Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:3679

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
8731814 \ CV EXPL 20-7225
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Vorderingen m.b.t. einde dienstverband erkend. Werkgever doet terecht beroep op verrekening ten aanzien van nog in een schadestaatprocedure vast te stellen schade (i.v.m. aansprakelijkheid), aannemelijk dat schade de resterende vordering overstijgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0677
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8731814 \ CV EXPL 20-7225

Uitspraakdatum: 28 april 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. P.J. Aschebrock

tegen

Wijcker Groen B.V.

gevestigd te Beverwijk

gedaagde

verder te noemen: Wijcker Groen

gemachtigde: mr. M.G. Jansen

1 Het verdere procesverloop

1.1.

Wijcker Groen heeft schriftelijk geantwoord in de hoofdzaak en daarbij een voorwaardelijke tegenvordering ingediend. [eiser] heeft schriftelijk gereageerd, waarna Wijcker Groen een schriftelijke reactie heeft gegeven. [eiser] heeft vervolgens nog schriftelijk gereageerd in de zaak van de (voorwaardelijke) tegenvordering.

2 De feiten

2.1.

[eiser] was van 1 oktober 2015 tot 29 januari 2019 in dienst bij Wijcker Groen in de functie van Boomverzorger. Bij brief van 29 januari 2019 heeft Wijcker Groen [eiser] op staande voet ontslagen wegens het laten vallen van een boomstam op de voet van een collega (‘ [collega] ’) op 23 januari 2019.

2.2.

[eiser] heeft de kantonrechter onder andere verzocht om aan hem een billijke vergoeding toe te kennen omdat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig zou zijn verleend. De kantonrechter heeft bij beschikking van 17 juli 2019 geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en het verzoek van [eiser] om Wijcker Groen te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding afgewezen. [eiser] is veroordeeld tot betaling van de proceskosten van het verzoek, vastgesteld op € 720,00 aan salaris gemachtigde aan de kant van Wijcker Groen. De kantonrechter heeft het tegenverzoek van Wijcker Groen om [eiser] te veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van € 3.034,15 bruto toegewezen. Wijcker Groen is (bij beschikking van 11 september 2019) in haar overige tegenverzoeken niet-ontvankelijk verklaard en veroordeeld tot betaling van de proceskosten van het tegenverzoek, vastgesteld op € 720,00 aan salaris gemachtigde aan de kant van [eiser] .

2.3.

Op 24 juli 2020 heeft (de rechtsbijstandsverzekering van) [eiser] de proceskosten van het verzoek voldaan. Wijcker Groen en [eiser] hebben tussen 22 juli 2019 en 30 maart 2020 per e-mail contact gehad over de eindafrekening en een mogelijke verrekening met de gefixeerde schadevergoeding en door [eiser] verschuldigd cursusgeld. Bij exploot van 21 april 2020 is de beschikking van 17 juli 2019 aan [eiser] betekend. [eiser] heeft op 24 april 2020 de gefixeerde schadevergoeding, nakosten, rente en kosten voor de betekening van het exploot betaald.

2.4.

In de (ontslag)brief van 29 januari 2019 heeft Wijcker Groen [eiser] ook aansprakelijk gesteld voor de schade die zij als gevolg van het handelen van [eiser] heeft geleden en zal lijden.

2.5.

Bij vonnis van 16 december 2020 heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat [eiser] jegens Wijcker Groen aansprakelijk is voor de door haar geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval op 23 januari 2019. De kantonrechter heeft [eiser] veroordeeld om aan Wijcker Groen alle ten gevolge van het ongeval door haar geleden en nog te lijden schade – op te maken bij staat – te vergoeden.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert – na wijziging van eis – dat de kantonrechter Wijcker Groen veroordeelt:

I. Tot betaling van:
A. Door Wijcker Groen nog verschuldigd loon over januari 2019 ad € 131,92 bruto;
B. Door Wijcker Groen nog verschuldigde vakantietoeslag ad € 1.523,22 bruto;
C. Een bedrag ad € 102,53 bruto terzake opgebouwde doch niet genoten vakantie-uren;
D. Door Wijcker Groen nog verschuldigde reiskosten ad € 53,54 netto;
E. De proceskosten ad € 720,- naar aanleiding van de beschikking d.d. 11 september 2019;
F. De wettelijke verhoging over het gevorderde onder A tot en met C;
G. Een bedrag ad € 378,12 ter zake de buitengerechtelijke incassokosten;
H. De wettelijke rente over alle gevorderde bedragen vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van die bedragen, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

II. Om de te betalen bedragen (A t/m H) te verminderen met het gevorderde cursusgeld ad € 1.303,56 netto.

3.2.

