Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:3587

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
12-05-2021
Zaaknummer
C/15/305404 / HA ZA 20-470
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers hebben gedaagde opdracht gegeven om verbouwingswerkzaamheden te verrichten aan hun nieuwe woning. Partijen zijn het oneens over welke werkzaamheden gedaagde zou uitvoeren en wat eisers hiervoor zouden betalen. Eisers vorderen terugbetaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/305404 / HA ZA 20-470

Vonnis van 21 april 2021

in de zaak van

1 [eiseres] ,

2. [eiser],

beiden wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. W.R. Jackman te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] tevens h.o.d.n. [bedrijfsnaam],

wonende te [woonplaats 2] , gemeente [...] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. N. Lubach te Alkmaar.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De zaak in het kort

[eisers] hebben [gedaagde] opdracht gegeven om verbouwingswerkzaamheden te verrichten aan hun nieuwe woning. Partijen zijn oneens over welke werkzaamheden [gedaagde] zou uitvoeren en wat [eisers] hiervoor zouden betalen. [eisers] vorderen terugbetaling van teveel betaalde facturen. [gedaagde] vordert betaling van de openstaande facturen.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 t/m 18,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met producties 1 en 2,

  • -

    het vonnis van 16 september 2020,

  • -

    de akte inbreng producties 19 t/m 23 tevens bewijsaanbod van [eisers] en

  • -

    het rolbericht van 25 februari 2021 met producties 3 t/m 6 van [gedaagde] .

2.2.

Op 12 maart 2021 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Mr. Jackman en mr. Lubach hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zijn overgelegd.

2.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De feiten

3.1.

[eisers] hebben [gedaagde] omstreeks mei 2018 benaderd in verband met verbouwingswerkzaamheden in hun (destijds toekomstige) woning aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning).

3.2.

Op 30 mei 2018 hebben partijen de woning bezichtigd. Op 31 mei 2018 heeft [gedaagde] per e-mail aan [eisers] een bepaald bedrag genoemd voor de verbouwingswerkzaamheden. In deze e-mail staat onder andere:

“Dit is erg ingrijpend om heel compleet een begroting neer te leggen op zo een korte termijn. Maar heb globaal wat op papier gezet.

De meeste kosten zijn algemene binnen de bouwsector.

Ik heb mijn gedachte ook over het verhogen van de vloer laten gaan.

Hergebruik oude balken houd ik voor mogelijk.

Bestaande stalenbalk hergebruiken en verhogen over totale lengte woning.

Wanden souterrain. Inclusief kozijnen

Badkamers Tegel en sanitair

Koekoeks inclusief kozijnen

Koekoeks achter verhogen

Achtergevel kozijnen

Nieuwe plafonds geïsoleerd

Keuken (eigen beheer)

Vloeren (afwerkvloeren bv hout)

Toilet (huis)

Trap

Elektra

Vloerverwarming

Pelletketel ook voor warm water en c.v

Elektra alles nieuw

Loodgieters werk alles nieuw

Kaal slopen gehele woning

Bouw en sloop bakken

Kozijnen voorgevel

Trap naar beneden

Stucwerk beneden en boven

Saus en schilderwerk

Parkeergelden

Tuinhuis

Na ik deze kosten op een rijtje heb gezet zit ik op een bedrag van €79.000 euro in de BTW. Maar houd mij ten goede

Ik ben van mening dat dit een reëel bedrag is om mee te nemen in jullie besluit”

3.3.

Op 1 juni 2018 heeft [gedaagde] per e-mail [eisers] , op hun verzoek, geadviseerd om ten behoeve van het overbruggingskrediet maximaal 30% boven het eerder genoemde bedrag aan te houden, in verband met vergunningen en onvoorziene omstandigheden.

3.4.

Vervolgens hebben [eisers] de woning gekocht en geleverd gekregen.

3.5.

Op 5 september 2018 is [gedaagde] gestart met de verbouwingswerkzaamheden. Partijen hebben vervolgens gecorrespondeerd over de uit te voeren werkzaamheden en de daaraan verbonden bedragen. Omstreeks april 2019 is tussen partijen discussie ontstaan over de openstaande facturen van [gedaagde] en heeft [gedaagde] het werk stilgelegd, onder andere vanwege de openstaande facturen.

3.6.

Bij e-mail van 13 juni 2019 hebben [eisers] [gedaagde] in gebreke gesteld en gesommeerd om een concrete planning voor te leggen en het werk af te maken. [eisers] hebben daarbij ook opgemerkt dat als [gedaagde] het werk niet zou komen afmaken, derden ingeschakeld zouden worden om het werk af te maken.

3.7.

Bij brief van 2 juli 2019 heeft [gedaagde] betwist dat sprake is van een aannemingsovereenkomst en vaste aanneemsom. [gedaagde] heeft [eisers] hierbij gesommeerd tot betaling van het openstaande bedrag van € 18.948,76.

3.8.

Bij brief van 13 maart 2020 hebben [eisers] [gedaagde] gesommeerd hen het teveel betaalde terug te betalen en de kosten van het laten afmaken van het werk te voldoen.

4 Het geschil

in conventie

4.1.

[eisers] vorderen – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 14.506,- en € 57.486,-, vermeerderd met rente en kosten. Subsidiair vorderen [eisers] een verklaring voor recht dat [gedaagde] geen betaling meer toekomt op grond van de aannemingsovereenkomst.

4.2.

[eisers] leggen – kort gezegd – het volgende aan hun vordering ten grondslag. Partijen hebben een aannemingsovereenkomst gesloten. In dat kader hebben zij een richtprijs afgesproken van € 79.000,- met een marge van 30% tot € 102.700,-. De e-mail van 31 mei 2018 van [gedaagde] moet namelijk worden gezien als een offerte, die [eisers] hebben geaccepteerd. Bij dreigende overschrijding daarvan had [gedaagde] [eisers] moeten waarschuwen.

Partijen zijn slechts meerwerk overeengekomen met betrekking tot de achterwand van de keuken en het versterken van de balkenlagen van twee verdiepingen. Een redelijke vergoeding voor dit meerwerk is € 2.000,-. [gedaagde] had dus in totaal recht op betaling van € 104.700,-. [eisers] hebben € 71.943,- betaald aan [gedaagde] zelf en € 47.263,- aan door [gedaagde] ingeschakelde onderaannemers. Samen is dat € 119.206,-, zodat [eisers] (€ 119.206 -/- € 104.700 =) € 14.506,- teveel betaald hebben. Daarnaast hebben [eisers] € 57.486,- aan kosten gemaakt om het niet-afgemaakte werk van [gedaagde] door derden te laten uitvoeren.

4.3.

[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering en voert hiertoe – kort gezegd – het volgende aan. Partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] werkzaamheden zou uitvoeren op regiebasis. Het bedrag dat [gedaagde] heeft genoemd in de e-mail van 31 mei 2018 was een globaal bedrag, berekend op basis van het aantal vierkante meters van de woning. Het was geen offerte en het genoemde bedrag is geen richtprijs. Er waren namelijk geen definitieve plannen, materialen waren niet benoemd of uitgezocht en onduidelijk was wie wat zou uitvoeren. Ook de omvang van de werkzaamheden was nog niet bekend. [gedaagde] heeft zich dan ook niet verplicht om bepaalde werkzaamheden uit te voeren en is wat dat betreft dus ook niet in verzuim.

[eisers] hebben aan [gedaagde] € 66.282,94 betaald. [gedaagde] betwist dat [eisers] door [gedaagde] ingeschakelde onderaannemers hebben betaald. Bovendien is niet gebleken dat [eisers] de bedragen van € 47.263,- en € 57.486,- daadwerkelijk aan derden hebben betaald.

in reconventie

4.4.

[gedaagde] vordert – samengevat – veroordeling van [eisers] tot betaling van € 18.948,76 (openstaande facturen), vermeerderd met de proces- en nakosten.

4.5.

[gedaagde] legt – kort gezegd – het volgende aan zijn vordering ten grondslag. [eisers] hebben een aantal opeisbare facturen (totaal € 14.398,26) van [gedaagde] niet voldaan. Daarnaast heeft [gedaagde] werkzaamheden zonder facturen uitgevoerd of uit laten voeren voor een bedrag van € 4.550,50. Alle werkzaamheden die ten grondslag liggen aan voornoemde bedragen zijn in opdracht van [eisers] verricht. [eisers] moeten deze bedragen dan ook betalen.

4.6.

[eisers] concluderen tot afwijzing van de vordering, omdat partijen een richtprijs hadden afgesproken en [eisers] al meer heeft betaald dan waar [gedaagde] op basis daarvan recht had.

5 De beoordeling

in conventie en in reconventie

5.1.

Kern van het geschil is of partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] voldoende concreet omschreven werkzaamheden zou uitvoeren en of zij daarbij een richtprijs zijn overeengekomen.

5.2.

Vast staat dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] tegen betaling werkzaamheden in de woning zou uitvoeren. Hoe die afspraken precies zijn gemaakt is onduidelijk. Na de e-mailwisseling tussen 30 mei 2018 en 1 juni 2018 hebben [eisers] [gedaagde] telefonisch laten weten dat zij de woning gekocht hadden en hebben partijen verder gesproken over de plannen. [gedaagde] is in september 2018 begonnen met sloopwerkzaamheden in de woning.

Hoe dan ook, tussen partijen is een overeenkomst ontstaan op basis waarvan [gedaagde] ten opzichte van [eisers] verplicht was om buiten dienstbetrekking tegen betaling een werk van stoffelijke aard tot stand te brengen. Daarmee is sprake van een aannemings-overeenkomst als bedoeld in artikel 7:750 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Prijs en werkzaamheden

5.3.

In geschil is welke afspraken partijen over de prijs van de werkzaamheden hebben gemaakt. Volgens [eisers] moet het bedrag van € 79.000,- dat [gedaagde] in zijn e-mail van 31 mei 2018 heeft genoemd, als richtprijs worden gezien, met een uitloop van 30% (genoemd in de e-mail van [gedaagde] van 1 juni 2018) tot € 102.700,-. [gedaagde] betwist dit en stelt dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] op regiebasis zou werken.

5.4.

Gebleken is dat partijen geen vaste aanneemsom zijn overeengekomen.

Op grond van artikel 7:752 lid 1 BW is de opdrachtgever, indien de prijs bij het sluiten van een (aannemings)overeenkomst niet is bepaald of slechts een richtprijs is bepaald, een redelijke prijs verschuldigd. Bij de bepaling van de prijs wordt rekening gehouden met de door de aannemer ten tijde van het sluiten van de overeenkomst gewoonlijk bedongen prijzen en met de door hem ter zake van de vermoedelijke prijs gewekte verwachtingen.

5.5.

[eisers] achten de in de e-mail van 31 mei 2018 genoemde werkzaamheden voldoende duidelijk. Weliswaar zijn geen materialen en wijze van uitvoeren genoemd, maar in een dergelijk geval moeten de werkzaamheden op normale wijze worden uitgevoerd. Bovendien hadden [eisers] gezegd dat zij op dezelfde manier wilden verbouwen als de buren. De tekeningen van die verbouwing hadden zij aan [gedaagde] gemaild, net als de uiteindelijke indeling van de woning die [eisers] via de app Floorplanner hadden gemaakt. In augustus 2018 hebben [eisers] [gedaagde] de door de architect opgestelde tekeningen gegeven.

5.6.

[gedaagde] heeft naar voren gebracht dat hij het bedrag heeft genoemd kort voordat [eisers] op de woning zouden gaan bieden. Gezien de druk op de woningmarkt in [woonplaats] moest de bieding op zeer korte termijn, namelijk binnen drie dagen, worden uitgebracht. [gedaagde] heeft op 30 mei 2018 met [eisers] een kort bezoek aan de woning gebracht. Tijdens die bezichtiging hebben [eisers] een aantal zaken benoemd waarmee zij aan de slag zouden willen. In de avond heeft [gedaagde] een e-mail met een korte toelichting van [eisers] ontvangen. De plannen zouden nog nader worden uitgewerkt als [eisers] de woning daadwerkelijk zouden kopen; [eisers] zouden in dat geval in samenspraak met een architect en een constructeur tot definitieve plannen komen. [eisers] hebben aan [gedaagde] gevraagd om aan de hand van de (zeer summiere) verstrekte informatie te bekijken met welke verbouwingskosten er globaal moest worden gerekend. Over details hebben partijen in dat stadium nog niet gesproken. Er waren geen definitieve plannen en er zijn geen materialen benoemd; niet bekend was wat de omvang van de werkzaamheden zou zijn en wie wat zou uitvoeren. Pas toen [gedaagde] in september 2018 al bezig was met slopen, kreeg hij de tekeningen van de architect.

5.7.

De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat [gedaagde] toen hij het bedrag noemde, slechts kort in de woning was geweest en er nog geen definitieve plannen bestonden. [eisers] waren toen nog geen eigenaar, zij zouden nog bieden op de woning. Tekeningen van de architect kwamen pas enkele maanden later. De werkzaamheden worden in de e-mail zeer globaal aangeduid (‘koekoeks achter verhogen’, ‘nieuwe plafonds geïsoleerd’, ‘vloeren (afwerkvloeren bv hout)’) en in veel gevallen wordt zelfs volstaan met het noemen van de ruimte of het desbetreffende onderdeel (‘keuken (eigen beheer)’, ‘trap’, ‘elektra’). Er blijkt dus onvoldoende uit welke werkzaamheden precies zouden worden uitgevoerd, op welke manier c.q. met welke materialen en welke van die materialen [gedaagde] zou leveren. Wat uitvoering ‘op normale wijze’ inhoudt hebben [eisers] niet duidelijk kunnen maken.

De rechtbank acht de e-mail van 31 mei 2018 daarom onvoldoende specifiek om het daarin genoemde bedrag als richtprijs te kunnen beschouwen. Vanwege het ontbreken van een voldoende specifieke omschrijving van de te verrichten werkzaamheden kan ook niet gezegd worden dat [gedaagde] via de e-mail van 31 mei 2018 wat betreft de vermoedelijke prijs bepaalde verwachtingen heeft gewekt. Gezien de algemene en te weinig specifieke aanduiding van de werkzaamheden en de onduidelijkheid over de manier waarop opdracht aan [gedaagde] is gegeven, kan niet worden aangenomen dat [gedaagde] zich heeft verplicht tot uitvoering van een vastomlijnd werk.

5.8.

[eisers] hebben hun vorderingen uitsluitend gebaseerd op hun stelling dat de e-mail van [gedaagde] van 31 mei 2018 een (door [eisers] geaccepteerde) offerte is, waarmee [gedaagde] aanbood bepaalde werkzaamheden uit te voeren tegen een bepaalde prijs, die als richtprijs moet worden gezien. Hiervoor onder 5.7 heeft de rechtbank al geoordeeld dat de opsomming van de werkzaamheden onvoldoende specifiek is en dat geen sprake is van een richtprijs. Daarmee komt de grondslag aan de vorderingen te ontvallen. Alle vorderingen in conventie worden daarom afgewezen. Of al dan niet is afgesproken dat [gedaagde] op regiebasis zou werken, kan in het midden blijven.

5.9.

[eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de kant van [gedaagde] worden tot nu toe begroot op € 3.165,- (griffierecht € 937,- + (2 punten x tarief IV € 1.114,- = € 2.228,-)).

reconventie

5.10.

[gedaagde] vordert betaling van een bedrag van € 14.398,26 aan niet betaalde facturen en € 4.550,50 wat betreft werkzaamheden die zonder factuur zijn uitgevoerd. Volgens [eisers] ontbreekt de grondslag voor deze vordering, omdat zij al meer dan de richtprijs hebben betaald. Daarnaast zijn de vorderingen niet gespecificeerd op een manier die controle door [eisers] mogelijk maakt. Ten slotte hebben [eisers] erop gewezen dat [gedaagde] er ten onrechte van uitgaat dat [eisers] slechts € 66.282,94 aan hem zouden hebben betaald, omdat hij miskent dat [eisers] één factuur twee keer hebben betaald.

5.11.

De rechtbank verwerpt het standpunt dat een richtprijs is overeengekomen, onder verwijzing naar dat wat onder 5.7 is overwogen. Het verweer dat de facturen onvoldoende gespecificeerd zijn, is pas ter zitting gevoerd en daarmee te laat. [eisers] hadden op een eerder moment om verduidelijking kunnen vragen. Overigens zijn de facturen waarvan [gedaagde] in reconventie betaling vordert, op dezelfde manier gespecificeerd als de eerdere, wel betaalde facturen, die dus kennelijk wel voldoende duidelijk waren.

De stelling dat [eisers] een hoger bedrag hebben betaald dan het door [gedaagde] erkende bedrag van € 66.282,94, heeft zij onvoldoende onderbouwd. Weliswaar zijn verschillende overzichten van betalingen overgelegd, maar totaalbedragen ontbreken en bovendien zijn daarin ook betalingen aan anderen opgenomen, zoals aan de architect. Zonder toelichting, die ontbreekt, is niet uit de overzichten af te leiden welk bedrag [eisers] aan [gedaagde] hebben betaald.

[eisers] hebben niet gesteld dat het in rekening gebrachte bedrag niet redelijk is in verhouding met de daarvoor uitgevoerde werkzaamheden, zodat de rechtbank aan toetsing daarvan niet toekomt.

De vordering van [gedaagde] tot betaling door [eisers] van € 18.948,76 zal daarom worden toegewezen.

5.12.

[eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank begroot die kosten aan de kant van [gedaagde] tot nu toe op € 281,50 (1 punt x € 563,- (tarief III) x 0,5). De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.

in conventie en in reconventie

5.13.

[eisers] zullen ook in de nakosten worden veroordeeld, zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1.

wijst het gevorderde af;

6.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de kant van [gedaagde] begroot op € 3.165,-;

in reconventie

6.3.

veroordeelt [eisers] tot betaling aan [gedaagde] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, een bedrag van € 18.948,76;

6.4.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de kant van [gedaagde] begroot op € 281,50, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

in conventie en in reconventie

6.5.

veroordeelt [eisers] in conventie en in reconventie in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 255,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisers] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

6.6.

verklaart dit vonnis, met uitzondering van 6.1, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Auwerda en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2021.1

1 type: SA coll: IV