Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:3607

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
8201244 \ CV EXPL 19-18603
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Luchtvaartzaak. Opgelegde CTOT's. Buitengewone omstandigheden. Redelijke maatregelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8201244 \ CV EXPL 19-18603

Uitspraakdatum: 21 april 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1 [passagier sub 1] ,

2. [passagier sub 2]

3. [passagier sub 3]

allen wonende te [woonplaats]

eisers

hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers

gemachtigde: Webcasso B.V.

tegen

de buitenlandse rechtspersoon

Austrian Airlines A.G.

gevestigd te Wenen (Oostenrijk) en mede kantoorhoudende te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer

gedaagde

hierna te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. E.C. Douma

1 Het procesverloop

1.1.

De passagiers hebben bij dagvaarding van 22 november 2019 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van Amsterdam naar Teheran (Iran) via Wenen op 12 juli 2018, hierna: de vlucht.

2.2.

De vlucht van Amsterdam naar Wenen is vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben de aansluitende vlucht naar Teheran gemist.

2.3.

De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.

2.4.

De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3 De vordering

3.1.

De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 1.800,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 363,00, althans aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten.

3.2.

De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00 per passagier.

4 Het verweer

4.1.

De vervoerder betwist de vordering en doet een beroep op buitengewone omstandigheden. Hij heeft daartoe, onder meer, het volgende aangevoerd.

4.2.

De vlucht van de passagiers stond gepland te vertrekken om 05:00 UTC. De luchtverkeersleiding heeft echter vertrekbeperkingen aan het toestel opgelegd voor de duur van 25 minuten. Voorts kreeg het toestel te maken met gewijzigde “slots”. Reeds om 03:00 UTC werd de “slot” van 05:00 UTC door de luchtverkeersleiding gewijzigd naar 05:37 UTC. De luchtverkeersleiding wijzigde de “slot” nogmaals en om 05:11 UTC bepaalde de luchtverkeersleiding dat de “slot” van 05:46 UTC werd toegewezen. De vlucht kwam om 07:33 UTC in Wenen aan. De passagiers misten de aansluitende vlucht die om 07:45 UTC vanuit Wenen vertrok. De passagiers zijn omgeboekt naar de eerst volgende vlucht met plaats naar Teheran.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

5.2.

De kantonrechter stelt voorts vast dat passagier sub 3 niet bekwaam is zelfstandig in rechte op te treden, nu uit het bij dagvaarding overgelegde identiteitsbewijs blijkt dat zij minderjarig is. Om die reden zal zij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek. Passagiers sub 1 en 2 hebben blijkens de dagvaarding de vordering ingesteld voor zichzelf en niet (ook) in de hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van de passagier sub 3. De kantonrechter komt daarom niet toe aan de beoordeling van de vordering van passagier sub 3. Ten aanzien van de vordering van passagiers sub 1 en 2 pro se wordt als volgt overwogen.

5.3.

Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur zijn aangekomen op de eindbestemming, zodat de vervoerder op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening. Gelet op het arrest Wallentin-Hermann (C-549/07) van het Hof van 22 december 2008 dient een luchtvaartmaatschappij in het voorkomende geval aan te tonen dat zij zelfs met de inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen de buitengewone omstandigheden kennelijk niet had kunnen vermijden – behoudens indien zij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming had gebracht – dat de buitengewone omstandigheden waarmee zij werd geconfronteerd tot de langdurige vertraging van de vlucht leidden.

5.4.

Ten aanzien van het beroep van de vervoerder op de aanwezigheid van buitengewone omstandigheden geldt het volgende. Ingevolge de punten 14 en 15 van de Considerans van de Verordening kunnen dergelijke omstandigheden zich onder meer voordoen wanneer er sprake is van een besluit van het luchtverkeersbeheer voor een specifiek vliegtuig op een specifieke dag waardoor een langdurige vertraging, een vertraging van een nacht of de annulering van één of meer vluchten van dat vliegtuig wordt veroorzaakt.

5.5.

De vraag die voorligt is of de vervoerder met zijn overgelegde producties en zijn toelichting daarop voldoende heeft aangetoond dat de vertraging van de passagiers het gevolg is geweest van een buitengewone omstandigheid.

5.6.

De passagiers stellen dat de overgelegde vluchtplannen interne documenten zijn waaruit niet valt op te maken wat de bron is van de gegeven informatie, wanneer het is uitgegeven en wie het heeft opgesteld. Blijkens de Richtsnoeren voor de interpretatie van de Verordening (EG) nr. 261/2004 kunnen luchtvaartmaatschappijen buitengewone omstandigheden aantonen door uittreksels uit hun logboeken of incidentenrapporten en/of externe documenten en verklaringen voor te leggen. Het enkele feit dat de overgelegde documenten interne documenten zijn, betekent dan ook niet dat deze onvoldoende zijn om een beroep op een buitengewone omstandigheid te onderbouwen. Daar komt bij dat de vervoerder heeft toegelicht dat de “slot history” afkomstig is van de luchtverkeersleiding en dat de vluchtrapporten afkomstig zijn van de vervoerder, die de bemanning conform de feiten invult en waarbij de bemanning de vertragingscodes, die in de “slot history” staan, overneemt.

5.7.

Uit het overgelegde vluchtrapport valt op te maken dat er een vertrekvertraging van 25 minuten wegens code 81 is ontstaan. Blijkens de “slot history” heeft de luchtverkeersleiding reeds om 03:00 UTC aan het toestel een nieuwe Calculated Takeoff Time (hierna: CTOT) van 05:37 UTC opgelegd. Vervolgens zijn de CTOT’s herhaaldelijk herzien. Daarbij wordt eveneens vertragingscode 81 genoemd. De vervoerder verwijst onder meer naar de overgelegde “Standard IATA Delay Codes” van Eurocontrol, waaruit volgt dat vertragingscode 81 staat voor “ATFM duet o ATC EN-ROUTE DEMAND/CAPACITY, standard demand capacity problems”. Anders dan de passagiers is de kantonrechter van oordeel dat de vervoerder door de bij conclusie van antwoord overgelegde producties en zijn toelichting daarop de vertragingscode voldoende heeft onderbouwd. De vervoerder heeft ook aangetoond dat de luchtverkeersleiding als gevolg van code 81 nieuwe CTOT’s aan het toestel heeft opgelegd. De gewijzigde CTOT’s hebben in dit geval te gelden als een besluit van het luchtverkeersbeheer voor een specifiek vliegtuig op een specifieke dag, zoals bedoeld in overweging 15 van de considerans van de Verordening. Het toestel kon hierdoor niet eerder vertrekken, omdat de instructie van de luchtverkeersleiding altijd moet worden opgevolgd. Anders dan door de passagiers wordt gesteld, is niet gebleken dat de luchtverkeersleiding de CTOT’s heeft opgelegd door toedoen van de vervoerder. Voorts stellen de passagiers dat de groundhandling op luchthavens handelend ten behoeve van de luchtvaartmaatschappij ook een omstandigheid is en kan zijn voor de nieuwe “slots”. De passagiers hebben niet gesteld waaruit zou moeten blijken dat in het onderhavig geval sprake was van nieuwe “slots” wegens de groundhandling, waardoor de kantonrechter voorbij zal gaan aan die stelling. De vervoerder heeft immers gemotiveerd onderbouwd dat het toestel vanaf 03:00 UTC nieuwe slottijden wegens code 81 kreeg opgelegd. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de vertraagde aankomst van de passagiers op de eindbestemming het gevolg is van een buitengewone omstandigheid.

5.8.

De volgende vraag die voorligt is of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagiers te voorkomen dan wel te beperken. De luchtvaartmaatschappij dient bij het boeken van een vlucht voldoende overstaptijd in acht te nemen om eventuele vertragingen op te kunnen vangen. Tussen de twee aansluitende vluchten was oorspronkelijk een overstaptijd van 50 minuten gepland. De minimale overstaptijd in Wenen bedraagt 25 minuten. Dit betekent dat er een reservetijd van 25 minuten bovenop de overstaptijd was ingepland om eventuele incidenten te kunnen opvangen. Het hanteren van een buffer van 25 minuten wordt voldoende geacht. De vervoerder heeft de passagiers omgeboekt naar een andere vlucht. In de gegeven omstandigheden kon er niet meer van de vervoerder worden verwacht.

5.9.

Gelet op het voorgaande zal de vordering van de passagiers worden afgewezen. De overige verweren van de vervoerder behoeven geen bespreking meer.

5.10.

De proceskosten komen voor rekening van de passagiers, omdat zij ongelijk krijgen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

verklaart passagier sub 3 niet-ontvankelijk;

6.2.

wijst de vordering van passagiers sub 1 en 2 af;

6.3.

veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 374,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder en verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter