Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:3746

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
8785363 \ CV EXPL 20-8190
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Ambtshalve toetsing. Werkzaamheden aan het huis vallen niet onder 'ingrijpende verbouwing' (art. 6:230h lid 2 sub g). De overeenkomst moet dus ambtshalve worden getoetst. Overeenkomst gesloten binnen verkoopruimte dus artikel 6:230l van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8785363 \ CV EXPL 20-8190

Uitspraakdatum: 28 april 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser] handelend onder de naam [handelsnaam]

wonende te [woonplaats]

eiser

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. O.J. Boeder

tegen

1 [gedaagde sub 1]

2. [gedaagde sub 2]

beiden wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder gezamenlijk te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. J.S. Dallinga

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 24 september 2020 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

[eiser] heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een overeenkomst gesloten ten aanzien van het uitvoeren van werkzaamheden door [eiser] aan de woning van [gedaagde]

2.2.

[eiser] heeft in de periode 9 april tot 11 april 2020 werkzaamheden uitgevoerd aan de woning van [gedaagde] . [eiser] heeft hiervoor op 14 april 2020 een bedrag van € 2.850,00 in rekening heeft gebracht. [gedaagde] hebben deze factuur niet voldaan.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 4.070,53. Deze vordering bestaat uit een bedrag van € 2.850,00 voor doorberekende uren, materialen en kosten, een bedrag van € 720,00 aan schade, € 482,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 18,53 aan wettelijke rente. Daarnaast vordert [eiser] de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat tussen partijen een overeenkomst tot aanneming van werk met een vaste aanneemsom van € 10.000,00 tot stand is gekomen. [eiser] is op 9 april gestart met de uitvoering van de werkzaamheden. Op 11 april 2020 heeft [eiser] de mededeling van [gedaagde] gekregen dat hij de werkzaamheden niet af mocht maken, omdat zij iemand gevonden hadden die de werkzaamheden goedkoper kon uitvoeren. [eiser] heeft hierna op
13 april 2020 zijn gereedschap opgehaald. Op 14 april 2020 heeft [eiser] een bedrag van € 2.850,00 gefactureerd ten aanzien van de gemaakte uren, de materiaalkosten en de overige kosten. Daarnaast heeft [eiser] , althans zijn gemachtigde, op 12 mei 2020 een veertiendagenbrief aan [gedaagde] gezonden. In deze brief zijn [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om het bedrag van € 2.850,00 alsmede een bedrag van € 720,00 aan schade binnen veertien dagen na ontvangst van de brief zonder bijkomende kosten te voldoen. [gedaagde] hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt zodat zij de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn geworden.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] betwisten de vordering. Zij voeren aan – samengevat – dat partijen geen vaste aanneemsom zijn overeengekomen. [gedaagde] zijn niet akkoord gegaan met de offerte van € 10.000,00. [gedaagde] hebben aangegeven dat deze prijs voor hen te hoog was en dit begreep [eiser] . [eiser] heeft toegezegd voor een niet nader genoemd lager bedrag de werkzaamheden zou gaan uitvoeren. Partijen zouden de prijs achteraf gezamenlijk overeenkomen. [eiser] is op 9, 10 en 11 april 2020 enkele uren bij de woning van [gedaagde] aan het werk geweest. Op 11 april 2020 is [eiser] vertrokken en niet meer teruggekomen. Na verschillende contactmoment met [eiser] hebben [gedaagde] ervoor gekozen iemand anders in te schakelen om de werkzaamheden af te maken.

4.2.

[gedaagde] betwisten de factuur van 14 april 2020 alsmede de gevorderde schade van € 720,00. [eiser] stelt 28 uur gewerkt te hebben, maar dit is slechts 16 uur geweest en niet meer. Daarnaast is [eiser] zelf vertrokken zodat eventuele schade dan ook niet voor rekening en risico van [gedaagde] dient te komen. Daarbij heeft [eiser] deze schade ook niet verder onderbouwd.

5 De beoordeling

5.1.

[eiser] heeft als productie 1 bij dagvaarding het “Informatieformulier voor zaken waarin de gedaagde een natuurlijke persoon is” overgelegd. In de dagvaarding heeft [eiser] als antwoord op vraag 5 van het informatieformulier gesteld dat de bepalingen over de (pre)contractuele informatieverplichtingen niet van toepassing zijn op de onderhavige overeenkomst, met een verwijzing naar artikel 6:230h lid 2 sub g BW. In dit artikel is bepaald dat de bepalingen uit Boek 6, Titel 5, Afdeling 2B BW niet van toepassing zijn op overeenkomsten betreffende de constructie van nieuwe gebouwen, de ingrijpende verbouwing van bestaande gebouwen en de verhuur van woonruimte. De kantonrechter volgt [eiser] niet in zijn stelling. Met “ingrijpende verbouwing” wordt gedoeld op een verbouwing die vergelijkbaar is met het bouwen van een nieuw gebouw: alleen de gevel van een oud gebouw blijft staan. Deze situatie is uitgesloten omdat dit soort overeenkomsten in de nationale wetgeving al zijn onderworpen aan een aantal specifieke vereisten (overweging 26 Richtlijn 2011/83/EU). [eiser] zou een verlaagd vrijhangend plafond en een dubbele wand met schuifdeur realiseren in de woning van [gedaagde] . De werkzaamheden die in deze zaak aan de orde zijn vallen niet onder de definitie van een “ingrijpende verbouwing”, derhalve is artikel 6:230h lid 2 sub g BW niet van toepassing.

De kantonrechter zal daarom ambtshalve toetsen aan de bepalingen uit Boek 6, Titel 5, Afdeling 2B BW.

5.2.

[eiser] heeft gesteld dat de offerte eerst per Whatsapp aan [gedaagde] is toegezonden. Na telefonisch overleg waarin [gedaagde] verzochten om de offerte ook per e-mail toe te zenden, hebben [gedaagde] de opdracht gegeven voor de twee werken. De vordering is gebaseerd op een overeenkomst, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten, zodat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:230l BW. Bij het sluiten van een dergelijke overeenkomst moet ter bescherming van de consument onder meer aan de wettelijke precontractuele informatieverplichtingen worden voldaan, zoals in dat artikel zijn opgesomd. Het doel van deze bepaling is de consument de mogelijkheid te geven een weloverwogen besluit te nemen over de verplichting die wordt aangegaan. Een verwijzing achteraf naar waar de informatie als bedoeld in artikel 6:230l BW kan worden gevonden is, gelet op voornoemd doel, niet afdoende.

5.3.

De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat artikel 6:230l BW wordt nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. Ingevolge artikel 6:230l BW dient de handelaar de consument op duidelijke en begrijpelijke wijze te informeren over – onder andere – de voornaamste kenmerken van de zaak of dienst, de identiteit van de handelaar, de totale prijs van de zaak of dienst of, indien door de aard van de zaak of de dienst de prijs niet vooraf kan worden berekend, de wijze waarop de prijs wordt berekend en of er bijkomende kosten verschuldigd zijn. Ook dient te worden gewezen op de wijze van betaling en, voor zover van toepassing, de duur van de overeenkomst of de wijze waarop de overeenkomst eindigt. Uitdrukkelijk zij er op gewezen dat dit slechts een samenvatting is van de kern van deze bepaling. De kantonrechter verwijst voor het overige naar hetgeen in die bepaling verder is vermeld en attendeert erop dat afhankelijk van de aard van de zaak meer of minder informatie wordt verlangd.

5.4.

In geval van een procedure dient [eiser] te stellen dat aan deze verplichtingen is voldaan. [eiser] moet inzichtelijk maken welke informatie aan [gedaagde] is verstrekt voordat de overeenkomst werd gesloten en dat daarmee aan de wettelijke verplichtingen is voldaan.

5.5.

[eiser] heeft niet onderbouwd dat de in artikel 6:230l BW genoemde precontractuele informatie aan [gedaagde] is verstrekt voordat de overeenkomst tot stand is gekomen. Niet (onderbouwd) gesteld is hoe de contractsluiting is verlopen en welke informatie gedurende dit proces inzichtelijk is gemaakt. Hierover wenst de kantonrechter een nadere, onderbouwde, toelichting

Bevel om stellingen toe te lichten en bewijsstukken in het geding te brengen

5.6.

De in dit geding uitgebrachte dagvaarding verschaft onvoldoende informatie en voldoet daarmee niet aan de eisen van artikel 21 Rv. Op grond van artikel 22 Rv is de rechter bevoegd een toelichting op bepaalde stellingen te vragen en te bevelen dat op de zaak betrekking hebbende bescheiden worden overgelegd.

5.7.

[eiser] wordt opgedragen om bij akte een nadere toelichting te geven ten aanzien van de informatieverplichtingen, met inachtneming van wat hiervoor daarover is overwogen. [eiser] dient haar stellingen te motiveren en te onderbouwen. Indien aan bedoelde opdrachten niet of niet volledig wordt voldaan, zal de kantonrechter daaraan op grond van de artikelen 22 en 139 Rv de gevolgen verbinden die hij geraden acht.

5.8.

Iedere verdere beslissing wordt in dit stadium van het geding aangehouden.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

beveelt [eiser] om een nadere toelichting te geven ten aanzien van de informatieverplichtingen, door de inlichtingen te verstrekken bij akte te nemen op de rol van 26 mei 2021;

6.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter