmatigheid van de utb (het besluit) is daarmee gegeven. Daarom dient tot een kostenveroordeling te worden overgegaan. Gelet op het aanzienlijke fiscale belang van eiseres was de inschakeling van beroepsmatige rechtsbijstand redelijk.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding en verzoekt verweerder te veroordelen tot vergoeding van de werkelijke kosten van rechtsbijstand in bezwaar, zijnde € 2.079, en indien eiseres op dit laatste punt niet wordt gevolgd, tot veroordeling van verweerder in de forfaitaire kosten in bezwaar. Ook verzoekt eiseres om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten in beroep.

11. In het verweerschrift heeft verweerder het navolgende uiteengezet. Verweerder stelt dat de grondslag van de belasting voor de door eiseres ingevoerde goederen de douanewaarde van de goederen is. Op grond van artikel 70, eerste lid, van het Douanewetboek van de Unie (DWU) is de douanewaarde, kort gezegd, de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs bij verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie. Het is daarom voor de bepaling van het bedrag van de douaneschuld van essentieel belang dat de aangever de juiste douanewaarde aangeeft. De door eiseres aangegeven factuurprijzen lagen aanzienlijk lager dan de “estimated fair prices” en de “estimated fair price interval” van de door OLAF gepubliceerde lijsten. Deze grote verschillen waren voor verweerder reden om gegronde twijfels te hebben of de aangegeven douanewaarden overeenstemden met de totale betaalde of te betalen prijs. Verweerder heeft die twijfels aan eiseres kenbaar gemaakt en hij heeft eiseres uitgenodigd om aanvullende bewijsstukken te overleggen naast de reeds overgelegde invoice en sales contract. Van die mogelijkheid heeft eiseres pas bij het bezwaarschrift gebruik gemaakt. Met de bij het bezwaarschrift overgelegde bescheiden heeft eiseres bij verweerder de twijfels omtrent de juistheid van de gegeven douanewaarde weggenomen.

Verweerder is van mening dat zijn besluit om de douanewaarden te verhogen niet onrechtmatig was. Hij is op grond van de wet bevoegd om van de aangever te verlangen dat hij (aanvullende) bewijsstukken voor de juistheid van de door de aangever aangegeven factuurprijzen overlegt. Eiseres heeft verzocht om de aangifte definitief af te handelen en de goederen vrij te geven. Dat zij dit zou hebben gedaan omdat de betaling van de zending aan de leverancier en de doorverkoop op dat moment nog niet hadden plaatsgevonden, waardoor zij het bewijs van de betaling aan de leverancier en de factuur van de doorverkoop aan een Frans bedrijf nog niet kon overleggen, heeft eiseres niet aan verweerder kenbaar gemaakt. Eiseres had de beëindiging van de verificatie van de aangifte en de vaststelling van de hogere douanewaarden op basis van de ‘fair price list’ door verweerder eenvoudig kunnen voorkomen door verweerder mee te delen dat zij het betalingsbewijs en de factuur nog niet kon overleggen en te verzoeken om de verificatie van de aangifte aan te houden tot het moment waarop deze bewijsstukken zouden kunnen worden overgelegd. Eiseres kan verweerder onder deze omstandigheden niet tegenwerpen dat hij een utb voor een hogere douaneschuld heeft uitgereikt.

Verweerder is daarnaast van mening dat eiseres de kosten van rechtsbijstand redelijkerwijs niet heeft hoeven maken. Eiseres is zelf goed in staat om benodigde aanvullende bewijsstukken te overleggen. Daarvoor behoefde zij geen rechtskundige bijstand.

Indien de rechtbank zou oordelen dat eiseres wel recht heeft op vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar, is verweerder subsidiair van mening dat voor een afwijking van de in het besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vermelde forfaitaire bedragen geen aanleiding bestaat. Voor een hogere vergoeding is slechts plaats wanneer het bestuursorgaan in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. Daarvan is sprake indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking geeft of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking in de daartegen ingestelde procedure geen stand zou houden. Daarvan is in deze situatie geen sprake. Verweerder is van mening dat hij zorgvuldig heeft gehandeld door een utb uit te reiken voor bedragen die zijn gebaseerd op de ‘fair price list’ van OLAF.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

12. Naar aanleiding van het subsidiaire standpunt van eiseres en het door verweerder ingenomen standpunt ten aanzien het redelijkerwijs niet hebben hoeven maken van kosten merkt de rechtbank ten eerste het volgende op. Aan een vergoeding van de kosten van de behandeling van het bezwaar worden in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) twee voorwaarden gesteld. De utb moet zijn herroepen wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid en het moet gaan om kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat, gelet op de betrokken belangen, het inroepen van rechtsbijstand in dit geval als redelijk kan worden beschouwd.

13.1.

Verder bestaat het recht op vergoeding alleen indien de heroverweging waartoe artikel 7:11 van de Awb verplicht, leidt tot een (gedeeltelijke) herroeping van het primaire besluit. Herroeping vindt plaats indien een ontvankelijk bezwaar leidt tot een intrekking of wijziging van de primaire beslissing. Het woord “herroepen” impliceert dat het oorspronkelijke besluit inhoudelijk onjuist moet zijn geweest. Met het herroepen is in de regel de onrechtmatigheid van het primaire besluit gegeven. Veelal is daarmee tevens de verwijtbaarheid gegeven. Evenwel mag, zoals bijvoorbeeld volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AX0985), van de hoofdregel dat wanneer een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, de door hem gemaakte kosten van rechtsbijstand in bezwaar voor vergoeding in aanmerking komen, worden afgeweken, indien de noodzaak tot het instellen van een rechtsmiddel uitsluitend uit de handelwijze van de belanghebbende voortvloeit (bijvoorbeeld: omdat de belanghebbende heeft nagelaten tijdig bepaalde noodzakelijke, juiste of volledige gegevens te verstrekken).

Indien er geen onrechtmatigheid van de primaire beslissing is, is aan de voorwaarden voor kostenvergoeding niet voldaan. Niet iedere herroeping leidt dus tot aanspraak op kostenvergoeding. Het moet gaan om een onrechtmatigheid die aan het bestuursorgaan te wijten is.

13.2.

Het subsidiaire standpunt van eiseres betreft voornoemde hoofdregel. In geschil is nu juist of daarvan mag worden afgeweken zoals hiervoor bedoeld. In dit geval volgt uit dit enkele standpunt van eiseres dus niet het recht op een vergoeding van de kosten van bezwaar. Eiseres kan derhalve in een en ander worden gevolgd, doch bereikt enkel daarmee niet hetgeen zij beoogt. Daartoe dient te worden beoordeeld wat eiseres primair heeft aangevoerd ter zake van de onrechtmatigheid en verwijtbaarheid zoals hiervoor uiteengezet.

14.1.

Ter beoordeling van de onrechtmatigheid en de verwijtbaarheid van de door verweerder opgelegde utb overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen is niet in geschil is dat verweerder de aangewende controlebevoegdheden toekomt. Gelet op hetgeen verweerder in het hiervoor onder 10 uit het verweerschrift aangehaalde heeft betoogd op grond van de ‘fair price list’ van OLAF, is de rechtbank van oordeel dat verweerder gegronde twijfels mocht hebben zoals bedoeld in artikel 140 van de UVo. DWU. Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat iedere aangifte op zichzelf staat, en dat verweerders controlebevoegdheden zoals deze in dit geval zijn uitgeoefend, waaronder het vragen om aanvullende informatie, per geval mogen worden aangewend.

Dat in het geval van eiseres voorafgaand aan de aangifte in dit geding 56 aangiften zijn gedaan die zijn aangehouden en verhoogd maar uiteindelijk steeds conform zijn afgewerkt, maakt dat niet anders. Ook de gestelde omstandigheid dat twee andere bij eiseres bekende bedrijven, die zich bezighouden met de import van textielgoederen met een lage waarde inmiddels 3454 invoeraangiften hebben gedaan waarbij de door de douane doorgevoerde correcties na nadere bewijsvoering nooit stand hebben gehouden, maakt dat niet anders.

Voor de door eiseres voorgestane ruime onderzoeksverplichtingen die zij verweerder op dit vlak toedicht zijn geen aanknopingspunten.

Eiseres wordt dan ook niet gevolgd in haar betoog dat verweerder buiten zijn bevoegdheden treedt of zijn bevoegdheden misbruikt voor een ander doel dan waarvoor deze zijn gegeven, bijvoorbeeld het onmogelijk maken of ontmoedigen van de handelsactiviteiten van eiseres. De aantallen aangiften van eiseres voor partijen textiel als in geding spreken dat ook tegen.

14.2.

Dat verweerders handelwijze eiseres voor problemen stelt voor wat betreft het verhoogde bedrag aan belasting, dan wel het stellen van grote bedragen aan zekerheid en vertraging en kosten bij de afhandeling van aangiften is ook geen reden voor een ander oordeel. Eiseres is op grond van de vele aangiften die zij heeft gedaan bekend met hetgeen verweerder doorgaans aan informatie verlangt over de aangegeven douanewaarde. Het ligt veeleer op haar weg haar handelsactiviteiten zodanig in te richten dat de verlangde informatie ten tijde van de aangifte voorhanden is. Dat de koopsom in de huidige handelwijze vaak pas 60 dagen na verscheping hoeft te worden betaald en eiseres deze termijn ook nodig heeft om haar bedrijf te kunnen uitoefenen, leidt dus evenmin tot een ander oordeel.

Ook de omstandigheid dat verweerder in de gevallen dat eiseres koos voor voorlopige afhandeling met zekerheidstelling nalatig en ontijdig was in de verdere afhandeling van de aangifte, maakt het vorenstaande niet anders. Daartegen staan eiseres rechtsmiddelen ter beschikking, die zij ook benut. Ook kan eiseres dus niet worden gevolgd in haar stelling dat zij in dit geval is gedwongen tot definitieve afhandeling en de onderhavige procedure, en dus een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar op zijn plaats is.

14.3.

Uit het voorgaande volgt dat hetgeen eiseres heeft aangevoerd niet leidt tot de conclusie dat sprake is van een herroeping wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Aan de vraag of vergoeding van de werkelijke of forfaitaire kosten van rechtsbijstand in bezwaar op zijn plaats zou zijn geweest, komt de rechtbank niet toe. Het beroep dient ongegrond dient te worden verklaard.

Proceskosten en griffierecht

15. De rechtbank ziet in de handelwijze van verweerder in dit geding wel aanleiding om hem te veroordelen in de proceskosten in beroep. De motivering in de uitspraak op bezwaar, die niet meer omvatte dan hiervoor onder 7 is aangehaald, schiet tekort gelet op hetgeen in bezwaar (zie hiervoor onder 9) is aangevoerd. Verweerders stelling dat hierop niet is ingegaan omdat hetgeen eiseres heeft aangevoerd in de klachtensfeer is gelegen, treft geen doel. Van een gemotiveerde heroverweging op grondslag van het bezwaar zoals bedoeld in artikel 7:11 en 7:12 van de Awb is geen sprake geweest. Pas in het verweerschrift heeft verweerder de beslissing van een toereikende motivering en onderbouwing met afdrukken van delen van de toen geldende ‘fair price list’ voorzien. Eiseres heeft derhalve beroep moeten instellen om deze motivering en onderbouwing te verkrijgen.

16. Gelet hierop zal de rechtbank verweerder veroordelen in de kosten die eiseres met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.068 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1). Ook dient verweerder aan eiseres het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.068;

- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht tot een bedrag van € 338 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzitter, mr. drs. C.M. van Wechem en mr. S. Kleij, leden, in aanwezigheid van mr. W.G. van Gastelen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2021.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.