Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:3702

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-04-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
21/1284
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Handhavend optreden, last onder dwangsom bewoning van schuur op agrarische gronden. Naar voorlopig oordeel is de overtreding ten aanzien van het bouwen en het ontsieren of in gevaar brengen van het monument onvoldoende onderbouwd en is de last ten aanzien van het verwijderen van de huisraad te verstrekkend. Aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 21/1284


uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 april 2021 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker(gemachtigde: mr. J. Rutteman),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beemster, verweerder(gemachtigden: mr. R.G. van der Eijk en A.A. de Bruijn).

Procesverloop

In het besluit van 12 maart 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoeker, onder oplegging van een last onder dwangsom, opgedragen om de woonruimten die in de schuur aan de [adres] te [woonplaats] zijn gerealiseerd binnen één week te verwijderen en verwijderd te houden. Ook heeft verweerder verzoeker opgedragen om het wonen in die woonruimten in de schuur te beëindigen en beëindigd te houden en de huisraad uit die ruimten te verwijderen, waarvoor verweerder verzoeker een termijn van één dag heeft gegeven.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft op 17 maart 2021 aangegeven dat hij de begunstigingstermijn voor het verwijderen van de woonruimten opschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. Ook zal verweerder niet voordat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan controleren of de bewoning is beëindigd en de huisraad is verwijderd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2021. Het verzoek is gelijktijdig behandeld met het verzoek met procedurenummer 21/1258 van [naam] . Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Aanleiding voor deze procedure

2. Verzoeker is op basis van een vennootschapsovereenkomst gebruiker van het perceel [adres] te [woonplaats] . Hij is de zoon van de eigenaresse van dit perceel, [naam] . Verzoeker staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op dit perceel. Het perceel wordt gebruikt als stoeterij / manege / paardenfokkerij. Op 17 februari 2021 heeft verweerder, samen met de Sociale Recherche gemeente Purmerend en Beemster en de wijkagent, een integrale controle uitgevoerd op het perceel. Daarbij is geconstateerd dat in de schuur, die onderdeel uitmaakt van de monumentale stolpboerderij op het perceel, een verdiepingsvloer is aangebracht en dat die verdieping wordt gebruikt als woonruimte. Daarnaast is er een trap op de eerste verdieping die naar een ruimte in de nok leidt die eveneens wordt gebruikt als woonruimte. Verder is geconstateerd dat er door loshangende elektriciteitsdraden een gevaarlijke situatie bestaat.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verzoeker artikel 2.1, eerste lid, onder a, c en f, van de Wabo1 en artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo heeft overtreden door zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning een bouwwerk te verbouwen en in stand te laten, door het perceel te gebruiken in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en door het als gevolg hiervan in gevaar brengen of ontsieren van de monumentale stolpboerderij. Verweerder heeft verzoeker daarom opgedragen om de in de schuur gerealiseerde woonruimten binnen één week te verwijderen (hierna: last 1). Wanneer verzoeker dat niet doet, moet hij per geconstateerde overtreding een dwangsom betalen van € 10.000.-, met een maximum van € 30.000,-. Ook heeft verweerder verzoeker opgedragen om de bewoning te beëindigen en beëindigd te houden (hierna: last 2), waarvoor een dwangsom is vastgesteld van € 5.000,- per geconstateerde overtreding tot een maximum van € 15.000,-, en de huisraad te verwijderen (hierna: last 3), waarvoor een dwangsom is opgelegd van € 1.000,- per geconstateerde overtreding, tot een maximum van € 3.000,-.

Standpunt verzoeker: er is geen sprake van een overtreding

4. Verzoeker betwist dat hij de Wabo heeft overtreden.

Ten eerste betwist verzoeker dat er in strijd met het bestemmingsplan wordt gehandeld. Volgens verzoeker wordt de schuur niet bewoond, maar is die in gebruik als kantine. De aangetroffen spullen in de schuur zijn volgens verzoeker ook gebruikelijk voor een kantine. Verzoeker erkent dat er regelmatig wordt geslapen op de verdieping, maar stelt dat dit noodzakelijk is in verband met de verzorging van de (zieke en drachtige) paarden, waardoor dit gebruik ten behoeve is van de paardenhouderij, wat toegestaan is op grond van het bestemmingsplan. Verder heeft verzoeker erop gewezen dat sanitaire voorzieningen, die nodig zijn om te kunnen wonen, in de schuur ontbreken.

Verder betwist verzoeker dat hij een omgevingsvergunning voor bouwen nodig heeft. Hij stelt dat hij alleen inpandig heeft verbouwd en dat er geen monumentale waarden zijn gewijzigd. Bovendien stelt verzoeker dat verweerder niet heeft onderbouwd waarom geen sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 3, achtste lid, van bijlage II bij het Bor2 en heeft verzoeker gesteld dat de door verweerder als woonruimten aangeduide ruimtes al sinds de herbouw van het pand aanwezig zijn en in gebruik zijn als kantine.

De beoordeling

5.1

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2012’. In dit bestemmingsplan is bepaald dat de gronden waarop de schuur is gelegen zijn bestemd voor ‘Agrarisch-Paardenhouderij’. Op deze bestemming mag alleen worden gebouwd ten behoeve van de bestemming. Dat betekent dat een woonruimte planologisch niet is toegestaan op deze plek.

5.2

Ter discussie staat of op de eerste verdieping van de schuur en de ruimte die via de trap op de eerste verdieping kan worden bereikt werd gebruikt voor bewoning. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat daartoe voldoende aanwijzingen zijn. Uit de bestuurlijke rapportages die voorafgaand aan het primaire besluit zijn opgesteld, blijkt dat er op de eerste verdieping en in de nok van de schuur ruimtes zijn gecreëerd die afgesloten konden worden van het grotere geheel. In een ruimte op de eerste verdieping was nog een extra etage gecreëerd, waarop een matras lag. Zowel in de ruimte in de nok als in de ruimte op de eerste verdieping stond een bed danwel lag een matras. Ook zijn in die ruimtes (en erom heen) onder meer koelkasten, een fornuis, wasmachines, kleding, sportattributen en persoonlijke spullen en post aangetroffen. Daarnaast heeft een medewerker van verzoeker ten overstaan van de toezichthouder desgevraagd verklaard dat hij samen met zijn hond in de schuur woont en dat er eerder ook een Pools stel woonde. Hetgeen verzoeker hier tegenin heeft gebracht levert vooralsnog onvoldoende twijfel op voor een ander oordeel. Naar voorlopig oordeel heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van strijdig gebruik van de schuur voor bewoning.

5.3

Ten aanzien van de vraag of het bouwen van ruimtes op de eerste verdieping van de schuur en in de nok een overtreding oplevert, oordeelt de voorzieningenrechter het volgende. Ter zitting is niet komen vast te staan welke ruimtes en tussenwanden reeds aanwezig waren in de schuur. Verzoeker stelt dat de ruimtes waarvan verweerder stelt dat die in gebruik zijn genomen als woonruimte reeds aanwezig waren na de verbouwing van de stolp in 2004. Hij stelt onder meer dat er al een tussenwand aanwezig was in de schuur voor het scheiden van droog en nat hooi. Verzoeker heeft ter onderbouwing enkele foto’s getoond, maar daarvan kon onvoldoende worden vastgesteld op welk moment die foto’s zijn gemaakt en welke ruimtes het betrof. Verweerder heeft verzoekers standpunt op zitting verder onvoldoende weersproken en heeft ter zitting onvoldoende duidelijkheid kunnen verschaffen. Nu de feitenvaststelling op dit onderdeel onvoldoende is, is de voorzieningenrechter vooralsnog onvoldoende overtuigd dat sprake is van overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder a, en artikel 2.3a, eerste lid van de Wabo. In de bezwaarfase zal hier nader onderzoek naar gedaan moeten worden. Daarbij komt dat verweerder de wijze waarop de monumentale waarden zouden zijn aangetast op dit moment nog onvoldoende heeft onderbouwd, zodat ook sprake is van een motiveringsgebrek ten aanzien van de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder f van de Wabo.

Standpunt verzoeker: last 3 is te verstrekkend omdat de bedrijfsvoering daardoor onnodig wordt belemmerd.

6.1

De last waarin is bepaald dat alle huisraad moet worden verwijderd strekt volgens verzoeker te ver omdat daarmee ook het legale gebruik van de schuur als kantine en wasgelegenheid voor werkkleding onmogelijk wordt gemaakt. Verweerder had de last moeten beperken tot huisraad die uitsluitend kan worden gebruikt voor bewoning, aldus verzoeker.

De beoordeling

6.2

Zoals de Afdeling3 eerder heeft overwogen4, geldt bij het opleggen van een last onder dwangsom dat de last niet verder dient te strekken dan nodig is om de overtreding te beëindigen.

6.3

Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het gebruik van een kantine niet is toegestaan op het perceel. De voorzieningenrechter is van oordeel dat vooralsnog niet valt in te zien dat een kantine in de schuur op deze bestemming niet zou zijn toegestaan. Een kantine kan namelijk ten dienste zijn van de paardenhouderij. Een deel van de huisraad, zoals een keukenblokje, koelkast en levensmiddelen, zou bij een gebruik als kantine zijn toegestaan. Daarnaast komt het de voorzieningenrechter niet vreemd voor dat er incidenteel in de schuur wordt geslapen als er een paard ziek is of op het punt van bevallen staat, zoals verzoeker ter zitting heeft aangegeven. Een matras zou dan toegestaan kunnen zijn. Last 3 is dan ook te verstrekkend, omdat daarmee ook zaken moeten worden verwijderd die bij een toegelaten gebruik wel zijn toegestaan.

Het eindoordeel

7.1

De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat last 1 naar voorlopig oordeel niet in stand kan blijven, omdat de feiten die ten grondslag liggen aan de gestelde overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder a en artikel 2.3a, eerste lid van de Wabo onvoldoende vast staan en omdat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd op welke wijze de monumentale waarden van de schuur als gevolg van bouwwerkzaamheden zouden zijn aangetast. Ook last 3 kan naar voorlopig oordeel niet in stand blijven, omdat een deel van de zaken die als ‘huisraad’ zijn bestempeld wel zijn toegestaan bij een gebruik in overeenstemming met het bestemmingsplan.

Last 2 kan echter naar voorlopig oordeel wel stand houden. Dat de begunstigingstermijn van deze last onredelijk kort is, zoals door verzoeker is gesteld, volgt de voorzieningenrechter niet, omdat verzoeker heeft aangegeven dat er niet wordt gewoond in de schuur en daarmee al aan de last is voldaan. Dat de aan last 2 gekoppelde dwangsom onredelijk hoog is volgt de voorzieningenrechter evenmin.

7.2

De voorzieningenrechter ziet gelet op het voorgaande aanleiding om het verzoek toe te wijzen en het primaire besluit ten aanzien van de lasten 1 en 3 te schorsen tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

8. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

9. Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoeker een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting). Die punten hebben een waarde van € 534,- bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.068,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het primaire besluit, uitsluitend voor zover het de lasten 1 en 3 betreft, tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan verzoeker te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.068,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid vanR.I. ten Cate, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2021.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

2 Besluit omgevingsrecht

3 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

4 Zie onder meer de uitspraak van 21 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU8906