Hij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat Wijcker Groen bij wijze van eindafrekening nog betaling van achterstallig salaris, vakantietoeslag, vakantie-uren en reiskosten verschuldigd is. Wegens de te late betaling is Wijcker Groen ook 50% wettelijke verhoging en wettelijke rente verschuldigd. Daarnaast moet Wijcker Groen nog de proceskosten van het tegenverzoek betalen, gelet op de beschikking van 11 september 2019, en is Wijcker Groen buitengerechtelijke kosten verschuldigd omdat [eiser] werkzaamheden heeft uitgevoerd om zonder gerechtelijke procedure betaling te verkrijgen.

4 Het verweer en de tegenvordering

4.1.

Wijcker Groen betwist de vordering (gedeeltelijk). Zij voert aan – samengevat – dat de gevorderde wettelijke verhoging en buitengerechtelijke kosten moeten worden afgewezen. Verder doet Wijcker Groen een beroep op verrekening met het door [eiser] verschuldigde cursusgeld en de op grond van het vonnis van 16 december 2020 door [eiser] te betalen schadevergoeding.

4.2.

Wijcker Groen voert aan dat de vordering om haar te veroordelen tot betaling van wettelijke verhoging moet worden afgewezen, omdat de wettelijke verhoging niet is bedoeld als schadevergoeding maar als prikkel om een werkgever te stimuleren het loon tijdig te betalen. Omdat de arbeidsovereenkomst al is geëindigd is die prikkel zinloos. Volgens Wijcker Groen valt haar geen ernstig verwijt te maken en is het eindigen van het dienstverband te wijten aan [eiser] . Voor zover de wettelijke verhoging wordt toegewezen verzoekt Wijcker Groen om deze te matigen.

4.3.

Ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke kosten voert Wijcker Groen aan dat de werkzaamheden die [eiser] aan die vordering ten grondslag legt, niet in aanmerking komen voor een vergoeding. Volgens Wijcker Groen vallen die kosten onder de kosten van de procedure, omdat de gevoerde correspondentie aan de procedure ten grondslag ligt en daarvan de voorbereiding is geweest.

4.4.

Ten slotte doet Wijcker Groen een beroep op verrekening van de vordering van [eiser] met vorderingen die zij op [eiser] heeft. [eiser] is nog € 1.303,56 aan cursusgeld aan Wijcker Groen verschuldigd. Verder moet volgens Wijcker Groen op grond van het vonnis van 16 december 2020 worden verrekend met de schade die Wijcker Groen heeft geleden en zal lijden als gevolg van het ongeval van 23 januari 2019. Volgens Wijcker Groen staat vast dat [eiser] aansprakelijk is voor die schade en dat de schade moet vergoeden, alleen de hoogte van de schade moet worden begroot. De schade bestaat in ieder geval uit de juridische kosten die Wijcker Groen heeft gemaakt en de transitievergoeding die Wijcker Groen aan het slachtoffer van het ongeval moet betalen. Die schade is in ieder geval vele malen groter dan de vordering van [eiser] , zodat Wijcker Groen een beroep op verrekening kan doen.

4.5.

Wijcker Groen heeft een voorwaardelijke tegenvordering ingesteld. De voorwaarde waaronder de eis in reconventie is ingesteld is dat het beroep van Wijcker Groen op verrekening (gedeeltelijk) wordt afgewezen. Wijcker Groen vordert – na wijziging van eis – dat de kantonrechter [eiser] veroordeelt tot betaling van € 1.303,56 netto aan cursusgeld en dat de kantonrechter [eiser] veroordeelt tot betaling aan Wijcker Groen van een voorschot op de uiteindelijk door hem te betalen schadevergoeding, ten bedrage van het bedrag waartoe Wijcker Groen in conventie is veroordeeld om aan [eiser] te betalen.

4.6.

[eiser] betwist de tegenvordering. Het verweer van [eiser] tegen de tegenvordering zal voor zover relevant bij de beoordeling aan de orde komen.

5 De beoordeling

de vordering

waar gaat de zaak over?

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of Wijcker Groen moet worden veroordeeld tot betaling aan [eiser] van loon, vakantiegeld, vakantie-uren, proceskosten, wettelijke verhoging, buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente. Om die vraag te beantwoorden moet eerst worden beoordeeld of wat [eiser] vordert, in beginsel kan worden toegewezen. Daarna moet worden beoordeeld of het beroep van Wijcker Groen op verrekening slaagt.

de vorderingen die niet in geschil zijn

5.2.

De kantonrechter stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat Wijcker Groen aan [eiser] nog € 131,93 bruto aan salaris, € 1.542,24 bruto aan vakantiegeld, € 102,53 bruto aan vakantie-uren en € 53,54 netto aan reiskostenvergoeding verschuldigd is. Dit bedrag komt dan – behoudens eventuele verrekening die hierna aan de orde komt – in beginsel voor toewijzing in aanmerking.

de proceskosten van het tegenverzoek (beschikking 11 september 2019)

5.3.

Daarnaast vordert [eiser] in de onderhavige zaak betaling van de proceskosten van het tegenverzoek, conform de beschikking van 11 september 2019. Tussen partijen is niet in geschil dat Wijcker Groen dat bedrag nog aan [eiser] moet betalen. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] ten aanzien van deze vordering al bij beschikking van 11 september 2019 een executoriale titel heeft verkregen, zodat Wijcker Groen niet nogmaals kan worden veroordeeld tot betaling van die proceskosten. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen.

de wettelijke verhoging

5.4.

[eiser] heeft daarnaast betaling van de wettelijke verhoging over het salaris, vakantiegeld en de vakantie-uren gevorderd. Wijcker Groen verweert zich tegen deze vordering. De kantonrechter volgt de stelling van Wijcker Groen dat de wettelijke verhoging niet bedoeld is als schadevergoeding, maar om de werkgever te stimuleren het loon tijdig te betalen. Dat de arbeidsovereenkomst reeds is geëindigd, betekent echter niet dat de prikkel zinloos is en geen wettelijke verhoging meer verschuldigd kan zijn. De prikkel is niet slechts bedoeld ten aanzien van toekomstig loon. Verder overweegt de kantonrechter dat het ontslag en de vraag aan wie het eindigen van de arbeidsovereenkomst (met name) te wijten is, in beginsel los staat van de wettelijke verplichting om tijdig het loon te betalen. Voorts beroept Wijcker Groen zich pas voor het eerst in deze procedure op verrekening, zodat dit in beginsel geen reden is om de wettelijke verhoging te matigen. Voor zover verrekening aan de orde is, was dat bovendien niet het geval voordat de kantonrechter de aansprakelijkheid van [eiser] vaststelde in december 2020, terwijl de eindafrekening al kort na het ontslag op 26 januari 2019 had moeten worden voldaan. Daar staat tegenover dat gesteld noch gebleken is dat [eiser] tussen het ontslag op staande voet en de afronding van de gerechtelijke procedure over dat ontslag, om betaling van zijn vorderingen gevraagd heeft, dat partijen daarna uitvoerig contact hebben gehad om de kwestie minnelijk te regelen en dat toen bleek dat dat niet lukte, [eiser] nog enkele maanden heeft gewacht om Wijcker Groen te dagvaarden. Gelet op het voorgaande ziet de kantonrechter aanleiding om de wettelijke verhoging vast te stellen op 15%.

de buitengerechtelijke kosten

5.5.

Wijcker Groen heeft ook verweer gevoerd tegen de vordering van [eiser] om Wijcker Groen te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten. [eiser] stelt dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden hebben plaatsgevonden, hij verwijst naar de tussen 22 juli 2019 en 30 maart 2020 gevoerde correspondentie over de eindafrekening. Volgens Wijcker Groen is geen sprake van een buitengerechtelijke werkzaamheden omdat deze, door het starten van de procedure, zijn veranderd in werkzaamheden ter voorbereiding van de procedure. De kantonrechter volgt dit verweer niet. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de werkzaamheden aan te merken als verrichtingen anders dan ter voorbereiding van de gedingstukken. De conclusie is dat Wijcker Groen buitengerechtelijke kosten over toe te wijzen de hoofdsom verschuldigd is – behoudens eventuele verrekening die hierna aan de orde komt. Daartoe is redengevend dat verrekening – zoals hiervoor overwogen – niet eerder dan 16 december 2020 aan de orde was.

kan Wijcker Groen een beroep doen op verrekening?

5.6.

De kantonrechter stelt voorop dat [eiser] – gelet op zijn eiswijziging – heeft ingestemd met verrekening van zijn vordering met de door hem verschuldigde studiekosten. De kantonrechter stelt dan ook vast dat Wijcker Groen in ieder geval tot een bedrag van € 1.303,56 netto een beroep kan doen op verrekening.

5.7.

De kantonrechter begrijpt verder uit de conclusie van dupliek in conventie van Wijcker Groen dat zij niet (langer) een beroep doet op verrekening van de vordering van [eiser] met de vordering die [collega] aan Wijcker Groen gecedeerd heeft. De vraag of Wijcker Groen met die vordering mag verrekenen, zal dan ook buiten beschouwing worden gelaten.

5.8.

Dan moet nog de vraag worden beantwoord of Wijcker Groen de vordering van [eiser] – voor zover die voor toewijzing in aanmerking zou komen – mag verrekenen met de schadevergoeding die [eiser] aan Wijcker Groen moet betalen op grond van de bij vonnis van 16 december 2020 vastgestelde aansprakelijkheid.

5.9.

Gelet op artikel 6:127 lid 2 BW is Wijcker Groen bevoegd tot verrekening indien haar te vorderen prestatie beantwoordt aan haar schuld jegens [eiser] en indien zij bevoegd is tot betaling van de schuld en tot het afdwingen van de betaling van de vordering. [eiser] betwist dat de prestaties aan elkaar beantwoorden. Volgens [eiser] is de door Wijcker Groen te vorderen prestatie van een andere soort, omdat het schadebedrag nog moet worden vastgesteld. De kantonrechter volgt die stelling niet, omdat de te vorderen prestatie ziet op de schadevergoeding en dus op het geldbedrag dat uit de schadestaatprocedure voortvloeit.

5.10.

Verder voert [eiser] aan dat de schadevergoeding nog niet opeisbaar is, zodat die niet voor verrekening in aanmerking komt. De kantonrechter stelt voorop dat de vordering van [eiser] moet worden toegewezen indien de tegenvordering waarop Wijcker Groen zich ter verrekening beroept, niet eenvoudig is vast te stellen. Nu [eiser] is veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding die nog moet worden opgemaakt bij staat, is in beginsel sprake van een tegenvordering die niet eenvoudig is vast te stellen. Wijcker Groen heeft nog aangevoerd dat zeker is dat haar vordering die van [eiser] overtreft, zodat haar wel een beroep op verrekening toekomt. De kantonrechter overweegt dat Wijcker Groen eerst bij conclusie van dupliek in conventie (tevens conclusie van repliek in (voorwaardelijke) reconventie) uiteen heeft gezet waar de toe te wijzen schadevergoeding volgens haar in ieder geval uit zou bestaan. Wijcker Groen voert aan dat [eiser] aan haar een bedrag van € 20.823,86 exclusief BTW voor juridische bijstand en een bedrag van € 4.903,00 aan transitievergoeding voor [collega] zal moeten vergoeden.

5.11.

[eiser] heeft (de verschuldigdheid van) die bedragen – die tevens de grondslag vormen voor de voorwaardelijke tegenvordering van Wijcker Groen – bij conclusie van dupliek in reconventie betwist. [eiser] voert aan dat de door Wijcker Groen aan [collega] te betalen transitievergoeding na twee jaar ziekte, door het UWV zal worden gecompenseerd, zodat Wijcker Groen geen schade lijdt (en [eiser] niet tot betaling van die schade kan worden veroordeeld). De kantonrechter volgt de stelling van [eiser] dat het beroep op verrekening voor deze tegenvordering niet eenvoudig is vast te stellen, zodat Wijcker Groen met niet met dit bedrag kan verrekenen.

5.12.

Ten aanzien van de juridische kosten betwist [eiser] dat hij in de schadestaatprocedure zal worden veroordeeld om (circa € 20.000,- aan) juridische kosten te vergoeden. [eiser] voert daartoe aan dat de juridische kosten in de ontslagprocedure en de aansprakelijkheidsprocedure forfaitair zijn berekend en dat er geen grond bestaat om [eiser] te veroordelen tot de daadwerkelijk gemaakte proceskosten. Verder voert [eiser] aan dat er geen sprake is van in redelijkheid gemaakte juridische kosten omdat Wijcker Groen in beide procedures niet verplicht was om zich door een advocaat te laten vertegenwoordigen (de kantonrechter begrijpt: omdat deze bij de kantonrechter werden gevoerd) en omdat de aan de ontslagprocedure besteedde tijd buitenproportioneel is. Ten slotte voert [eiser] aan dat Wijcker Groen door haar verzekeraar al voldoende gecompenseerd is voor de juridische kosten.

5.13.

Hiervoor is overwogen dat de volgende bedragen (in beginsel) voor toewijzing in aanmerking komen:
€ 131,93 bruto aan salaris, te vermeerderen met € 19,79 (15%) aan wettelijke verhoging
€ 1.542,24 bruto aan vakantiegeld, te vermeerderen met € 231,34 aan wettelijke verhoging
€ 102,53 bruto aan vakantie-uren, te vermeerderen met € 15,38 aan wettelijke verhoging
€ 53,54 netto aan reiskostenvergoeding
€ 271,68 aan buitengerechtelijke incassokosten
In totaal komt dus een bedrag van € 2.043,21 bruto en een bedrag van € 325,22 netto, te vermeerderen met wettelijke rente, in beginsel voor toewijzing in aanmerking. Verder is hiervoor overwogen dat Wijcker Groen in ieder geval tot een bedrag van € 1.303,56 netto – het cursusgeld – een beroep op verrekening toe. Gelet op het feit dat ten aanzien van het brutobedrag nog loonbelasting moet worden ingehouden, zal na verrekening van het cursusgeld nog een vordering van in ieder geval minder dan € 1.000,- (netto) resteren.

5.14.

In de eerdere procedures is [eiser] veroordeeld tot betaling van forfaitaire proceskosten. Wijcker Groen stelt dat de daadwerkelijke kosten (veel) hoger zijn en dat die ook niet worden gedekt door de bijdrage van haar verzekeraar, zodat zij schade lijdt. De kantonrechter vindt dat aannemelijk. Dat [eiser] tot nu toe slechts is veroordeeld tot de forfaitaire proceskosten neemt niet weg dat hij – gelet op de vastgestelde aansprakelijkheid –in de schadestaat procedure kan worden veroordeeld tot deze schade van Wijcker Groen. De kantonrechter vindt het ook aannemelijk dat die kosten – en dus de te vorderen schade – het hiervoor genoemde bedrag van (maximaal) € 1.000,- (netto) overstijgen.

5.15.

De conclusie is dat het verrekeningsverweer van Wijcker Groen slaagt en dat de kantonrechter de vorderingen van [eiser] zal afwijzen.

5.16.

Gelet op de uitkomst van de zaak is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

de (voorwaardelijke) tegenvordering

5.17.

Wijcker Groen heeft de kantonrechter verzocht om [eiser] te veroordelen om het verschuldigde cursusgeld van € 1.303,56 netto aan haar te voldoen. [eiser] heeft ingestemd met de verrekening van zijn vordering met het door hem verschuldigde cursusgeld. Wijcker Groen heeft haar vordering bij conclusie van repliek in (voorwaardelijke) reconventie gehandhaafd voor zover de vordering van [eiser] zou worden afgewezen. Zoals hiervoor is overwogen wordt de vordering van [eiser] (grotendeels) toegewezen en is vastgesteld dat Wijcker Groen een beroep kan doen op verrekening. De kantonrechter komt dan ook niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van deze voorwaardelijke tegenvordering en er hoeft ook niet op te worden beslist.

6 De beslissing

De kantonrechter:

de vordering

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

Dit vonnis is gewezen door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter