Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:3580

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-04-2021
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
15/870044-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Salamis: deelname aan een criminele organisatie mbt witwassen, valsheid in geschrift en Opiumwetfeiten (uitvoer verdovende middelen), gevangenisstraf van 3 jaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlemmermeer en locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/870044-19 (P)

Uitspraakdatum: 29 april 2021

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 13, 14 en 15 april 2021 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J.J. van Bree en van hetgeen verdachte en zijn raadslieden, mr. M. Landsman en mr. B. Blom, advocaten te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1: Valsheid in geschrift

hij in of omstreeks de periode van 22 januari 2015 tot en met 17 oktober 2018 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, geschrift die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst door

- een of meerdere bankafschriften op te maken, waarop bijschrijvingen staan vermeld die in werkelijkheid niet waren gedaan en/of

- facturen op te maken met bedragen die in werkelijkheid niet waren gefactureerd, te weten:

1. een factuur van [naam factuur 1] met factuurnummer 71005

2. een factuur van [naam factuur 2] met factuurnummer 17/21

3. een factuur van [ naam facturen 3 en 4] met factuurnummer 201600619

4. een factuur van [ naam facturen 3 en 4] met factuurnummer 201600810

5. een factuur van [naam factuur 5] met factuurnummer 2015.01.020

6. een factuur van [naam factuur 6] met factuurnummer 2015.003,

met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

Feit 2: Witwassen

primair

hij in of omstreeks de periode van 29 december 2014 tot en met 15 oktober 2019 te Voorschoten en/of te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, en/of te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte (telkens) (een) voorwerp(en), te weten een of meerdere (contante) geldbedragen (in totaal ongeveer €1.542.116,- euro) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet

en/of van (een) voorwerp(en), te weten een of meerdere (contante) geldbedragen (in totaal ongeveer €1.542.116,- euro) , gebruik gemaakt en/of

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit/deze voorwerp(en) voorhanden had, terwijl hij wist dat dit/deze voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/ waren uit enig misdrijf;

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 29 december 2014 tot en met 15 oktober 2019 te Voorschoten en/of te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, en/of te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een voorwerp, te weten een of meerdere (contante) geldbedragen (in totaal ongeveer €1.542.116,- euro), heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van een voorwerp, te weten een of meerdere (contante) geldbedragen (in totaal ongeveer €1.542.116,- euro) gebruik heeft gemaakt, en/of

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit/deze voorwerp(en) voorhanden had, terwijl hij redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit voorwerp - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was uit enig misdrijf;

Feit 3: Deelname criminele organisatie (11b Opiumwet)

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 15 oktober 2019 te Voorschoten en/of te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 2, artikel 3, artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet;

Feit 4: Deelname criminele organisatie (140 Sr)

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 15 oktober 2019 te Voorschoten en/of te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- artikel 225 Sr

- artikel 420bis Sr.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.

3.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.

De verdediging heeft daarnaast verzocht verdachte partieel vrij te spreken van het onder 1 ten laste gelegde, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de facturen 5 en 6 binnen de tenlastegelegde periode zijn opgemaakt.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair moet volgens de verdediging worden uitgegaan van een kortere periode en een lager witwasbedrag.

Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Voor het overige heeft de verdediging zich met betrekking tot de bewijsvraag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.2

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 (valsheid in geschrift)

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van dit feit heeft de raadsvrouw nog opgemerkt dat twee van de in de tenlastelegging genoemde facturen zijn gedateerd voor de ten laste gelegde periode. De rechtbank overweegt dat verdachte heeft verklaard dat hij al de in de tenlastelegging genoemde stukken heeft opgemaakt in 2018. De datering van de facturen is voor een bewezenverklaring dan ook niet van belang.

3.3.3

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2 primair (witwassen)

Onder feit 2 primair wordt verdachte verweten zich in de periode van 29 december 2014 tot en met 15 oktober 2019, al dan niet samen met één of meer andere personen, schuldig te hebben gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van in totaal € 1.542.116,-- en daarvan een gewoonte te hebben gemaakt.

Beoordelingskader witwassen

De rechtbank stelt vast dat de ten laste gelegde periode samenvalt met de pleegperiodes van de andere feiten waarvoor verdachte wordt vervolgd. Er valt echter geen rechtstreeks verband te leggen tussen de in de tenlastelegging vermelde gelden, en bepaalde aan de verdachte begane misdrijven.

Niettemin kan in een dergelijke situatie bewezen worden geacht dat deze gelden “uit enig misdrijf” afkomstig zijn, indien de vastgestelde feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat sprake is van een vermoeden van witwassen. Als zo’n geval zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de gelden die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de gelden waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Vaststellingen

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde op de zitting stelt de rechtbank het volgende vast. Medeverdachte [medeverdachte 1] is vanaf 29 december 2014 bestuurder en tevens aandeelhouder (95%) van de in 2010 opgerichte besloten vennootschap [bedrijf 1] (hierna aangeduid als: [bedrijf 1] ). Verdachte is van 5 december 2017 tot en met 1 november 2018 bestuurder van deze vennootschap. Activiteiten van deze vennootschap zijn volgens het handelsregister van de Kamer van Koophandel onder meer: detailhandel in auto-onderdelen en -accessoires, en handel in en reparatie van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s. Uit onderzoek in het handelsregister van de Kamer van Koophandel is gebleken dat verdachte en [medeverdachte 1] daarnaast in de periode 2015 tot en met 2019 gedurende kortere of langere tijd direct dan wel middellijk bestuurder zijn (geweest) van de volgende vennootschappen: [bedrijf 2] (verdachte sinds 12 mei 2016), [bedrijf 3] (verdachte sinds 11 augustus 2017 via [bedrijf 2]), [bedrijf 4] (verdachte sinds 12 januari 2015), [bedrijf 5] (verdachte sinds 27 december 2017 via [bedrijf 2]), [bedrijf 6] (verdachte sinds 30 oktober 2017), [bedrijf 7] BV (verdachte sinds 30 oktober 2017) en [bedrijf 8] (verdachte via [bedrijf 9] sinds 23 juli 2015) (AMB-017).

Verdachte is verder sinds 5 maart 2014 bestuurder en aandeelhouder (40%) van [bedrijf 9] ; de overige aandelen (60%) worden gehouden door zijn partner [partner verdachte] . Verdachte is in de periode 11 februari 2018 tot en met 1 december 2018 tevens als bestuurder betrokken bij [bedrijf 9] . Als bestuurders hadden verdachte en [medeverdachte 1] ieder volledige zelfstandige bevoegdheid. De hiervoor genoemde vennootschappen staan veelal ingeschreven op de woonadressen van verdachte en [medeverdachte 1] in [woonplaatsen] (AMB-017). Volgens [medeverdachte 1] vormen de hiervoor genoemde vennootschappen een bedrijfsgroep (V-001-02, p. 06), waarbinnen [medeverdachte 1] verantwoordelijk is voor de bedrijfsvoering en verdachte voor de administratie/boekhouding. Verdachte heeft verklaard dat hij vanaf ongeveer 2016 als boekhouder voor [medeverdachte 1] , die hij al langer kende en voor wie hij eerder tot ongeveer 2012 werkzaam was geweest, werkzaamheden is gaan verrichten (V-002-02, p. 6 en zijn verklaring ter zitting). Hij was ook verantwoordelijk voor de belastingaangiften van alle hiervoor genoemde vennootschappen (V-002-01, p. 11).

Contante stortingen op zakelijke rekeningen

Uit een analyse van de bankrekeningen van de vennootschappen van de bedrijfsgroep, waarop verdachte en [medeverdachte 1] als (mede)rekeninghouder betrokken zijn, volgt dat in de periode van 16 januari 2015 tot en met 4 februari 2019 op deze bankrekeningen een bedrag van in totaal € 1.390.825 contant is gestort. Het grootste deel van dit bedrag wordt gestort in 2017 (€ 409.060) en 2018 (€ 949.045). De analyse laat zien dat de contante stortingen op de bankrekeningen van de aan [medeverdachte 1] en verdachte gelieerde vennootschappen vanaf 2017 sterk toenemen. De bij de Belastingdienst opgegeven omzet van de vennootschappen bedraagt opgeteld in totaal € 144.095 voor het jaar 2017 en

€ 157.083 voor 2018 (ZD-001, p. 64). Daarmee blijft de door de vennootschappen verantwoorde omzet achter bij het totaal van de in deze jaren contant gestorte geldbedragen op rekeningen van de vennootschappen.

De ING bank heeft in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme bij de Financial Intelligence Unit (FIU) contante stortingen op rekeningen van [bedrijf 1] , [bedrijf 6] , [bedrijf 7] en [bedrijf 3] in de periode november 2017 tot en met december 2018 als verdacht/ongebruikelijk gemeld. Ook de Rabobank heeft meldingen gedaan van een drietal verdachte girale transacties (overboekingen) die plaatsvonden tussen de rekeningen van [bedrijf 6] en [bedrijf 8] in de periode 28 december tot en met 31 december 2018 (AMB-006 en AMB-098).

Er is in de mappen met administratie en op de computer bij verdachte thuis geen dan wel een incomplete administratieve vastlegging en verantwoording voor de herkomst van de contante stortingen aangetroffen; er zijn geen kasadministraties, verkoopfacturen of debiteurenadministraties.

Contante opnamen en uitgaven van zakelijke rekeningen

In dezelfde periode als waarin de contante stortingen plaatsvinden, is van de zakelijke bankrekeningen van diverse vennootschappen, voor een bedrag van in totaal € 222.870 contant opgenomen.

In de administratie zijn 30 facturen aangetroffen waarop vermeld staat dat zij contant zijn voldaan. Het gaat om een bedrag van in totaal € 90.131. Ook zijn in de administratie diverse ondertekende leenovereenkomsten (met natuurlijke personen) aangetroffen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat deze leningen contant werden uitgegeven. Het totaalbedrag van ondertekende leenovereenkomsten bedraagt € 102.000, waarvan € 30.000 per bank is verstrekt. Daarvan uitgaande moet volgens het openbaar ministerie een bedrag van

€ 72.000 contant zijn gegeven. Gelet op de hiervoor genoemde contante opnamen en uitgaven blijft er in de visie van het openbaar ministerie een saldo over van € 60.739

(€ 222.870 - € 90.131 - € 72.000) aan contante opnamen waarvan, bij gebrek aan administratieve vastlegging en verantwoording, niet duidelijk is wat ermee is gebeurd. Het openbaar ministerie is er in het voordeel van verdachte en [medeverdachte 1] vanuit gegaan dat dit contant opgenomen bedrag (€ 60.739) gedurende de onderzoeksperiode is teruggestort op een van de rekeningen van de vennootschappen, zodat dit bedrag - om mogelijke dubbeltelling te voorkomen - in het kader van de verdenking niet in het tenlastegelegde geldbedrag is opgenomen. Verder begrijpt de rechtbank dat het openbaar ministerie bij zijn berekening van het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag niet is uitgegaan van de correctie van het bedrag aan contante opnamen (€ 219.820 in plaats van € 222.870), zoals volgt uit ambtshandeling 103 (opgenomen in de aanvulling procesdossier). De rechtbank zal ook van laatstgenoemd bedrag uitgaan, aangezien dit in het voordeel van verdachte en [medeverdachte 1] is.

Contante stortingen op privébankrekeningen verdachte en [partner verdachte]

Uit het financiële onderzoek volgt verder dat op een privérekening van verdachte en twee rekeningen ten name van [partner verdachte] , de partner van verdachte, in de periode 30 december 2014 tot en met 18 maart 2019 contante stortingen plaatsvinden ter grootte van in totaal

€ 179.030. Het grootste deel van deze contante stortingen vindt plaats tussen december 2017 en maart 2019. Verdachte heeft verklaard dat het bij al deze stortingen om geld van [medeverdachte 1] gaat dat hij voorafgaand aan de stortingen contant van [medeverdachte 1] heeft ontvangen. Het geld is vervolgens deels door verdachte gebruikt voor privé-uitgaven.

Contant aangetroffen geld

Tijdens een doorzoeking in de woning van verdachte te Hoek van Holland is op 31 januari 2019 contant geld aangetroffen. Het gaat om een bedrag van omgerekend € 3.458 (3.180 Engelse ponden).

