Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:3727

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
8139725 \ CV EXPL 19-16988
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Luchtvaartclaim. Blikseminslag. Redelijke maatregelen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8139725 \ CV EXPL 19-16988

Uitspraakdatum: 12 mei 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[de passagier]

wonende te [woonplaats] (Taiwan)

eiseres

hierna te noemen de passagier

gemachtigde mr. D.E. Lof

tegen

de buitenlandse rechtspersoon

Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft

gevestigd te Keulen (Duitsland)

gedaagde

hierna te noemen de vervoerder

gemachtigde mr. E.C. Douma

1 Het procesverloop

1.1.

De passagier heeft bij dagvaarding van 1 oktober 2019 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

De passagier heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. De passagier is in de gelegenheid gesteld te reageren op de overgelegde producties bij de laatste reactie van de vervoerder, maar hiervan heeft zij geen gebruik gemaakt.

2 De feiten

2.1.

De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Amsterdam naar München (Duitsland) op 19 juni 2019, hierna: de vlucht.

2.2.

De vlucht heeft meer dan drie uur vertraging opgelopen. De passagier is met een alternatieve vlucht om 20:22 uur (lokale tijd) in plaats van 12:20 uur (lokale tijd) in München aangekomen.

2.3.

Airhelp heeft namens de passagier compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.

2.4.

De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3 De vordering

3.1.

De passagier vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 37,50 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

De passagier heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is de passagier te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 250,00.

4 Het verweer

4.1.

De vervoerder betwist de vordering en doet een beroep op (doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Zij heeft daartoe, onder meer, het volgende aangevoerd.

4.2.

Voor het kunnen uitvoeren van de vlucht in kwestie is de vlucht München-Amsterdam een conditio sine qua non. De twee (rotatie)vluchten zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. De twee vluchten zijn uitgevoerd met het toestel D-AIPZ. Het toestel is bij nadering van Amsterdam door bliksem getroffen. Hierdoor moest het toestel na de landing in Amsterdam worden geïnspecteerd en gerepareerd voordat met het toestel weer mocht worden gevlogen. Het toestel is uiteindelijk om 18:56 uur (lokale tijd) in München aangekomen. De passagier is echter met een alternatieve vlucht in München aangekomen, omdat niet bekend was hoe lang de inspectie en reparatie zou duren. Hierdoor zijn is de passagier met een alternatieve vlucht om 17:25 uur (lokale tijd) vanuit Amsterdam vertrokken. De blikseminslag is een externe factor waarop een luchtvaartmaatschappij geen enkele invloed kan uitoefenen. Het zijn omstandigheden die niet inherent zijn aan de activiteiten van de vervoerder.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

5.2.

De vervoerder heeft betoogd dat de passagier niet aan haar substantiëringsplicht heeft voldaan omdat zij heeft nagelaten te vermelden hoe laat zij in München is aangekomen. De kantonrechter overweegt dat de substantiëringsplicht niet inhoudt dat de passagier de exacte aankomsttijd op de eindbestemming en de manier waarop zij daarheen is vervoerd vermeldt, maar het weergeven van bekende verweren van gedaagde en de gronden daarvoor, zodat het geschil reeds in de dagvaarding zo volledig mogelijk wordt weergegeven. Gesteld noch gebleken is dat het verweer van de vervoerder reeds bij de passagier bekend was. De kantonrechter zal dan ook aan dit verweer van de vervoerder voorbijgaan. Voor zover de vervoerder heeft bedoeld dat de passagier niet heeft voldaan aan de stelplicht, wordt opgemerkt dat de passagier in repliek heeft gesteld dat zij met de door de vervoerder aangeboden alternatieve vlucht om 20:22 lokale tijd in München is aangekomen, hetgeen de vervoerder niet heeft betwist. Hiermee is het gebrek in de stelplicht van de passagier hersteld. De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder hierdoor niet in haar procesbelang is geschaad, nu de vervoerder de gelegenheid had hierop bij dupliek te reageren en zij ook al in de conclusie van antwoord inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de vordering, welk verweer niet afhankelijk is van de precieze aankomsttijd van de passagier op de eindbestemming.

5.3.

Vast staat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming is gearriveerd, zodat de vervoerder op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien zij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening. Gelet op het arrest Wallentin-Hermann (C-549/07) van het Hof van 22 december 2008 dient de vervoerder in het voorkomende geval aan te tonen dat hij zelfs met de inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen de buitengewone omstandigheden kennelijk niet had kunnen vermijden – behoudens indien hij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van zijn onderneming had gebracht – dat de buitengewone omstandigheden waarmee hij werd geconfronteerd tot de langdurige vertraging van de vlucht leidden.

5.4.

De vervoerder heeft in dit verband aangevoerd dat het toestel op de voorgaande vlucht bij nadering van Amsterdam werd geraakt door blikseminslag en dat daardoor een inspectie was vereist voordat met vliegtuig weer mocht worden gevlogen. De kantonrechter overweegt dat een blikseminslag gekwalificeerd kan worden als een buitengewone omstandigheid, die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet kon worden voorkomen.

5.5.

Uit het overgelegde vluchtrapport van de vlucht in kwestie valt op te maken dat de vlucht met een vertraging van zes uur en 38 minuten vanuit Amsterdam is vertrokken. Volgens het vluchtrapport is 54 minuten vertraging wegens code 93 (‘de vorige vlucht kwam vertraagd aan’) en vijf uur en 44 minuten vertraging is wegens code 51 (‘blikseminslag’) ontstaan. Ten aanzien van de ontstane vertraging wegens code 93 heeft de vervoerder aangevoerd dat deze geen betekenis heeft, omdat de vertraging in dit geval met name is veroorzaakt door de blikseminslag. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder middels de overgelegde stukken en haar toelichting daarop voldoende onderbouwd dat het toestel op de voorgaande vlucht door bliksem is getroffen, waarna het toestel moest worden geïnspecteerd voordat het de vlucht in kwestie kon uitvoeren. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden. In dit geval was er immers sprake van een vliegveiligheidsprobleem dat niet inherent is aan de normale uitoefening van de activiteiten van de luchtvaatmaatschappij.

5.6.

De vraag die vervolgens voorligt is of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagier te voorkomen, dan wel te beperken. De passagier stelt dat de vervoerder de reden waarom de inspectie bijna 5 uur duurde, niet heeft onderbouwd. Vast staat echter dat de vervoerder de passagier heeft omgeboekt naar een vervangende vlucht, omdat niet bekend was hoe lang de inspectie/reparatie zou duren. Dat het toestel om 16:00 uur lokale tijd is vrijgegeven, dat de vlucht uiteindelijk om 17:39 uur lokale tijd is uitgevoerd én dat de vervangende vlucht waarmee de passagier is vervoerd met vertraging is uitgevoerd waardoor de passagier met de oorspronkelijke vlucht eerder zou zijn aangekomen, viel voor de vervoerder niet te voorzien en deze omstandigheid maakt daarom niet dat de omboeking naar de vervangende vlucht niet als een redelijke maatregel valt aan te merken.

5.7.

Met betrekking tot de door de passagier genoemde vlucht van de vervoerder zelf (met vertrektijd 15:55 uur lokale tijd, heeft de vervoerder voldoende aannemelijk gemaakt dat op deze vlucht geen plaats was voor de passagier. Met betrekking tot de alternatieve vluchten van KLM voert de vervoerder aan dat KLM geen dochtermaatschappij is van de vervoerder, waardoor zij niet gehouden is om de passagiers om te boeken naar een KLM-vlucht. De kantonrechter merkt op dat - anders dan in eerdere vonnissen van deze rechtbank is geoordeeld – de luchtvaartmaatschappij niet onder alle omstandigheden kan volstaan met het aanbieden van de eerstvolgende vlucht die door de vervoerder zelf of een dochtermaatschappij wordt uitgevoerd. Volgens het arrest van het Hof van 11 juni 2020 (C-74/19) is dit in beginsel geen redelijke maatregel, indien de passagier met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomt. In het onderhavige geval is de passagier echter dezelfde dag op de eindbestemming aangekomen. Daar komt bij dat onduidelijk is hoe laat de door de passagier genoemde alternatieve vluchten van KLM zouden arriveren in München. De passagier heeft voorts gesteld dat de vervoerder heeft nagelaten te aan te tonen dat het inzetten van een reservetoestel niet tot zijn mogelijkheden behoorde. Gesteld noch gebleken is echter dat de vervoerder - indien er een reservetoestel beschikbaar was, hetgeen de vervoerder heeft betwist - hiermee de langdurige vertraging van de passagier op de eindbestemming had kunnen vermijden.

5.8.

Gelet op het voorgaande zal de vordering dan ook worden afgewezen. De proceskosten komen voor rekening van de passagier, omdat zij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt de passagier tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 150,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder;

6.3.

verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter