Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:3453

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
8771475
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Huurrecht. Huur winkelruimte ex artikel 7:290 BW; contractuele boete; beroep op onvoorziene omstandigheden i.v.m. Corona-crisis verworpen maar wel matiging boete; geen huurprijsvermindering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8771475 \ CV EXPL 20-8002

Uitspraakdatum: 28 april 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Dreefzicht 't Woud B.V.

gevestigd te Beverwijk

eiseres in conventie

gedaagde in reconventie

verder te noemen: Dreefzicht

gemachtigde: Albertson & Partners c.v.

tegen

de commanditaire vennootschap C&A Nederland

gevestigd te Amsterdam

gedaagde in conventie

eiseres in reconventie

verder te noemen: C&A

gemachtigde: mr. J.M. Hummelen en mr. R.J. van Galen

1 Het procesverloop

1.1.

Dreefzicht heeft bij dagvaarding van 11 september 2020 een vordering tegen C&A ingesteld. C&A heeft schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend.

1.2.

Dreefzicht heeft vervolgens nog schriftelijk gereageerd in de zaak van de tegenvordering.

1.3.

Op 26 maart 2021 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Dreefzicht en C&A hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd.

2 De zaak in het kort

Deze zaak gaat over de vraag of een contractuele boete moet worden betaald. Het betreft de huur van artikel 7:290 BW winkelruimte en andere bedrijfsruimte. De huurder vindt dat de verhuurder geen aanspraak kan maken op de contractuele boete omdat sprake is van onvoorziene omstandigheden als gevolg van de coronacrisis. Als er al grond voor betaling van een boete zou bestaan moet deze volgens de huurder worden gematigd tot nihil dan wel een door de kantonrechter redelijk geacht bedrag. De kantonrechter is van oordeel dat de verhuurder wel aanspraak kan maken op de boete maar dat er reden is voor matiging. De huurder moet– na matiging – een deel van de boete en ook de buitengerechtelijke incassokosten betalen. Als tegenvordering vraagt de huurder om huurprijsvermindering vanwege de coronacrisis. De kantonrechter wijst die vordering af.

3 Feiten

3.1.

Dreefzicht is eigenaar van de (winkel)bedrijfsruimte aan [adres] te Haarlem , hierna ‘het gehuurde’.

3.2.

C&A exploiteert in het gehuurde een kledingwinkel onder het C&A-label, hierna ‘de Winkel’.

3.3.

Dreefzicht heeft het gehuurde op 14 november 2017 in eigendom verkregen van Redevco Nederland B.V., een bijzonder gevolmachtigde van C&A.

3.4.

Het gehuurde was ten tijde van de verkrijging verhuurd aan C&A overeenkomstig een huurovereenkomst tussen Redevco Nederland B.V. en C&A, hierna ‘de huurovereenkomst’.

3.5.

De huurovereenkomst is aangegaan per 1 september 2010 voor een periode van vijf jaar en is daarna verlengd tot 1 maart 2022. C&A heeft de huurovereenkomst op 10 februari 2021 opgezegd, zodat deze eindigt op 28 februari 2022.

3.6.

De aanvangshuur bedroeg per kwartaal € 75.000,00 aan huur en € 300,00 aan voorschot voor bijkomende leveringen en diensten, te vermeerderen met omzetbelasting.

3.7.

De periodiek verschuldigde vergoeding dient op grond van de huurovereenkomst bij vooruitbetaling voor of op de eerste dag van de periode waar de betalingen betrekking op hebben volledig te zijn voldaan.

3.8.

Het boetebeding van artikel 9.4 van de huurovereenkomst luidt, voor zover relevant voor de beoordeling:

Indien de huurder, na sommatie, gedurende acht dagen nalatig blijft in de nakoming van enige verplichting welke ingevolge de wet en/of deze overeenkomst op hem rust, verbeurt huurder aan verhuurder zonder dat ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst is vereist, een boete van € 1.000,--, geïndexeerd conform artikel 4.1 van de algemene bepalingen, voor elke dag dat huurder in gebreke blijft aan zijn verplichting(en) anders dan waarvoor art. 14 algemene bepalingen een regeling biedt, te voldoen en onverminderd het recht van verhuurder om daarnaast nakoming of ontbinding te verlangen en aanspraak te maken op vergoeding van schade, kosten en interesten. (…).

3.9.

Op 18 maart 2020 heeft C&A aan Dreefzicht per e-mail geschreven:

Als gevolg van de ongekende wereldwijde crisissituatie heeft het management van C&A Nederland besloten om alle filialen te sluiten met ingang van 19 maart 2020.

C&A Nederland verzoekt aanvullend op haar bericht aan u van heden, per ingang van 19 maart 2020 om vrijstelling van huur gedurende de periode dat de winkels gesloten zijn, C&A zal ook vanaf deze datum de huurbetaling aan haar verhuurders staken.

Voor alle partijen zeer moeilijke tijden, hoop dat u begrip kunt opbrengen voor onze keuze.

3.10.

In de bij de hiervoor genoemde e-mail gesloten brief staat onder meer:

• Zolang de COVID-19 Pandemie (…) zal voortduren, verwacht C&A voor elke winkel in haar netwerk, vanwege haar verhuurders een verlaging van de huurprijzen en andere huurlasten waarvan het percentage overeenstemt met de daling van de bezoekersaantallen en omzetcijfers in haar winkels in vergelijking met dezelfde handelsperiode in 2019.

• Voor de periode na de COVID-19 Pandemie verwacht C&A van haar verhuurders aanhoudende huurprijsaanpassingen en alle andere relevante ondersteuning, gedurende de periode dat C&A zijn bedrijfsvoering weer opbouwt naar het voorheen geldende niveau.

Wij ontvangen graag uw reactie op het bovenstaande binnen de komende 5 werkdagen. Bij gebreke aan formele reactie of bezwaar van uw kant, wordt u geacht hiermee akkoord te gaan. Wij rekenen op uw volle begrip. Enkel samen komen we deze crisis te boven.

3.11.

Bij brief en e-mail van 20 maart 2020 heeft Dreefzicht aan C&A laten weten niet in te stemmen met huurkorting of vrijstelling van huur. Voor zover relevant voor de beoordeling, wordt hierbij naar de inhoud van de brief verwezen:

Deze opstelling van C&A Nederland getuigt niet enig begrip van wat er momenteel aan de hand is. Er wordt alleen geredeneerd vanuit het belang van C&A. U gaat er volledig aan voorbij dat wij als verhuurder veel meer locaties aan retailers verhuren. Retailers die ook grote problemen ondervinden. U lijkt er ook aan voorbij te gaan dat ook wij als verhuurder verplichtingen hebben die doorlopen en waarbij nakoming van deze verplichtingen onder grote druk komen te staan door de grote onzekerheid die er thans is ontstaan. (…)

Omdat u ons “verplicht” om per direct een standpunt in te nemen zonder enig overleg en zonder dat er gelegenheid wordt geboden om de huidige situatie goed te kunnen overzien, voelen wij ons genoodzaakt om naar C&A Nederland C.V. het volgende standpunt in te nemen:

Er wordt geen huurkorting of vrijstelling van huur aan C&A Nederland C.V. verstrekt. Door de overheid worden noodmaatregelen genomen waarbij financiële steun beschikbaar wordt gesteld aan bedrijven die in problemen raken door COVID-19. Door C&A Nederland C.V. kan van deze noodmaatregelen gebruik maken;

Vanuit (lokale) overheid is er geen verplichting tot het sluiten van winkels. Door C&A Nederland C.V. is het filiaal aan [adres] op eigen initiatief gesloten. Om deze reden kan geen sprake zijn van vrijstelling van de huur of opschorting van betaling van huurpenningen;

Voor de periode van herstel van de bedrijfsvoering wordt op dit moment geen enkele toezegging door ons gedaan op aanhoudende huurprijsaanpassingen of andere relevante ondersteuning.

Wij begrijpen heel goed dat door COVID-19 en de onzekerheid die er is onder de bevolking u als retailer grote problemen ondervindt. Maar dit geldt niet alleen voor u, wij worden net zo goed hard geraakt door wat er momenteel gaande is.

3.12.

C&A heeft de huur en de servicekosten over het tweede kwartaal van 2020 voor een bedrag van in totaal € 105.671,96 (inclusief btw) niet (tijdig) voldaan.

3.13.

Dreefzicht heeft C&A bij brief van 3 april 2020 (toegestuurd per e-mail) aangemaand aan de betalingsverplichting voor het tweede kwartaal 2020 te voldoen.

3.14.

Bij brief van 22 april 2020 heeft de gemachtigde van Dreefzicht C&A gesommeerd om de betalingsverplichtingen voor het tweede kwartaal, vermeerderd met rente, boete en buitengerechtelijke kosten binnen zeven dagen te voldoen.

3.15.

C&A heeft op 8 mei 2020 een bedrag van € 318,00 voldaan, op 15 mei 2020 en 5 juni 2020 bedragen van respectievelijk € 35.118,00 en € 35.330,00 en op 26 juni 2020 een bedrag van € 105.353,96. Daarmee zijn in de huur en de servicekosten voor het tweede kwartaal van 2020 in elk geval volledig voldaan op 26 juni 2020. Op 14 juli 2020 heeft C&A nog € 35.223,96 voldaan, waardoor de huur en de servicekosten per die datum voor het derde kwartaal (ook) volledig zijn voldaan.

4 De vordering

4.1.

Dreefzicht vordert dat de kantonrechter C&A veroordeelt tot:

I. betaling van € 75.000,00 aan boete, te vermeerderen met de rente ex artikel 6:119 BW vanaf 23 juli 2020, althans vanaf 11 september 2020;

II. betaling van € 1.831,71, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag, aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de rente ex artikel 6:119 BW vanaf 11 september 2020;

III. betaling van de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, onder de bepaling dat de rente ex artikel 6:119 BW over deze bedragen verschuldigd is wanneer zij niet binnen veertien dagen na dagtekening, subsidiair twee dagen na betekening van dit vonnis zijn voldaan.

4.2.

Zij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat C&A de huurovereenkomst niet is nagekomen wegens het niet tijdig en onvolledig betalen van de huur en bijkomende kosten voor het tweede kwartaal van 2020 (wanprestatie). Om die reden is C&A een boete verschuldigd.

5 Het verweer en de tegenvordering

5.1.

C&A betwist de vordering. Zij voert aan – samengevat – dat de coronacrisis een onvoorziene omstandigheid is en dat Dreefzicht daarom geen ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst mocht verwachten voor wat betreft het moment van huurbetaling. De huurovereenkomst dient met terugwerkende kracht te worden gewijzigd in die zin dat het C&A was toegestaan betaling van de huur over het tweede kwartaal van 2020 op te schorten. Als er al grond voor betaling van enige boete zou bestaan, dient de boete te worden gematigd tot nihil dan wel een door de kantonrechter redelijk geacht bedrag, lager dan € 56.000,00, althans beperkt tot maximaal € 56.000,00 op grond van artikel 6:94 BW.

5.2.

C&A Nederland vordert bij wijze van tegenvordering dat de kantonrechter:

1. de huurovereenkomst, voor zover nodig met terugwerkende kracht, wijzigt, althans partieel ontbindt, in de zin dat:

a. de onder de huurovereenkomst door C&A aan Dreefzicht verschuldigde huurprijs (inclusief bijkomende huurlasten) wordt verminderd met 21,95%, althans met een door de kantonrechter redelijk geacht percentage, per maand, telkens wanneer en zolang:

i. in de veiligheidsregio Kennemerland ten minste het COVID-risiconiveau ‘ernstig’ geldt, althans

ii. in de veiligheidsregio Kennemerland ten minste het COVID-risiconiveau ‘zeer ernstig’ geldt,

alsmede telkens wanneer en zolang de situatie onder i, althans – indien toepasselijk – ii, hiervoor zich niet voordoet, maar wel de richtlijn van kracht is om zoveel mogelijk alleen naar de winkel te komen,

en in alle situaties met dien verstande dat de huurprijs pro rata wordt verminderd indien de relevante situatie slechts voor een gedeelte van een maand geldt; en

bij iedere sluiting van de Winkel op grond van overheidsmaatregelen en bij iedere sluiting van de Winkel door C&A omdat de overheid dusdanige maatregelen neemt dat het openhouden van de Winkel - met het oog op de gezondheid van haar klanten en/of medewerkers of om financiële redenen – niet van C& A kan worden gevergd, de huurprijs (inclusief bijkomende huurlasten) wordt verminderd met 50%, althans met een door de kantonrechter redelijk geacht percentage, per maand, zolang de sluiting geldt en met dien verstande dat de huurprijs pro rata wordt verminderd indien de sluiting slechts voor een gedeelte van een maand geldt;

2. Dreefzicht veroordeelt tot terugbetaling aan C&A van al hetgeen C&A – in het licht van de verminderde huurprijs als hiervoor onder 1. omschreven – onverschuldigd bij vooruitbetaling aan huurprijs (inclusief bijkomende huurlasten) aan Dreefzicht heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de relevante huurprijsvermindering geldt;

3. de huurovereenkomst, voor zover nodig met terugwerkende kracht, wijzigt althans partieel ontbindt, in die zin dat het C&A is toegestaan haar vordering(en) wegens onverschuldigde betaling met rente te verrekenen met hetgeen zij onder de huurovereenkomst aan Dreefzicht verschuldigd is.

Zowel in conventie als in reconventie:

Dreefzicht te veroordelen in de kosten van het geding (inclusief nakosten) met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente zal zijn verschuldigd met ingang van veertien dagen, te rekenen vanaf de datum van het dit vonnis.

5.3.

Zij legt aan de tegenvordering ten grondslag – kort weergegeven – dat door de Corona-crisis zich een ernstige, fundamentele verstoring van de waardeverhouding onder de huurovereenkomst heeft voorgedaan en daarmee is sprake van onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 6:258 BW. Er is geen sprake meer van het huurgenot dat C&A bij het aangaan van de huurovereenkomst mocht verwachten. Dit moet leiden tot aanpassing van de huurovereenkomst.

5.4.

Dreefzicht betwist de tegenvordering.

6 De beoordeling

de vordering

6.1.

Dreefzicht stelt dat C&A gedurende 75 dagen nalatig is gebleven in het voldoen aan de betalingsverplichting voor het tweede kwartaal. C&A had de betaling per 1 april 2020 moeten doen, maar heeft het verschuldigde bedrag pas op 26 juni 2020 volledig voldaan. Als gevolg daarvan heeft C&A op grond van artikel 9.4 van de huurovereenkomst een boete van € 75.000,00 verbeurd (€ 1.000,00 per dag), omdat C&A - gerekend vanaf acht dagen na aanmaning op 3 april 2020 - van 12 april tot 26 juni 2020 nalatig is gebleven in de nakoming van genoemde betalingsverplichting.

Onvoorziene omstandigheden (artikel 6:258 BW)

6.2.

C&A heeft de verschuldigdheid van de boete betwist en daartoe aangevoerd dat de coronacrisis van dien aard is dat Dreefzicht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst mocht verwachten voor wat betreft het moment van huurbetaling. Er heeft zich als gevolg van die crisis een ernstige, fundamentele verstoring van de waardeverhouding onder de huurovereenkomst voorgedaan en er is geen sprake meer van het huurgenot dat C&A bij het aangaan van de huurovereenkomst mocht verwachten. C&A zag zich als gevolg van de coronacrisis gedwongen tot sluiting van de Winkel en samen met de overheidsmaatregelen heeft dit geleid tot een aanzienlijke omzetdaling over het tweede kwartaal van 2020. De afname van het aantal klanten valt niet onder het ondernemersrisico van C&A en dient ook volgens verkeersopvattingen niet voor haar rekening te komen. Vanwege deze gewijzigde omstandigheden dient de huurovereenkomst met terugwerkende kracht te worden gewijzigd in die zin dat het C&A was toegestaan betaling van de huur over het tweede kwartaal op te schorten. Dreefzicht heeft betwist dat er een duidelijk en uitsluitend verband is tussen de coronacrisis en de te late betaling door C&A.

6.3.

Hoewel inmiddels in de rechtspraak algemeen wordt aangenomen dat de corona crisis op zichzelf als onvoorziene omstandigheid kwalificeert, heeft C&A onvoldoende gesteld voor de conclusie dat die crisis van dien aard is dat Dreefzicht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst ten aanzien van het boetebeding niet mocht verwachten. C&A heeft gesteld dat zij de Winkel met het oog op de gezondheid van haar werknemers en klanten tijdelijk (vrijwillig) heeft gesloten en dat dit samen met de in het tweede kwartaal van 2020 geldende overheidsmaatregelen ertoe heeft geleid dat de omzet voor de Winkel in aanzienlijke mate is teruggelopen ten opzichte van het tweede kwartaal in 2019, namelijk met gemiddeld 50,67% per maand. Dreefzicht heeft de omzetdaling betwist en heeft ook betwist dat enige omzetdaling het gevolg is van de coronacrisis. Gelet daarop had het op de weg van C&A gelegen om stukken over te leggen ter onderbouwing van de omzetcijfers van de Winkel in het tweede kwartaal van 2020 afgezet tegen die van het tweede kwartaal in 2019. Zij heeft dat niet gedaan. Hoewel begrijpelijk is dat C&A niet haar gehele boekhouding over 2019 en 2020 heeft overgelegd omdat dit concurrentiegevoelige informatie is, had het in de rede gelegen dat zij haar stelling feitelijk nader had onderbouwd door inzage te geven in de cijfers van de Winkel voor het tweede kwartaal van 2019 en 2020 of dat zij haar stelling op een andere manier nader had geconcretiseerd. Aangezien zij dat niet heeft gedaan - en ook niet is gebleken dat C&A daar niet toe in staat was -, ziet de kantonrechter geen aanleiding om C&A op dit punt toe te laten tot nadere bewijslevering. Dit leidt tot de conclusie dat het gestelde omzetverlies onvoldoende is onderbouwd en daarmee dat dit niet is komen vast te staan. Dat sprake zou zijn van een causaal verband tussen de (gevolgen van) de corona crisis en het niet (kunnen) betalen van de huur voor het tweede kwartaal van 2020 is daarmee ook niet komen vast te staan.

6.4.

Daarbij komt dat de huur al uiterlijk op 1 april 2020 had moeten worden betaald. De gestelde omzetdaling over het tweede kwartaal betreft de periode daarna en is in zoverre dan ook minder van belang. C&A heeft niet gesteld dat zij door de economische consequenties van de corona crisis de huur niet tijdig kón voldoen. Dreefzicht heeft wat dat betreft terecht opgemerkt dat C&A de huur op 1 april 2020 wel had kunnen betalen maar er zelf voor heeft gekozen om dat voorlopig niet te doen. In de e-mail en brief van C&A van 18 maart 2020 (r.o. 3.9 en 3.10) heeft zij immers eenzijdig meegedeeld dat zij de huur niet meer zou betalen. Bovendien heeft de bestuurder van C&A ter zitting desgevraagd bevestigd dat de huur wel had kunnen worden betaald maar dat C&A er concernbreed voor heeft gekozen om de huur van al haar filialen op te schorten en haar verhuurders in zoverre hetzelfde te behandelen. Het staat C&A vrij om een dergelijke keuze te maken maar dat betekent niet zonder meer dat Dreefzicht geen beroep meer kon doen op het boetebeding. Temeer niet omdat C&A eenzijdig heeft aangekondigd de huur op te schorten en zij vervolgens niet inhoudelijk heeft gereageerd op de gemotiveerde weigering van Dreefzicht in haar brief van 20 maart 2020 om met deze opschorting akkoord te gaan (r.o. 3.11). Voor zover C&A nog heeft willen betogen dat zij als gevolg van de coronacrisis geen cash flow had om de huur van de Winkel op 1 april 2020 te betalen en dat om die reden het vasthouden aan het boetebeding in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, had zij meer moeten stellen en stukken moeten overleggen om dat aan te tonen. Dat heeft C&A niet gedaan.

6.5.

Alles bij elkaar kan niet worden geoordeeld dat vanwege de coronacrisis de huurovereenkomst zou moeten worden gewijzigd in die zin dat de betaling van de huur mocht worden opgeschort en het boetebeding niet van toepassing zou zijn. Het beroep op onvoorziene omstandigheden wordt dan ook verworpen.

Sommatie

6.6.

Vast staat dat C&A te laat betaald heeft. C&A heeft onder verwijzing naar artikel 9.4 van de huurovereenkomst aangevoerd dat Dreefzicht haar op 3 april 2020 slechts heeft aangemaand en pas op 22 april 2020 heeft gesommeerd de achterstand in de betaling van de huur voor het tweede kwartaal te voldoen. De boete is volgens C&A daarom pas verschuldigd vanaf 1 mei 2020. Dit verweer slaagt niet. Op grond van artikel 9.4 van de huurovereenkomst verbeurt de huurder een boete als deze na sommatie gedurende acht dagen nalaat te betalen. Het enkele feit dat pas in de brief van 22 april 2020 het woord ‘sommatie’ wordt gebruikt, betekent niet dat de aanmaning van 3 april 2020 niet leidt tot het verbeuren van de boete. Nog afgezien van het feit dat ‘sommatie’ en ‘aanmaning’ taalkundig onderling uitwisselbare termen zijn, is het uitgangspunt voor de vraag of sprake is van een sommatie dat er schriftelijk wordt aangemaand om binnen een gestelde termijn een contractuele of wettelijke verplichting na te komen. Aangezien C&A in de brief van Dreefzicht van 3 april 2020 is aangemaand om binnen zeven dagen te betalen, waarbij Dreefzicht bovendien wijst op de gevolgen van niet betaling, kwalificeert de brief van 3 april 2020 als een sommatie als bedoeld in artikel 9.4 van de huurovereenkomst. Daarmee is de boete in beginsel verschuldigd vanaf, zoals Dreefzicht vordert, 12 april tot en met 26 juni 2020. De vordering tot betaling van € 75.000,00 is dan ook in beginsel toewijsbaar.

Matiging (artikel 6:94 BW)

6.7.

C&A heeft de kantonrechter verzocht om de boete te matigen in de zin van artikel 6:94 BW. Het onverkort toepassen van het boetebeding zou volgens C&A - gezien de omstandigheden - leiden tot een buitensporig en daarmee onaanvaardbaar resultaat. Daarnaast heeft Dreefzicht geen schade, omdat zij de volledige huur betaald heeft gekregen en onvoldoende heeft gesteld of onderbouwd dat zij schade heeft doordat de betaling later heeft plaatsgevonden. Ten slotte voert C&A aan dat het bedrag van € 75.000,00 aan boete disproportioneel is ten opzichte van de huursom van € 105.671,96.

6.8.

Op grond van artikel 6:94 BW kan de rechter, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, de bedongen boete matigen, met dien verstande dat hij de schuldeiser ter zake van de tekortkoming niet minder kan toekennen dan de schadevergoeding op grond van de wet. Bij toepassing van matiging dient de rechter terughoudend te zijn. Volgens vaste rechtspraak kan matiging alleen aan de orde zijn als onverkorte toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daardoor onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen.

6.9.

Bij de beoordeling van de vraag of de boete gematigd moet worden, neemt de kantonrechter het volgende in aanmerking:

  • -

    het boetebeding is niet in de algemene bepalingen, maar in de huurovereenkomst zelf opgenomen, zodat C&A deze bepaling bij het aangaan van de huurovereenkomst nadrukkelijk zelf is overeengekomen;

  • -

    gezien de strekking van het beding ziet de boete uitsluitend op aansporing tot nakoming, omdat de boete het recht van Dreefzicht om schade te vorderen onverlet laat;

  • -

    C&A heeft op 18 maart 2020 eenzijdig besloten de huur niet meer te betalen vanwege de coronacrisis. Deze situatie heeft zich niet eerder voorgedaan;

  • -

    C&A heeft op 15 mei en 5 juni 2020 deelbetalingen op de kwartaalhuur gedaan en uiteindelijk op 26 juni 2020 de huurverplichtingen voor het tweede kwartaal volledig voldaan en op 14 juli 2020 ook die voor het derde kwartaal;

  • -

    de boete betreft een vast bedrag per dag van € 1.000,00, omgerekend gelijk aan ongeveer 117% van de huur per dag;

  • -

    Dreefzicht heeft haar stelling dat zij door de late betaling van C&A heeft ingeteerd op haar reserves om verplichtingen jegens derden na te kunnen komen niet onderbouwd. De schade van Dreefzicht bestaat dan ook slechts uit vertragingsrente. Uit de uitspraak van het Europees Hof van Justitie van 9 juli 2020 (ECLI:EU:C:2020:548) vloeit voort dat een huurovereenkomst voor bedrijfsruimte een handelstransactie is die leidt tot het verrichten van diensten mits de transacties worden verricht tussen ondernemingen of overheidsinstanties. In dit geval is sprake van een huurovereenkomst tussen twee ondernemingen, zodat de wettelijke handelsrente van toepassing is bij huurachterstanden. Indien gevorderd, zou de wettelijke handelsrente verschuldigd zijn vanaf 1 april 2020 en deze zou, berekend tot 26 juni 2020 maximaal € 2.000,00 bedragen. Daarmee is de gevorderde boete van € 75.000,00 ongeveer 37 keer hoger dan de vertragingsrente die verschuldigd zou zijn.

6.10.

In de gegeven omstandigheden ziet de kantonrechter aanleiding voor matiging van de boete omdat onverkorte toepassing daarvan tot een buitensporig resultaat zou leiden. Doorslaggevend daarvoor is dat C&A alsnog voor het einde van het tweede kwartaal aan haar betalingsverplichting heeft voldaan, Dreefzicht niet heeft aangetoond meer schade te hebben geleden dan de vertragingsrente en de boete daarnaast niet proportioneel is, omdat die gelijk is aan ongeveer 117% van de huur per dag en in dit geval zo’n 37 keer hoger is dan de vertragingsrente die verschuldigd zou zijn. De kantonrechter zal de boete daarom matigen tot € 15.000,00.

Wettelijke rente over contractuele boete

6.11.

De gevorderde wettelijke rente over de contractuele boete is toewijsbaar. Voor zover gezien artikel 9.4 van de huurovereenkomst al een ingebrekestelling was vereist, is C&A – na op 15 juli 2020 in gebreke te zijn gesteld voor de betaling van de boete – op 23 juli 2020 in verzuim geraakt met die betaling. De wettelijke rente over de contractuele boete zal dan ook vanaf 23 juli 2020 worden toegewezen, zoals gevorderd.

6.12.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van Dreefzicht gedeeltelijk zal toewijzen.

6.13.

De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen eveneens worden toegewezen. De daarover gevorderde wettelijke rente zal worden afgewezen nu niet is gesteld dat Dreefzicht deze kosten al heeft betaald.

6.14.

De proceskosten komen voor rekening van C&A, omdat zij (grotendeels) ongelijk krijgt.

6.15.

De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

de tegenvordering

6.16.

C&A heeft aan de tegenvordering ten grondslag gelegd dat als gevolg van de coronacrisis sprake is van onvoorziene omstandigheden die moeten leiden tot wijziging van de huurovereenkomst. Door de maatregelen van deels gedwongen winkelsluiting is een situatie ontstaan waarin van C&A niet kan worden gevergd dat zij nog de volledige huurprijs betaalt. C&A lijdt daardoor groot nadeel vanwege omzetverlies en Dreefzicht kan niet verwachten dat de huurovereenkomst ongewijzigd in stand blijft. Dreefzicht voert daartegen onder meer aan dat C&A geen, althans onvoldoende, inzicht heeft gegeven in de gevolgen die de gebruiksbeperkende maatregelen hadden voor de omzet van dit specifieke filiaal, zodat het causaal verband tussen de overheidsmaatregelen in het kader van de corona-crisis en de gevolgen voor de omzet niet is aangetoond.

6.17.

Mede gelet op hetgeen hiervoor in 6.3 is overwogen, zal de tegenvordering (wijziging althans partiële ontbinding van de huurovereenkomst door huurprijsvermindering) worden afgewezen. C&A heeft het gestelde omzetverlies niet onderbouwd, ook niet voor de periode na het tweede kwartaal van 2020, zodat geen causaal verband is komen vast te staan tussen de gestelde economische consequenties van de corona crisis en het niet (kunnen) betalen van de huur. Onder verwijzing naar hetgeen in 6.3. is overwogen, wordt aan het door C&A gedane bewijsaanbod voorbij gegaan. C&A heeft dan ook onvoldoende gesteld voor het oordeel dat als gevolg van de coronacrisis een dermate onevenwichtigheid in de huurovereenkomst is ontstaan dat dit noopt tot (gedeeltelijke) ontbinding of aanpassing van de huurovereenkomst. Daarmee ontbreekt een grond voor het oordeel dat Dreefzicht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Het beroep op onvoorziene omstandigheden slaagt dan ook niet.

6.18.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van C&A zal afwijzen.

6.19.

De proceskosten komen voor rekening van C&A, omdat zij ongelijk krijgt.

7 De beslissing

De kantonrechter:

de vordering

7.1.

veroordeelt C&A tot betaling aan Dreefzicht van € 16.831,71, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 15.000,00 vanaf 23 juli 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;

7.2.

veroordeelt C&A tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Dreefzicht tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 85,68
griffierecht € 996,00
salaris gemachtigde € 1.496,00 (2x € 748,00),

vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

7.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

7.4.

wijst de vordering voor het overige af.

de tegenvordering

7.5.

wijst de vordering af;

7.6.

veroordeelt C&A tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor Dreefzicht worden vastgesteld op een bedrag van € 249,00 (1/2 x 2 x € 249,00) aan salaris van de gemachtigde van Dreefzicht.

7.7.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter