Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:3574

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2921
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de hoogte van de verzuimboete. De rechtbank acht de boete passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 17-5-2021
V-N Vandaag 2021/1195
FutD 2021-1613 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2021/1713
NLF 2021/1127 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/2921

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2021 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.462. Bij beschikkingen heeft verweerder een verzuimboete van € 369 aan eiser opgelegd en een bedrag van € 107 aan belastingrente in rekening gebracht.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de boetebeschikking.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de boetebeschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2021 te Haarlem.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [B] en mr. [C] .

Het beroep van de echtgenote van eiser (HAA 20/2923) is op de zitting gelijktijdig behandeld.

Overwegingen

Feiten

1. Verweerder heeft eiser uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van een aangifte ib/pvv 2018 vóór 6 december 2019.

2. Eiser heeft zijn aangifte op 13 december 2019 ingediend tegelijk met de aangifte van zijn echtgenote (fiscaal partner).

3. Verweerder heeft de aanslag ib/pvv 2018 met dagtekening 30 januari 2020 vastgesteld overeenkomstig de door eiser ingediende aangifte. Gelijktijdig heeft verweerder de onderhavige boetebeschikking en de beschikking belastingrente aan eiser opgelegd.

Geschil

4. In geschil is de hoogte van de verzuimboete.

5. Eiser neemt het standpunt in dat de aan hem opgelegde verzuimboete te hoog is. Hiertoe voert hij aan dat:

  • -

    hij zijn aangifte samen met zijn echtgenote heeft ingediend en er dus geen sprake is van twee afzonderlijke aangiften maar van een gezamenlijke aangifte;

  • -

    de boete niet proportioneel is omdat verweerder door de laat ingediende aangifte geen enkel nadeel heeft geleden;

  • -

    het doel van de wetgever - voor het opleggen van verzuimboetes - in de onderhavige zaak niet aan de orde is.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de boete tot nihil en subsidiair vermindering van de boete tot € 50.

6. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

7. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

8. Niet in geschil is dat eiser is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het indienen van de aangifte en dat hij door het vervolgens te laat indienen van de aangifte een verzuim heeft gepleegd als bedoeld in artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De boete is opgelegd overeenkomstig deze bepaling in verbinding met § 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.

9. Eiser neemt het standpunt in dat de verzuimboete gematigd moet worden.

10. De rechtbank stelt voorop dat het te laat indienen van de aangifte door de echtgenote van eiser, voor rekening en risico van eiser komt. Daarnaast kan de rechtbank de stelling van eiser - dat er geen sprake is van twee afzonderlijke aangiften maar van een gezamenlijke aangifte - niet volgen. Dat eiser en zijn echtgenote er voor hebben gekozen om de aangiften gezamenlijk in te dienen, betekent niet dat de plicht voor het tijdig indienen van de aangifte van eiser komt te vervallen. Eiser had er ook voor kunnen kiezen om zijn aangifte zelfstandig en tijdig in te dienen.

11. De overige stellingen van eiser - dat de boete niet proportioneel is omdat verweerder geen nadeel zou hebben geleden - en - dat het doel van de wetgever voor het opleggen van verzuimboetes in de onderhavige zaak niet aan de orde is - slagen evenmin. De boete is niet gekoppeld aan het te betalen bedrag aan belasting. Bij het opleggen van de boete gaat het alleen om de vraag of er (tijdig) aangifte is gedaan en niet om de vraag welk bedrag aan belasting er uit die aangifte zou rollen. Zodra de aangifte (na te zijn aangemaand) niet tijdig is gedaan, is er sprake van het begaan van het beboetbare feit en kan de boete opgelegd worden. De wetgever heeft er bewust voor gekozen om deze boete te kunnen opleggen vanwege het niet (tijdig) doen van de aangifte. De Belastingdienst moet zijn processen fatsoenlijk kunnen inrichten en heeft hiervoor bij aanslagbelastingen zoals de ib/pvv aangiften nodig van de belastingplichtigen.

12. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de financiële omstandigheden van eiser geen aanleiding geven tot matiging van de boete.

13. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van

mr. B. Bruijnzeel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.