Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:3697

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
15/233883-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontucht met minderjarige dochter ten laste gelegd. Volledige vrijspraak. Onvoldoende bewijskracht van belastende verklaringen. Gepresenteerd steunbewijs biedt daarvoor onvoldoende compensatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/233883-20

Uitspraakdatum: 4 mei 2021

Tegenspraak

Vonnis in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboorteplaats- en datum] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 april 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R. Peters en van dat wat de verdachte en zijn raadsman, mr. J.C. Duin, advocaat te Hoorn, naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 09 juli 2014 tot en met 08 juli 2018 te Wognum, gemeente Medemblik, en/of te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, en/of elders in Nederland, (telkens) met zijn kind [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte (telkens) een en/of meermalen:
- zijn, verdachtes, mond en/of tong tegen/op de vagina gehouden van die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] gebeft en/of
- zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gehouden en/of die [slachtoffer] gevingerd en/of de vagina van die [slachtoffer] betast en/of
- die [slachtoffer] zijn, verdachtes, penis in haar mond laten nemen en/of die [slachtoffer] hem, verdachte, laten pijpen;
Feit 2
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 09 juli 2014 tot en met 19 februari 2020 te Wognum, gemeente Medemblik, en/of te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, en/of elders in Nederland,(telkens) ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, te weten: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , bestaande die ontucht (telkens) hierin dat hij, verdachte, een en/of meermalen:
- zijn, verdachtes, mond en/of tong tegen/op de vagina van die [slachtoffer] heeft gehouden en/of die [slachtoffer] heeft gebeft en/of
- zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] heeft gehouden en/of die [slachtoffer] heeft gevingerd en/of de vagina van die [slachtoffer] heeft betast en/of
- die [slachtoffer] zijn, verdachtes, penis in haar mond heeft laten nemen en/of die [slachtoffer] hem, verdachte, heeft laten pijpen en/of
- die [slachtoffer] zijn, verdachtes, penis in de hand(en) heeft laten nemen en/of die [slachtoffer] hem, verdachte, heeft laten aftrekken.

3. De voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is van deze zaak kennis te nemen, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat de pleegplaats Bovenkarspel niet kan worden bewezen en dat de pleegperiodes voor beide feiten moeten worden ingekort. Ten aanzien van feit 1 dient deze te luiden 9 juli 2014 tot 1 september 2016 en ten aanzien van feit 2 van 9 juli 2014 tot 8 juli 2018. De officier van justitie heeft betoogd dat [slachtoffer] consistent heeft verklaard, dat haar verklaringen steun vinden in hetgeen zij in overeenstemming daarmee aan anderen heeft verteld en in het feit dat de verdachte zich ten overstaan van meerdere personen in bekennende zin heeft uitgelaten. De latere ontkennende verklaring van de verdachte is onaannemelijk, nu hij eerder in detail heeft beschreven wat er volgens hem is gebeurd en wanneer dit is gebeurd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken en heeft hiertoe het volgende aangevoerd. Op basis van de verklaringen van [slachtoffer] bij de politie moet worden geconcludeerd dat zij de gebeurtenissen heeft verzonnen en er feitelijk niets is gebeurd. Om die reden moet met zeer grote terughoudendheid naar de de-auditu verklaringen worden gekeken. Er is bovendien geen steunbewijs voor de verklaringen van [slachtoffer] . Dit moet leiden tot volledige vrijspraak.

Voor wat betreft de verschillende ontuchtige handelingen kan voorts feitelijk niet worden vastgesteld of sprake is geweest van het seksueel binnendringen van het lichaam zodat de verdachte in elk geval van deze handelingen moet worden vrijgesproken.

De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, deze moet worden beperkt tot het incident waarover de verdachte een verklaring heeft afgelegd. Voor het overige moet vrijspraak volgen.

4.3

Integrale vrijspraak

De rechtbank is, met de verdediging, van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Hoewel het dossier aanknopingspunten bevat dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel misbruik van zijn minderjarige dochter, vormen deze aanknopingspunten naar het oordeel van de rechtbank een onvoldoende stevig fundament om een veroordeling ten aanzien van de ten laste gelegde feiten op te baseren. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Toetsingskader

De rechtbank overweegt in algemene zin wat het toetsingskader betreft als volgt. Op grond van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd niet uitsluitend worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige. Alleen de verklaring van de aangeefster is dan ook onvoldoende. Er moet meer bewijs zijn, iets dat de verklaring ondersteunt, om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Die vereiste ondersteuning geldt niet voor alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat de verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat die verklaring “niet op zichzelf staat”, maar als het ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Dit betekent dat de rechtbank naast het beoordelen van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster moet beoordelen of deze verklaringen voldoende steun vinden in ander (betrouwbaar) bewijsmateriaal.

Betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer]

De rechtbank overweegt met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] als volgt. [slachtoffer] heeft op 21 april 2020 in een voorbereidend gesprek met de politie verklaard dat zij weinig herinneringen heeft aan vroeger. Zij heeft tijdens dat gesprek ook verklaard dat zij haar vader niet in de problemen wil brengen, dat zij ‘het zelf wilde’ en dat zij haar vader om hulp heeft gevraagd, omdat de eerste keer met haar eerste vriendje, [naam 1] , perfect moest zijn. [slachtoffer] heeft daarnaast verklaard dat zij op ontdekkingstocht was. Op 21 juni 2020 heeft [slachtoffer] een Whatsapp-bericht gestuurd naar de politie met de mededeling dat zij een verhaaltje had verzonnen dat ze tegen haar vrienden heeft verteld om te kijken hoe zij hierop zouden reageren en waarin zij verzoekt het politieonderzoek naar haar vader te stoppen. Op 28 september 2020 is [slachtoffer] door de politie verhoord. In dit verhoor heeft zij nogmaals verklaard dat zij een verhaal had verzonnen dat zij tegen haar vrienden heeft verteld. [slachtoffer] verklaart in dit verhoor dat het kan kloppen dat zij tegen Danique Visser heeft gezegd dat zij haar vader had afgetrokken, maar dat zij dit niet daadwerkelijk bij hem heeft gedaan. Ook heeft zij verklaard dat het niet klopt dat zij haar vader heeft gepijpt, hij haar heeft gebeft of dat ze elkaar hebben gestreeld, zoals [slachtoffer] volgens [naam 1] tegen hem zou hebben gezegd.

[slachtoffer] heeft aldus uiteenlopende mededelingen gedaan over welke seksuele handelingen er wel of niet zouden hebben plaatsgevonden tussen haar en haar vader. Eveneens blijkt uit de dossierstukken dat zij verschillend heeft verklaard over de momenten waarop deze handelingen zouden hebben plaatsgevonden. De rechtbank begrijpt dat de wisselende verklaringen van [slachtoffer] mogelijk samenhangen met haar persoonlijkheid, nu zij is gediagnosticeerd met een autismestoornis en ADD en zij een beneden gemiddeld IQ heeft. Deze inconsistenties doen afbreuk aan de soliditeit van de verklaring van [slachtoffer] als basis voor de bewijslevering.

Verklaringen van de verdachte

De rechtbank heeft eveneens gekeken naar de door de verdachte afgelegde verklaringen. De verdachte heeft zowel in zijn politieverhoren als ter terechtzitting van 20 april 2021 ontkend de ten laste gelegde feiten te hebben gepleegd. Uit het dossier leidt de rechtbank echter af dat hij zich op uiteenlopende momenten wel heeft uitgelaten over bepaalde seksuele handelingen als genoemd in de tenlastelegging, te weten op 19 februari 2020 in een gesprek bij [naam 2] en op 20 februari 2020 op het politiebureau te Hoorn. De rechtbank stelt vast dat de verdachte op beide momenten heeft gezegd dat een vorm van misbruik heeft plaatsgehad.

Over de bespreking bij [naam 2] hebben de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]

een verklaring afgelegd en van (een deel van) deze bespreking is een verslag van vertrouwensarts [naam 3] aan het dossier gevoegd. De condities van deze bespreking/ondervraging van de verdachte zijn de rechtbank echter onbekend gebleven. Uit de dossierstukken blijkt wel van aanwijzingen dat er aan de zijde van [getuige 1] en de andere getuigen die aanwezig waren in [naam 2] een verdenking jegens de verdachte bestond dat hij seksuele handelingen met [slachtoffer] zou hebben gepleegd. Op geleide van deze verdenking lijken vragen aan de verdachte te zijn gesteld. De rechtbank is van oordeel dat het voorgaande de beoordeling van de betrouwbaarheid en validiteit van de verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [naam 3] bemoeilijkt.

Volgens twee processen-verbaal van bevindingen van de politie heeft de verdachte zich op 20 februari 2020, de dag na de bespreking/ondervraging bij [naam 2] , op het politiebureau gemeld, waarbij hij heeft gezegd dat hij zichzelf wilde aangeven, omdat hij in het jaar 2017 seks heeft gehad met zijn minderjarige dochter. De rechtbank overweegt allereerst dat zij geen reden ziet om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van deze op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de verdachte op het politiebureau heeft gezegd dat hij in 2017 seks heeft gehad met zijn minderjarige dochter. Deze uitlatingen van de verdachte roepen bij de rechtbank vragen op over zijn intenties om zichzelf te melden en bedoelde uitlatingen te doen. Deze zijn echter niet tijdens een verhoor gedaan en niet gespecificeerd in tijd en plaats en verrichte handelingen en hebben aldus een onbepaalde inhoud. De rechtbank is van oordeel dat deze uitlatingen van de verdachte daarom niet zonder meer als bewijs kunnen worden gebruikt.

Tussenconclusie

De rechtbank is van oordeel dat het steunbewijs in deze zaak niet enkel aanvullend, maar tevens compenserend, moet zijn, nu de bewijskracht van de verklaring van [slachtoffer] moet worden gerelativeerd en de uitlatingen en mededelingen van de verdachte zich ook niet zonder meer lenen voor het bewijsgebruik. Bijkomende omstandigheden, waaronder ongepaste intimiteit tussen de verdachte en [slachtoffer] , zoals door de officier van justitie als steunbewijs voorgesteld, bieden in verband met hun weinig specifieke aard onvoldoende ondersteuning voor een bewezenverklaring.

Steunbewijs

Naast de verklaringen van [slachtoffer] , de verdachte en de getuigen bij [naam 2] bevinden zich nog twee getuigenverklaringen in het dossier, namelijk de verklaringen van [getuige 3] en [naam 1] . Deze getuigenverklaringen zouden mogelijk als (compenserend) steunbewijs kunnen worden gebruikt. De verklaringen van [getuige 3] en van [naam 1] verschillen echter inhoudelijk van elkaar, zowel wat betreft de seksuele handelingen die zouden hebben plaatsgevonden als wat betreft de intenties van [slachtoffer] . [getuige 3] heeft verklaard dat [slachtoffer] tegen haar heeft gezegd dat ze haar vader heeft afgetrokken op een moment dat zij al een relatie had met haar vriendje [naam 1] en dat ze dit deed omdat zij benieuwd was hoe aftrekken werkt. [naam 1] daarentegen heeft verklaard dat [slachtoffer] hem vertelde dat zij vóórdat zij een relatie met hem had haar vader heeft gepijpt, afgetrokken en gestreeld en dat haar vader haar heeft gebeft, gevingerd en gestreeld. Volgens [naam 1] zou [slachtoffer] deze seksuele handelingen met haar vader hebben verricht omdat zij wilde experimenteren en zou zij haar vader hebben gesmeekt haar te helpen.

Niet alleen verschillen de verklaringen van [getuige 3] en [naam 1] inhoudelijk van elkaar, ook heeft [slachtoffer] zelf anders verklaard over haar intenties bij de door haar gerapporteerde seksuele handelingen. Daarnaast stemmen de verklaringen van [slachtoffer] enerzijds en die van [getuige 3] en [naam 1] anderzijds niet overeen waar het gaat om de volgorde waarin ze hen over de seksuele handelingen met haar vader heeft verteld.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de verklaringen van [getuige 3] en [naam 1] niet als steunbewijs kunnen dienen, laat staan in de hiervoor bedoelde compenserende zin.

Conclusie

De rechtbank komt tot de slotsom dat niet wettig en overtuigend is bewezen wat aan de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte van de ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken.

5 De beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.M. Steinhaus, voorzitter,

mr. D.D.M. Hazeu en mr. N. Rogmans, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.C.W. Coesel,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 mei 2021.

Buiten staat

mr. Rogmans is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.