Overzicht geldbedrag

Contante stortingen op bankrekeningen vennootschappen € 1.390.825

Contante stortingen op privérekeningen verdachte en [partner verdachte] € 179.030

Aangetroffen contanten € 3.458

Subtotaal € 1.573.313

Af: saldo contante opnamen minus contante uitgaven € 60.739

Totaal bedrag € 1.512.574

Witwasvermoeden

Ten aanzien van contante stortingen op zakelijke rekeningen vennootschappen

Zoals hiervoor vastgesteld hebben verdachte en [medeverdachte 1] in de periode van 16 februari 2015 tot en met 4 februari 2019 en voornamelijk in de jaren 2017 en 2018 voor een bedrag van bijna 1,4 miljoen euro aan contante stortingen gedaan op bankrekeningen van vennootschappen waarbij zij direct of middellijk als bestuurder en of aandeelhouder betrokken waren. De hoogte van het totaal gestorte bedrag en de wijze waarop die stortingen plaatsvonden, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden dat het niet anders kan zijn dan dat deze gelden uit misdrijf afkomstig zijn. Zo gaat het om een bedrag dat in vergaande mate niet verklaard kan worden uit de bij de Belastingdienst opgegeven inkomsten uit zakelijke activiteiten, is er geen waarneembare relatie met de economische activiteiten van de vennootschappen en ontbreekt nagenoeg elke vorm van administratieve verantwoording. Daarnaast gebeurden de stortingen - ook volgens verdachte zelf - vrij willekeurig en nogal eens onder de meldgrens van € 15.000 om problemen met de bank te voorkomen. Het vervolgens veelvuldig overboeken van gelden tussen de verschillende vennootschappen zonder een bedrijfseconomische grondslag, het zogenoemde “rondpompen” van gelden is eveneens een indicatie voor het witwassen van gelden.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de contant gestorte geldbedragen aangevoerd dat verdachte niet als medepleger kan worden aangemerkt voor het bedrag van in totaal

€ 501.825 dat is gestort op de rekening van [bedrijf 1] met pasnummer 013 dat aan verdachte is uitgegeven. Verdachte heeft dit bedrag niet gestort. Op rekeningen van andere vennootschappen werden pas vanaf 28 juli 2017 contante geldbedragen gestort, zodat verdachte in de visie van de verdediging pas vanaf die datum betrokken is geraakt. Ook de contante stortingen op de rekening van [bedrijf 2] van in totaal € 194.090 zijn niet door verdachte maar door [medeverdachte 1] gestort, zodat verdachte ook ten aanzien van dat bedrag niet als medepleger kan worden beschouwd. Dit leidt er in de visie van de verdediging toe dat, voor zover de rechtbank komt tot een bewezenverklaring, de periode waarbinnen het witwassen zou hebben plaatsgevonden aanzienlijk moet worden beperkt en de hoogte van het bedrag (voor bijna de helft) naar beneden moet worden bijgesteld.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende. Verdachte heeft verklaard dat hij vanaf ongeveer 2016 als boekhouder voor de vennootschappen werkzaam is. Verder volgt uit de analyse van de bankrekeningen van de vennootschappen dat het overgrote deel van de contante stortingen plaatsvindt in 2017 en 2018. Dat geldt ook voor de stortingen die zijn gedaan op de bankrekening van [bedrijf 1] (AMB-003, bijlage 1). In die periode is verdachte bij de vennootschap betrokken, als boekhouder en vanaf eind 2017 ook als bestuurder. Met betrekking tot de rekening van [bedrijf 2] geldt dat de contante stortingen alleen in 2017 en 2018 plaatsvinden (AMB-033, p. 2) en dus in de periode dat verdachte boekhouder en bestuurder van die vennootschap is.

Hierbij is niet relevant dat verdachte de stortingen op de rekeningen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] niet zelf heeft gedaan. Ook verdachte heeft contante stortingen op rekeningen van (andere) vennootschappen horend tot de bedrijfsgroep gedaan en hij is betrokken geweest bij vervolghandelingen die op de verschillende zakelijke rekeningen plaatsvonden, zoals het overboeken van gelden tussen de rekeningen, zonder een aanwijsbare zakelijke of bedrijfseconomische grond. Bovendien was verdachte naar eigen zeggen als boekhouder verantwoordelijk voor de belastingaangiften van de vennootschappen, waaronder [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , zodat hij ook in die hoedanigheid (mede)verantwoordelijk was voor de financiële bedrijfsvoering - met inbegrip van de administratieve verwerking van gelden binnen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Verdachte kan daarmee naar het oordeel van de rechtbank verantwoordelijk worden gehouden voor alle contante stortingen op rekeningen van de vennootschappen.

Ten aanzien van contante stortingen op privérekeningen verdachte en [partner verdachte]

Het witwasvermoeden geldt naar het oordeel van de rechtbank tevens voor de contante stortingen van geldbedragen (in totaal € 179.030) die in diezelfde periode plaatsvinden op privérekeningen van verdachte en diens partner en waarvan vaststaat dat ook die gelden afkomstig zijn van [medeverdachte 1] . Het gaat ook hier om stortingen van een - bij elkaar - zeer aanzienlijk geldbedrag, waarvan verdachte enkel zegt dat het inkomsten uit bedrijfsactiviteiten van de vennootschappen zijn, die zonder enige verantwoording op zijn privérekening en de privérekeningen van zijn partner worden gestort.

Ten aanzien van het contant bij verdachte aangetroffen geld

Bij de doorzoeking in de woning van verdachte is op 31 januari 2019 een contant geldbedrag in Britse ponden aangetroffen van omgerekend € 3.458. Het in een woning voorhanden hebben van een dergelijk groot contant geldbedrag in vreemde valuta is ongebruikelijk reeds vanwege het risico op bijvoorbeeld diefstal of brand, waarbij het geld niet verzekerd is. Ook hier geldt een vermoeden van witwassen.

Afsluitend ten aanzien van het witwasvermoeden

Bij dit alles weegt de rechtbank ook nog mee dat in het onderhavige opsporingsonderzoek Salamis tevens het vermoeden is gerezen dat [medeverdachte 1] tegen betaling valse documenten - werkgeversverklaringen, salarisspecificaties ten name van [bedrijf 1] - heeft laten opmaken voor personen die zij vervolgens gebruikten om woningen te huren en dat [medeverdachte 1] met behulp van aan hem en verdachte gelieerde vennootschappen personen heeft gefaciliteerd met betrekking tot het leasen van en vervolgens doorleasen/verhuren van voertuigen en met betrekking tot het huren/verhuren van woningen, waarbij deze personen als feitelijk bestuurder of huurder buiten beeld/afgeschermd blijven. Verdachte heeft daarnaast bekend dat hij bij een belastingcontrole van [bedrijf 1] in 2018 onder meer valse/vervalste bankafschriften van deze vennootschap waarop betalingen uit hoofde van een lening op de rekening van [bedrijf 1] werden voorgewend, bij de Belastingdienst heeft ingediend.

Hoogte van het ten laste gelegde geldbedrag

Verdachte wordt ervan verdacht geldbedragen tot een totaal van € 1.542.116 te hebben witgewassen. De rechtbank stelt echter vast dat het openbaar ministerie in de door hem gemaakte berekening uitkomt op een bedrag van € 1.512.574. Van dit bedrag zal de rechtbank bij haar verdere beoordeling dan ook uitgaan. De rechtbank gaat daarbij niet mee in het door de raadsvrouw onder punt 41 en punt 42 van de pleitnota opgeworpen punt over mogelijke dubbeltellingen en de omstandigheid dat er veel meer contante geldstromen waren, aangezien dit algemeen geformuleerde bezwaar door de verdediging met oog op het dossier geenszins concreet is gemaakt of van een deugdelijke onderbouwing is voorzien, terwijl in de berekening van het openbaar ministerie in het voordeel van verdachte - en voor zover dat in verband met een gebrekkige administratie mogelijk was - al rekening is gehouden met mogelijke dubbeltellingen.

Verklaringen over de herkomst

De verklaring van verdachte komt er - kort gezegd op neer - dat [medeverdachte 1] degene is die binnen de vennootschappen van de bedrijfsgroep de uitvoerende werkzaamheden verricht, dat de contant gestorte gelden hoofdzakelijk afkomstig zijn uit leningen of Thaise activiteiten (de rechtbank begrijpt: het spaarsysteem sharing) en dat deze bedragen in overleg met [medeverdachte 1] op willekeurige bankrekeningen zijn gestort (V-002-01, p. 14). Verder heeft verdachte verklaard dat de rechtspersonen ook nog inkomsten hebben (gehad) uit de lease/verhuur van auto’s en onroerend goed. Verdachte heeft, zo begrijpt de rechtbank zijn verklaring, daarbij altijd genoegen genomen met de door [medeverdachte 1] gestelde herkomst van de gelden. Als het gaat om de administratieve verantwoording komt de verklaring van verdachte erop neer dat er, anders dan de bankafschriften en de bij hem thuis aangetroffen mappen met inhoud, geen deugdelijke administratie voorhanden is en hij nog overzichten moet maken van de uitstaande leningen en de shares.

[medeverdachte 1] heeft, gevraagd naar de herkomst van de contante stortingen van bijna 1,4 miljoen euro aangegeven dat deze afkomstig zijn uit de volgende door hem benoemde, legale bedrijfsactiviteiten, te weten:

  • -

    rendement uit sharing, een spaarsysteem van Thaise mensen;

  • -

    rendement uit verstrekte geldleningen;

  • -

    omzet uit twee Thaise massagesalons;

  • -

    omzet uit de aan- en verkopen van auto’s;

  • -

    lease/verhuur van auto’s aan derden;

  • -

    doorverhuren van onroerend goed;

  • -

    rendement uit het overboeken van geld voor Thaise mensen.

Ook heeft [medeverdachte 1] aangegeven dat het meeste geld dat in 2017 en 2018 contant op bankrekeningen van de diverse vennootschappen is gestort, afkomstig is uit sharing.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de verklaringen van verdachte en [medeverdachte 1] over de herkomst van de contant gestorte gelden niet zijn onderbouwd met enig stuk dat controle of verificatie van die herkomst mogelijk maakt. Verdachte is, als het gaat om de herkomst van de gelden, volgens zijn verklaring afgegaan op wat [medeverdachte 1] hem daarover vertelde. [medeverdachte 1] heeft met betrekking tot de door hem gestelde rendementen uit sharing steeds aangegeven dat hij geen namen wil geven van de mensen die aan deze shares meededen. Ook geeft [medeverdachte 1] aan dat hij ongeveer 200.000 tot 250.000 euro heeft afgestort voor de shares, dat hij het geld van de shares op de bankrekeningen van [bedrijf 2] , [bedrijf 1] en [bedrijf 5] stortte, afhankelijk waar geld nodig was en dat het (de rechtbank begrijpt: de shares die [medeverdachte 1] initieerde) geen bedrijfsactiviteit van één van die bedrijven is (V-001-01, p. 14 en V-001-02, p. 3). De ter zitting besproken overeenkomsten waarbij [naam 1] woonachtig in Thailand aan diverse vennootschappen geld tot een bedrag van in totaal € 980.000 heeft geleend, kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet gelden als stukken die de verklaringen over de herkomst van de gelden daarmee verifieerbaar en controleerbaar maken. Buiten dat de nodige vraagtekens zijn te plaatsen bij de echtheid van deze overeenkomsten nu deze zijn gedateerd in oktober 2017 en pas in december 2018 door verdachte zijn gemaakt, is niet gebleken dat de geleende bedragen op enig moment daadwerkelijk aan de vennootschappen zijn betaald.

Ook ten aanzien van de andere door verdachte gestelde bedrijfsactiviteiten waarmee omzet door de vennootschappen is gegenereerd, te weten de omzet uit twee Thaise massagesalons, de omzet uit de aan- en verkopen van auto’s, het doorverhuren van auto’s en het doorverhuren van onroerend goed aan derden en het rendement uit het overboeken van geld voor Thaise mensen, zijn er geen of nagenoeg geen administratieve vastleggingen gedaan. Met betrekking tot het gestelde rendement uit verstrekte geldleningen zijn leningsovereenkomsten aangetroffen in een map en op een computer bij verdachte thuis. Het gaat om ondertekende en niet ondertekende leenovereenkomsten tussen [bedrijf 1] of [bedrijf 2] en voornamelijk Thaise personen. Door deze vennootschappen zou in totaal voor een bedrag van € 154.000 aan leningen zijn verstrekt (AMB-028); voor een bedrag van € 102.000 zijn er ondertekende overeenkomsten. Het verstrekken van leningen aan natuurlijke personen is geen bedrijfsactiviteit van [bedrijf 1] . Er zijn geen zekerheden gesteld, bij sommige leningen is sprake van een woekerrente en (op schrift gestelde) afspraken over aflossingen of een administratie waarin het verstrekken van de leningen en afbetalingen daarop werden bijgehouden, ontbreken. Dit is ongebruikelijk bij een zakelijke leenverhouding. Het gaat bovendien om leningen waarvan het merendeel pas eind 2018 of begin 2019 is verstrekt. [medeverdachte 1] heeft over deze leningen verklaard dat de herkomst van het uitgeleende geld de opbrengsten uit de shares of andere activiteiten van de vennootschappen zijn. Daardoor is de herkomst van de gelden evenmin te controleren of te verifiëren. Aldus bieden deze leningsovereenkomsten in onvoldoende mate een verklaring waarmee het witwasvermoeden ten aanzien van de voornamelijk in 2017 en 2018 gestorte contante gelden wordt weerlegd. Dit leidt er ook toe dat de rechtbank niet toekomt aan het verweer van de raadsvrouw dat slechts de renteopbrengsten van het uitgeleende geld kunnen worden aangemerkt als van misdrijf afkomstig.

In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte over de herkomst van de tenlastegelegde gelden geen voldoende concrete en verifieerbare verklaring heeft afgelegd, waarnaar nader onderzoek door het openbaar ministerie geboden was.

De raadsvrouw heeft nog verwezen naar de verklaringen van [medeverdachte 1] afgelegd bij de FIOD, waarin [medeverdachte 1] per bedrijfsactiviteit heeft uiteengezet wat hij/de vennootschappen daarmee in de ten laste gelegde periode ongeveer zouden hebben omgezet. Ook hier geldt echter dat die opgegeven omzetten niet kunnen worden gecontroleerd of geverifieerd aan de hand van daarop betrekking hebbende documenten, terwijl de met die activiteiten behaalde omzetten bovendien vaak niet binnen één vennootschap zijn afgestort (willekeurig storten), hetgeen enige controle, voor zover al mogelijk, nog verder bemoeilijkt.

Daarbij komt dat de door [medeverdachte 1] opgegeven omzetten, zelfs in het geval wordt uitgegaan van de juistheid daarvan, geen afdoende verklaring vormen voor het totale bedrag dat contant op zakelijke rekeningen van de bedrijfsgroep is gestort. Op basis van die verklaringen zijn - volgens berekening van de FIOD (ZD-001, onder 9.2) - met legale bedrijfsactiviteiten inkomsten van ruim € 520.000 genoten, hetgeen de herkomst van de contante stortingen van bijna 1,4 miljoen euro niet verklaard.

Over het contant bij hem thuis aangetroffen geldbedrag heeft verdachte verklaard dat hij deze Britse Ponden een tijdje geleden van iemand heeft overgenomen, omdat hij van plan was een keer naar Schotland te gaan (V-002-01, p. 23). Verdachte zegt in zijn verhoor op 27 februari 2019 dat hij dit geld zeker al een jaar heeft liggen en dat het zijn eigen geld is. Ook ten aanzien van dit geldbedrag heeft verdachte nagelaten een onvoldoende concrete, verifieerbare verklaring te geven. Mede bezien in het licht van de inhoud van het gehele dossier, waarin verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] grote geldbedragen contant voorhanden hebben gehad en op rekeningen hebben afgestort, alsook het feit dat het gehele bedrag in coupures van 20 Britse Ponden is aangetroffen, is de rechtbank van oordeel dat het witwasvermoeden ook ten aanzien van dit contant aangetroffen geldbedrag in de woning van verdachte in stand blijft.

Opzet

De raadsvrouw heeft tot slot bepleit dat enkel schuldwitwassen (subsidiair tenlastegelegd) bewezen verklaard kan worden, aangezien verdachte uitging van wat [medeverdachte 1] hem over de herkomst van de gelden vertelden en hij dus niet wist van de criminele herkomst van de gelden en daarmee het opzet ontbreekt. Het enkele feit dat verdachte zich bewust is geweest van het risico dat de gelden van misdrijf afkomstig zouden kunnen zijn, en er ten onrechte van uit is gegaan dat dat risico zich niet zou voordoen, levert in de visie van de verdediging hooguit bewuste schuld op en is onvoldoende voor voorwaardelijk opzet.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Verdachte is gedurende de ten laste gelegde periode als boekhouder en - direct of indirect - als bestuurder betrokken bij diverse vennootschappen. In die periode, met in name 2017 en 2018, wordt onder meer door verdachte op rekeningen van deze vennootschappen alsook op zijn privérekening en op twee privérekeningen van zijn vriendin voor een zeer aanzienlijk bedrag meerdere keren contant geld afgestort, zonder dat die stortingen op enigerlei wijze in een administratie worden verantwoord en zonder dat er een relatie kan worden gelegd met de activiteiten van de betreffende vennootschap. De stortingen geschieden vaak willekeurig wat betreft de vennootschap en ook tussen de vennootschappen onderling worden veelvuldig bedragen overgeboekt (rondgepompt), dit alles zonder zakelijke, bedrijfseconomische grondslag. Ook heeft verdachte bewust stortingen onder de grens van € 15.000 gedaan om te voorkomen dat de bank moeilijk zou gaan doen en vragen zou stellen. Verdachte geeft aan te hebben vertrouwd op wat [medeverdachte 1] over de herkomst van de gelden zei en te doen wat [medeverdachte 1] hem opdroeg. Tegelijkertijd stelt de rechtbank vast dat:

- verdachte geen vragen heeft gesteld over waar [medeverdachte 1] mee bezig was omdat hij dat niet wilde weten (V-002-02, p. 3);

- verdachte wist dat [medeverdachte 1] in 2013 voor drugs (cocaïne) in het buitenland had vastgezeten (V-002-02, p. 6);

- verdachte geen vragen stelde over (de reden van) betalingen vanuit één van de vennootschappen aan de Engelse advocaat van [medeverdachte 3] die in het buitenland vast was komen te zitten in verband met drugshandel (V-002-02, p. 9) en evenmin over betalingen vanuit de vennootschap [bedrijf 1] aan gedetineerde personen;

- verdachte [medeverdachte 1] ziet als iemand die altijd is omringd door mensen die een strafblad hebben.

Verdachte heeft onder het mom van “wat niet weet, wat niet deert” geen vragen gesteld en geen enkel onderzoek verricht naar de herkomst van de gelden, waar dat wel geboden was en van hem in zijn hoedanigheid van boekhouder en bestuurder ook verwacht mocht worden. Naast het afstorten heeft verdachte ook vervolghandelingen ten aanzien van de gelden verricht: overboekingen naar andere rekeningen van vennootschappen binnen de bedrijfsgroep en privé uitgeven van gelden. In het licht van al deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte minst genomen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de contante gelden die hij van [medeverdachte 1] kreeg en afstortte, van misdrijf afkomstig waren. Het primair ten laste gelegde kan daarmee bewezen worden verklaard.

Conclusie

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat de rechtbank uitgaat van de door het openbaar ministerie gemaakte berekening van geldbedragen tot een totaal van € 1.512.574 waarvan de herkomst niet duidelijk is en tot de conclusie komt dat het niet anders kan zijn dan dat deze gelden en voorwerpen van misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dit wist. Nu de tenlastelegging uitgaat van een hoger geldbedrag, leidt dit ertoe dat de rechtbank (enkel) bewezen zal verklaren dat verdachte geldbedragen heeft witgewassen en in het kader van de strafmaat zal uitgaan van het hiervoor genoemde bedrag van € 1.512.574.

Verdachte heeft zich samen met [medeverdachte 1] schuldig gemaakt aan witwassen. Gelet op de periode en de hoeveelheid handelingen - meerdere stortingen op en overboekingen tussen zakelijke bankrekeningen en diverse stortingen op meerdere privérekeningen - die verdachte en [medeverdachte 1] hebben verricht, is de rechtbank van oordeel dat zij daarvan een gewoonte hebben gemaakt.

3.3.4

Bewijsoverweging ten aanzien van de feiten 3 en 4 (criminele organisaties)

Aan verdachte is voorts ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van valsheid in geschrift en witwassen. Verder is aan verdachte ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van Opiumwetmisdrijven.

Juridisch kader deelname aan een criminele organisatie

Volgens vaste rechtspraak is voor de bewezenverklaring van 'een organisatie' als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en artikel 11b van de Opiumwet vereist dat sprake is van een samenwerkingsverband van ten minste twee personen met een zekere duurzaamheid en structuur, dat als oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Een dergelijk samenwerkingsverband kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie. Het oogmerk van de organisatie moet gericht zijn op het plegen van misdrijven, maar niet is vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is (HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6148). Voor bewijs van het bestanddeel “oogmerk” zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie (HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008/559). Van deelneming aan een criminele organisatie is sprake indien een persoon behoort tot de organisatie, en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

Wijze van ten laste leggen
De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie ervoor heeft gekozen de beide criminele organisaties afzonderlijk en onder twee feiten ten laste te leggen. De rechtbank zal de tenlastelegging van deze feiten opvatten in die zin dat het om één en dezelfde organisatie gaat die beide soorten misdrijven tot oogmerk had. Verdachte wordt hiervan in de kern één verwijt gemaakt. Deze opvatting van de tenlastelegging is niet in strijd met haar bewoordingen en is in overeenstemming met de uitleg zoals de officier van justitie die ter terechtzitting heeft gegeven. Een en ander betekent dat tussen de beide feiten - voor zover bewezen - sprake is van eendaadse samenloop.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte in de ten laste gelegde periode heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die - kort gezegd - in het bijzonder tot oogmerk had het plegen van valsheid in geschrift en witwassen en die tot oogmerk had het plegen van Opiumwetmisdrijven. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Organisatie

[medeverdachte 1] heeft eind 2014 [bedrijf 1] opgericht en is sinds de oprichting bestuurder en aandeelhouder. Verdachte is bijna een jaar (van eind 2017 tot eind 2018) bestuurder geweest. [medeverdachte 1] is voor 95% aandeelhouder, [medeverdachte 2] voor de overige 5%. Verdachte was de boekhouder van [bedrijf 1] .

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben gedurende een periode van ruim twee jaar arbeidsovereenkomsten, werkgeversverklaringen en salarisstroken op naam van [bedrijf 1] vervalst om een fictieve werkelijkheid te creëren. Met de valse en vervalste stukken werden woningen gehuurd en onderverhuurd aan personen die zonder legaal inkomen geen woning konden huren (ZD 002, resume p. 15). [medeverdachte 2] heeft de genoemde stukken vervalst in opdracht van [medeverdachte 1] . Verdachte wist dat [medeverdachte 2] dit soort valse documenten voor [medeverdachte 1] maakte en heeft zelf ook een valse werkgeversverklaring van [medeverdachte 4] opgemaakt. Voorts heeft verdachte bankafschriften van [bedrijf 1] en facturen vervalst en heeft deze aan de Belastingdienst overlegd.

Op 31 januari 2019 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woningen van verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gingen na deze invallen gewoon door met het opmaken van valse stukken. Zo heeft [medeverdachte 2] op 23 mei 2019 ten behoeve van [naam 2] een valse werkgeversverklaring, valse bankafschriften en valse salarisspecificaties opgemaakt en heeft deze naar [medeverdachte 1] gestuurd. [medeverdachte 1] heeft de stukken doorgestuurd naar een bedrijf in woningverhuur. De gestructureerdheid van de samenwerking blijkt uit de hoeveelheid vervalste stukken, de duur van deze handelingen en het gegeven dat zelfs na de doorzoeking de vervalsingen nog werden voortgezet.

Voorts hebben [medeverdachte 1] en verdachte gedurende een periode van ruim 4,5 jaar in totaal ruim anderhalf miljoen euro witgewassen. Zowel verdachte als [medeverdachte 1] waren direct dan wel indirect bestuurder van [bedrijf 1] en diverse andere ondernemingen. Alle ondernemingen staan dan wel stonden ingeschreven op de woonadressen van [medeverdachte 1] of verdachte en deze werden door [medeverdachte 1] als één bedrijfsgroep beschouwd. Verdachte en [medeverdachte 1] hebben de bankrekeningen van deze ondernemingen structureel gevoed met honderden contante stortingen, die bewust veelal net onder de meldgrens lagen. Deze stortingen werden vervolgens willekeurig rondgepompt over de verschillende bankrekeningen van de ondernemingen, met als doel de criminele herkomst van het geld te verhullen. Er werden zonder enige zakelijke grondslag contante stortingen gedaan op de bankrekeningen van verdachte en zijn partner. Verder werden in twee jaar tijdbedragen vanaf de bankrekeningen van de ondernemingen van [medeverdachte 1] en verdachte naar de bankrekening van [medeverdachte 2] overgemaakt (in totaal ongeveer € 40.000), waarvan hiervoor is overwogen dat dit geld van misdrijf afkomstig is. Gelet op het voorgaande was er een duurzame en gestructureerde samenwerking tussen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en verdachte.

Ook ten aanzien van de bewezenverklaarde Opiumwetfeiten was sprake van een duurzame samenwerking. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij in totaal zes drugsreizen naar Ierland heeft gemaakt, waarvoor hij – nadat [medeverdachte 1] hem hiervoor had benaderd – steeds de opdracht van [medeverdachte 2] kreeg. Tijdens elke reis had hij op vaste momenten (na het passeren van de Ierse douane) telefonisch contact met [medeverdachte 1] . Voor dit telefonische contact werden steeds nieuwe simkaarten gebruikt, die door [medeverdachte 2] werden aangeschaft. Er werd tijdens de transporten gebruik gemaakt van auto’s (van het merk Ssangyong) die op naam stonden van [bedrijf 2] , een van de ondernemingen van verdachte en [medeverdachte 1] . In één van de auto’s zijn drugsresten aangetroffen. Na de aanhouding van [medeverdachte 3] heeft verdachte op verzoek van [medeverdachte 1] de factuur van de Ierse advocaat van [medeverdachte 3] betaald en hebben verdachte en [medeverdachte 2] betalingen aan [medeverdachte 3] gedaan.

Voordat [medeverdachte 3] de drugstransporten voor [medeverdachte 1] deed, heeft [medeverdachte 2] samen met [naam 3] in ruim een jaar tijd minimaal 12 ritten naar het Verenigd Koninkrijk en Ierland gemaakt. De rechtbank gaat ervan uit dat deze door [medeverdachte 2] gemaakte reizen ook verband hielden met het vervoeren van verdovende middelen. Daartoe acht de rechtbank redengevend dat [getuige 1] heeft verklaard dat [voornaam medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2]) met haar sprak over de ritjes die hij maakte naar Engeland en Ierland en dat hij tegen haar zei dat hij met drugs naar die landen reed. Haar verklaring vindt steun in de omstandigheden dat deze reizen grotendeels gefinancierd werden door verdachte, dat [medeverdachte 2] voor die reizen voertuigen heeft gebruikt die op naam van één van de ondernemingen van [medeverdachte 1] en verdachte stonden en dat de bankrekening van [medeverdachte 2] in de periode waarin de reizen plaatsvonden, voornamelijk werd gevoed met gelden afkomstig van de bankrekeningen van [bedrijf 1] en verdachte. In totaal werd in de periode van 11 december 2017 tot en met 31 december 2018 € 21.579 overgeboekt. Daarnaast werden de vaste lasten van [medeverdachte 2] in deze periode vanaf de rekening van [bedrijf 1] voldaan.

Uit de bewijsmiddelen blijkt tevens dat [medeverdachte 1] betrokken is geweest bij een drugstransport naar Noorwegen waarbij hij aan koerier [medeverdachte 4] telefonisch instructies gaf tijdens het drugstransport. In de telefoongesprekken met [medeverdachte 4] werd door [medeverdachte 1] gesproken in versluierende taal. Voorts beschikte [medeverdachte 1] over een PGP-telefoon. [medeverdachte 1] was zich er dus van bewust dat er heimelijk gecommuniceerd moest worden. Dat de hier bedoelde criminele organisatie, en niet alleen [medeverdachte 1] , bij het transport naar Noorwegen was betrokken leidt de rechtbank af uit de omstandigheid dat verdachte de koerier van dit transport ( [medeverdachte 4] ) kende, wist dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] allebei met drugs te maken hebben gehad en samen hebben vastgezeten, dat verdachte voor [medeverdachte 4] een valse arbeidsovereenkomst van [bedrijf 1] heeft opgemaakt, en dat hij heeft verklaard dat [medeverdachte 1] in juni 2017 ( [medeverdachte 4] is op 28 juni 2017 in Noorwegen gearresteerd) naar hem toe kwam om te zeggen dat [medeverdachte 4] was aangehouden in Noorwegen. Ook heeft [medeverdachte 1] een betaling aan de vrouw van [medeverdachte 4] gedaan. Van de bankrekening van [bedrijf 1] werden bovendien diverse betalingen aan gedetineerden gedaan hetgeen de indruk wekt dat er meerdere koeriers werden gebruikt.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een georganiseerd verband waarin verdovende middelen worden uitgevoerd naar diverse landen in Europa. Gezien de grote hoeveelheden verdovende middelen die in beslag zijn genomen, vereiste dit een netwerk en een grote mate van organisatie.

Op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat sprake is geweest van een zodanig bestendige en gestructureerde samenwerking tussen - in ieder geval - verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dat sprake is van een criminele organisatie.

Oogmerk

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich in de ten laste gelegde periode schuldig hebben gemaakt aan misdrijven die betrekking hebben op witwassen, valsheid in geschrift en Opiumwetdelicten. Uit het voorgaande kan het oogmerk van de organisatie op die misdrijven worden afgeleid.

Deelname

Zoals hiervoor is overwogen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. Verdachte was de boekhouder van de ondernemingen en de financiële man binnen de organisatie. Hij stortte geldbedragen op de bankrekening van [bedrijf 1] en andere vennootschappen en pompte dit geld vervolgens rond tussen de bankrekeningen van de diverse vennootschappen waarbij hij en/of [medeverdachte 1] betrokken waren. Verdachte vervalste voor de organisatie bankafschriften en facturen. Ook vonden er contante stortingen plaats op de rekeningen van verdachte en zijn partner, waarmee verdachte vervolgens privé uitgaven deed. Verdachte was ervan op de hoogte dat [medeverdachte 1] in 2013 in Frankrijk was veroordeeld wegens een drugsdelict en dat hij in de gevangenis [medeverdachte 4] had leren kennen. Verdachte wist ook dat [medeverdachte 1] was gehoord als verdachte door de Noorse autoriteiten in het onderzoek naar het drugstransport van [medeverdachte 4] . Verdachte betaalde na de aanhouding van [medeverdachte 3] in Ierland diens advocaat en stelde zijn creditcardgegevens beschikbaar aan [medeverdachte 2] voor het met grote regelmaat boeken van boottickets en hotelovernachtingen in het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten behoeve van het vervoeren van verdovende middelen. Gelet op het voorgaande had verdachte een belangrijke (financiële) rol binnen de organisatie.

Ten aanzien van de beide feiten (3 en 4) is sprake van eendaadse samenloop. De rechtbank zal hiermee rekening houden bij het bepalen van de op te leggen straf.

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1: Valsheid in geschrift
hij in de periode van 1 januari 2018 tot en met 17 oktober 2018 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, meermalen, in elk geval in Nederland geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst door

- bankafschriften op te maken, waarop bijschrijvingen staan vermeld die in werkelijkheid niet waren gedaan en

- facturen op te maken met bedragen die in werkelijkheid niet waren gefactureerd, te weten:

1. een factuur van [naam factuur 1] met factuurnummer 71005

2. een factuur van [naam factuur 2] met factuurnummer 17/21

3. een factuur van [ naam facturen 3 en 4] met factuurnummer 201600619

4. een factuur van [ naam facturen 3 en 4] met factuurnummer 201600810

5. een factuur van [naam factuur 5] met factuurnummer 2015.01.020

6. een factuur van [naam factuur 6] met factuurnummer 2015.003,

met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

Feit 2: Witwassen

primair

hij in de periode van 29 december 2014 tot en met 15 oktober 2019 te Voorschoten en te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, en te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte telkens voorwerpen, te weten meerdere (contante) geldbedragen (in totaal ongeveer €1.542.116,- euro) verworven, voorhanden gehad en/of omgezet

en van voorwerpen, te weten contante geldbedragen (in totaal ongeveer €1.542.116,- euro) , gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat deze voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig waren uit enig misdrijf;

Feit 3: Deelname criminele organisatie (11b Opiumwet)

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 15 oktober 2019 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 2, artikel 3, artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet;

Feit 4: Deelname criminele organisatie (140 Sr)

hij in de periode van 1 januari 2017 tot en met 15 oktober 2019 te Voorschoten en/of te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten onder andere [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- artikel 225 Sr

- artikel 420bis Sr.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1, 2 primair, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

feit 2 primair:

medeplegen van witwassen en daarvan een gewoonte maken

feit 3, feit 4:

eendaadse samenloop van

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vijfde lid en artikel 11, vierde en vijfde lid van de Opiumwet

en

deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, met aftrek van de tijd die verdacht in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om aan verdachte een werkstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft ruim 2,5 jaar deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich bezig hield met de uitvoer van verdovende middelen, met witwassen en met valsheid in geschrift.

Binnen de criminele organisatie zijn in ieder geval zes drugstransporten naar het Verenigd Koninkrijk en één drugstransport naar Noorwegen uitgevoerd. Er zijn twee drugstransporten door de douane onderschept. In totaal is ongeveer 51 kilo cocaïne, bijna 12 kilo heroïne, ongeveer 35 kilo amfetamine, ongeveer 335 kilo hasjiesj en ongeveer 44 kilo hennep onderschept. Verdachte was meer op afstand betrokken bij deze drugstransporten.

Aldus heeft de criminele organisatie waartoe verdachte behoort een substantiële bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit. De verspreiding van en handel in verdovende middelen gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Voorts zijn verdovende middelen zeer schadelijk voor de gezondheid.

Daarnaast heeft verdachte valse bankafschriften en facturen voor de criminele organisatie opgemaakt. Hierdoor wordt het vertrouwen geschaad dat in het maatschappelijk verkeer gesteld moet kunnen worden in documenten die strekken tot het bewijs van de daarin vermelde feiten.

Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van ongeveer 1,5 miljoen euro. Verdachte heeft samen met [medeverdachte 1] crimineel contant geld op de rekeningen van zijn ondernemingen gestort. Door zo te handelen heeft verdachte uit misdrijf verkregen gelden een schijnbaar legale herkomst gegeven.

Verdachte had binnen de criminele organisatie een substantiële rol. Verdachte was de boekhouder van de organisatie. Hij zorgde ervoor dat de advocaat van drugskoerier [medeverdachte 3] werd betaald en verstrekte zijn creditcardgegevens aan [medeverdachte 2] , die met grote regelmaat reizen naar het Verenigd Koninkrijk en Ierland maakte. Voorts kon hij met een speciaal daarvoor aangeschaft computerprogramma facturen en bankafschriften vervalsen, zodat de Belastingdienst geen argwaan zou krijgen. Daarnaast deed hij in opdracht van [medeverdachte 1] vele contante stortingen op de rekeningen van één van de ondernemingen, waarbij de stortingen bewust onder de meldgrens werden gehouden. Dit geld boekte hij daarna willekeurig over op de rekeningen van de andere ondernemingen. Ook stortte hij contante geldbedragen op zijn privérekening en op de bankrekening van zijn partner, waarmee verdachte vervolgens privé uitgaven deed. De rechtbank rekent dit verdachte aan en zal deze uitvoerende rol van verdachte betrekken bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf.

Het deelnemen aan een criminele organisatie is een delict dat de openbare orde raakt. De strafwaardigheid van deelneming aan een criminele organisatie wordt niet alleen bepaald door de organisatiegraad en het ontwrichtende karakter daarvan voor de openbare orde, maar ook door de aard van de misdrijven die worden beoogd. Opiumwetfeiten, witwassen en valsheid in geschrift over een langere periode worden als ernstige misdrijven gezien.

Het kan niet anders dan dat verdachte bij het plegen van al deze feiten steeds heeft gehandeld uit winstbejag. De rechtbank rekent verdachte dit aan.

Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten die zich over een langere periode hebben afgespeeld, acht de rechtbank een vrijheidsbenemende straf passend en geboden. Anders dan de officier van justitie heeft de rechtbank bij de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf niet meegewogen de straffen die drugskoeriers [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] in Noorwegen respectievelijk Ierland opgelegd hebben gekregen, aangezien het daarbij gaat om straffen die niet in Nederland (door een Nederlandse rechter) zijn opgelegd. Alles afwegende zal de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 jaar met aftrek van voorarrest opleggen.

7 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten geldbedragen (banksaldi en contant geld) (nrs. 3a, 3, 4, 5, 7-12 van de beslaglijst) dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de geldbedragen aan verdachte toebehoren en geheel of grotendeels door middel van de strafbare feiten zijn verkregen.

8. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven administratie (nrs. 13-22 van de beslaglijst), dient te worden teruggegeven aan verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven banksaldo van bankrekening [bankrekening 9] (nr. 6 van de beslaglijst), dient te worden teruggegeven aan [partner verdachte] , aangezien die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 47, 55, 57, 140, 420ter en 225 van het Wetboek van Strafrecht;

11b van de Opiumwet.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (DRIE) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

3a Geld Euro; totaal 1.000,00; IBG 31-01-19

3 Geld Euro; totaal 2.715,56 euro; IBG 31-01-19

4 1 STK Vorderingen; [bankrekening 1] , Bankrekening

5 1 STK Vorderingen; [bankrekening 2] , Bankrekening

7 1 STK Vorderingen; [bankrekening 3] , Bankrekening

8 1 STK Vorderingen; [bankrekening 4] , Bankrekening

9 1 STK Vorderingen; [bankrekening 5] , Bankrekening

10 1 STK Vorderingen; [bankrekening 6] , Bankrekening

11 1.00 STK Vorderingen; [bankrekening 7] o.n.v. [bedrijf 3] ; 1.996,74 euro

12 1.00 STK Vorderingen; [bankrekening 9] , o.n.v. [bedrijf 3]

6132. 90 euro

Gelast de teruggave aan verdachte van:

13 1.00 STK Ordner Kl:rood; G107365 admi [bedrijf 9]

14 1.00 STK Ordner Kl:groen; G107366 admi [bedrijf 6]

15 1.00 STK Ordner Kl:rood; G107367 admi [bedrijf 2]

16 1.00 STK Ordner Kl:blauw; G107368 admi [bedrijf 5] Beheer Bas BV

17 1.00 STK Ordner Kl:paars; G107369 admi [bedrijf 1] BV

18 1.00 STK Ordner Kl:rood; G107370 admi Banken

19 1.00 STK Ordner Kl:wit; G107371 admi [voornaam medeverdachte 1]

20 1.00 STK Ordner Kl:rood; G107372 admi BIN

21 1.00 STK Ordner Kl:rood; G107373 BIN facturen

22 1.00 STK Diverse administratie; G107378 stapeltje administratieve bescheiden

Gelast de teruggave aan de rechthebbende, te weten [partner verdachte] van:

6 1 STK Vorderingen; [bankrekening 9] , Bankrekening

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. Hoendervoogt, voorzitter,

mr. M. Mateman en mr. T. de Bont, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. L.L. de Vries en mr. A.C. ten Klooster,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 april 2021.