Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:3606

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
8386229 \ CV FORM 20-2542
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Luchtvaartzaak. Annulering vlucht. Uitleg artikel 7 van Verordening (EG) nr. 261/2004.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8386229 \ CV FORM 20-2542

Uitspraakdatum: 21 april 2021

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

1 [passagier sub 1]

2. [passagier sub 2]

beiden wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: de passagiers

gemachtigde: mr. I.G.B. Maertzdorff

tegen

de buitenlandse rechtspersoon

Société Air France S.A.

gevestigd te Parijs (Frankrijk)

verwerende partij

verder te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer

1 Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 10 maart 2020;

  • -

    het antwoordformulier (formulier C), ingekomen ter griffie op 13 augustus 2020.

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van Amsterdam naar Sao Paulo (Brazilië) via Parijs op 23 maart 2018, hierna: de vlucht.

2.2.

De passagiers zouden op 23 maart 2018 om 18:55 uur (lokale tijd) vanuit Amsterdam vertrekken en op 24 maart 2018 om 07:20 uur (lokale tijd) in Sao Paulo arriveren. De vlucht van Amsterdam naar Parijs is geannuleerd. De passagiers zijn omgeboekt naar alternatieve vluchten waarmee zij dertien uur eerder dan overeengekomen op de eindbestemming zijn aangekomen.

2.3.

De passagiers hebben compensatie van de vervoerder verzocht in verband met de annulering van hun vlucht.

2.4.

De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:

- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;
- primair € 181,50 subsidiair € 217,80 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 10 december 2018;
- de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof).

3.3.

De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de annulering van de vlucht de vlucht gehouden is compensatie te betalen conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00 per passagier. Aangezien de vervoerder reeds een bedrag van € 600,00 heeft voldaan, vorderen de passagiers nog een bedrag van € 600,00. Daarnaast maken de passagiers aanspraak op betaling door de vervoerder van buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente.

3.4.

De vervoerder betwist de verschuldigdheid en de hoogte van het verzochte. Op het verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.

4.2.

De passagiers zijn, na de annulering van hun vlucht, door de vervoerder omgeboekt naar een andere vlucht. De passagiers zijn met deze vlucht ruim dertien uur eerder dan gepland op de eindbestemming aangekomen. De vervoerder voert aan dat de luchtvaartmaatschappij op grond van artikel 7 lid 2 van de Verordening de verschuldigde compensatie in dat geval mag halveren. Uit artikel 7 lid 2 van de Verordening volg:
Indien de passagiers een andere vlucht naar hun eindebestemming wordt aangeboden overeenkomstig artikel 8, en de aankomsttijd niet meer dan hieronder vermeld afwijkt van de geplande aankomsttijd van de oorspronkelijk geboekte vlucht:
a) twee uur voor alle vluchten van 1 500 km of minder, of
b) drie uur voor alle vluchten binnen de Gemeenschap van meer dan 1 500 km en voor alle andere vluchten tussen 1 500 en 3 500 km, of
c) vier uur voor alle vluchten die niet onder a) of b) vallen,
kan de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert de compensatiebedragen vermeld in lid 1 met 50% verlagen.

4.3.

Aangezien de daadwerkelijke aankomsttijd van de passagiers dertien uur en zestien minuten afwijkt van de oorspronkelijk geboekte aankomsttijd, menen de passagiers dat zij recht hebben op de resterende € 600,00. De daadwerkelijke aankomsttijd wijkt immers meer dan vier uur af van de oorspronkelijk geboekte aankomsttijd, aldus de passagiers. De vervoerder heeft in dit kader echter aangevoerd dat de Nederlandstalige versie van de Verordening niet als leidend dient te worden gezien. De passagiers hebben op de eindbestemming geen tijdverlies geleden. De vervoerder heeft verwezen naar enkele arresten van het Europese Hof van Justitie waarin wordt aangegeven dat, bij twijfel, het gemeenschapsrecht dient te worden uitgelegd in het licht van de wettekst van andere talen, om deze bepaling in de participerende landen zo uniform mogelijk te kunnen toepassen. De eerdere vonnissen van deze rechtbank aangaande een ruime vervroegde aankomst hebben niet voldoende rekening gehouden met het gegeven dat de Nederlandstalige tekst afwijkt van de tekst van de Verordening in andere talen, aldus de vervoerder. De kantonrechter overweegt dat de Nederlandstalige tekst van artikel 7 lid 2 van de Verordening niet afwijkt van de Engelstalige en de Franstalige tekst. In zowel de Engelstalige als de Franstalige tekst staan dezelfde criteria vermeldt op grond waarvan de vervoerder de compensatiebedragen vermeld in lid 1 van dat artikel mag verlagen met 50%. Er bestaat in zoverre dan ook geen twijfel over de uitleg van artikel 7 lid 2 van de Verordening, zodat dit verweer van de vervoerder wordt gepasseerd. Naast de in artikel 7 lid 2 onder a, b en c genoemde tijden en afstanden bevat de Verordening in haar huidige vorm geen expliciete normen over sterk vervroegde vertrek-en aankomsttijden bij een vervangende vlucht na annulering. De Verordening is, zoals expliciet volgt uit haar richtlijnen en considerans, opgesteld om de rechten van passagiers ten aanzien van luchtvaartmaatschappijen uit te breiden. De beoogde bescherming van passagiers tracht, onder andere, de overlast en het ongemak voor passagiers als gevolg van een annulering te verminderen. Passagiers dienen redelijk alternatief vervoer aangeboden te krijgen, zodat zij andere regelingen kunnen treffen indien nodig. Een sterk vervroegde vertrektijd en/of aankomsttijd kan op exact dezelfde wijze overlast en ongemak voor de passagiers veroorzaken als wanneer de vertrektijd en/of aankomsttijd sterk verlaat wordt. Zodoende sluit het onderhavige geval aan bij eerdere rechtspraak over sterk vervroegde vertrek- en aankomsttijden van een vervangende vlucht na annulering en zal daarmee de Nederlandstalige norm, zoals deze nu in de Verordening staat, worden gevolgd.

4.4.

Nu de vervoerder voor het overige geen verweer heeft gevoerd, zal de vordering van de passagiers worden toegewezen.

4.5.

Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente wordt het volgende overwogen. De passagiers hebben wettelijke rente gevorderd met ingang “vanaf datum vlucht”. Het betreft hier een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade, zodat deze schade gelet op artikel 6:83 sub b BW terstond opeisbaar is. Het verzuim treedt dus zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen vanaf 24 maart 2018, zijnde de datum waarop de vertraging is ingetreden.

4.6.

De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. De vervoerder heeft dit verzoek (gemotiveerd) betwist. Omdat het onderhavige verzoek geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en dat hiervoor door de passagiers kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II, omdat de tarieven neergelegd in voornoemd Besluit worden geacht redelijk te zijn.
Het verzochte bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het verzochte bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief, te weten € 108,90 (inclusief btw), en voor het overige afwijzen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten worden afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat deze kosten daadwerkelijk zijn betaald.

4.7.

De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat hij ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De verzochte rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking.

4.8.

Op verzoek van de passagiers zal een certificaat als bedoeld in artikel 20 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen aan deze beschikking worden gehecht.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 708,90 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 600,00 vanaf 24 maart 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op € 236,00 aan griffierecht, € 124,00 aan salaris gemachtigde en € 62,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M. Kruithof, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open