Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:3351

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-03-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
8655307
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Overeenkomst voor het maken van websites is tot stand gekomen. Vergoeding van de al verrichte werkzaamheden voordat de overeenkomst buitengerechtelijk is ontbonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8655307 CV EXPL 20-5982

Uitspraakdatum: 17 maart 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser] , h.o.d.n. [XX]

wonende te [woonplaats]

eiser

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. R. van Viersen

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[YY] Autoschade B.V.

gevestigd te [vestigingsplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: [gemachtigde]

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 9 juli 2020 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend.

1.2.

Op 18 februari 2021 heeft een zitting plaatsgevonden. [gedaagde] en haar gemachtigde hebben via een skype verbinding deelgenomen aan de zitting. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [eiser] bij e-mail van 6 februari 2021 nog stukken toegezonden. De kantonrechter heeft ter zitting aangegeven dat alleen de toegezonden producties in behandeling zullen worden genomen en dat het geschreven stuk buiten beschouwing wordt gelaten. [gedaagde] heeft een half uur voorafgaande aan de zitting een pleitnota toegestuurd. Zowel de kantonrechter als [eiser] hebben deze pleitnota niet (tijdig) ontvangen. Ook van dit stuk heeft de kantonrechter ter zitting aangegeven dit niet als processtuk op te nemen.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft bij brief van 21 oktober 2017 een offerte aan [gedaagde] gestuurd voor het maken van drie websites voor het bedrijf van [gedaagde] voor een totaal bedrag van € 2.394,56 exclusief btw. Het betrof een website voor het autoschadeherstelbedrijf van [gedaagde] , voor de meubelspuiterij en voor het “customizen” van scooters.

2.2.

Bij e-mail van 21 november 2017 vraagt [eiser] aan [gedaagde] of het klopt dat hij nog niets heeft gehoord op de offerte. Daarop reageert [gedaagde] op 22 november 2017 en schrijft:

Het is een beetje gekke- huis hier, ik neem snel contact met je op! Het zag er prima uit!

2.3.

Op 8 januari 2018 heeft [eiser] aan [gedaagde] onder meer per e-mail bericht:

(…)Hebben jullie nog tijd gehad voor mijn offerte? Moeten we anders even samen afspreken om deze te bespreken? (…)

2.4.

[gedaagde] heeft hierop bij e-mail van 13 februari 2018 als volgt gereageerd:

De tijd is daar om te starten, ik heb nav jou offerte even een lijstje gemaakt van wat ik moet aanleveren om te beginnen………wil jij deze aanpassen of toevoegingen aangeven, dan kunnen we een start gaan maken!

2.5.

Daarop heeft [eiser] per e-mail van 17 februari 2018 onder meer aan [gedaagde] bericht:

Wat leuk dat we kunnen beginnen, ik heb even gebeld en [ZZ] hierover gesproken (…) Wij zijn inmiddels begonnen met de eerste dingen, laten we even e.e.a. afstemmen. (…)

2.6.

In een e-mail van 7 maart 2018 van [gedaagde] aan hun hostingprovider met cc aan [eiser] , heeft [gedaagde] geschreven:

Wij hebben [XX] bereid gevonden om voor ons de website’s te vernieuwen etc. Wat deze dan nodig hebben zijn de gebruiksnaam en het wachtwoord van de host en het token van het bestaande domeinnaam. Daar zullen zij binnenkort even contact met jullie over opnemen.

2.7.

Bij e-mail van 28 maart 2018 heeft [eiser] aan [gedaagde] laten weten dat ze al bezig zijn met de website van de scooters. Ook doet hij suggesties voor een domeinnaam. Verder geeft [eiser] een aangepaste planning voor de eerste (scooter) website en vraagt hij [gedaagde] of zij zich in deze planning kan vinden. Op dezelfde datum stuurt [eiser] per e-mail ook de planning van de website voor de spuiterij en voor het autoschadebedrijf.

2.8.

Op 3 april 2018 laat [gedaagde] per e-mail onder meer weten:

Ik vind zelf [naam 1] wel goed klinken en [naam 2] . Zullen we daar mee beginnen? (…)

2.9.

Op 2 juli 2018 heeft [eiser] per e-mail een demowebsite voor de scootertak aan [gedaagde] gestuurd en op 7 mei 2019 demowebsites voor de meubelspuiterij en het autoschadeherstelbedrijf.

2.10.

Daarop reageert [gedaagde] en geeft aan dat de spuiterij en de scooterafdeling zijn opgeheven.

2.11.

Naar aanleiding van een gesprek tussen partijen op 5 juni 2019 heeft [eiser] een (nieuwe) offerte gemaakt ad € 1.637,37 en aan [gedaagde] gestuurd.

2.12.

Bij brief van 12 februari 2020 heeft de gemachtigde van [gedaagde] aan de gemachtigde van [eiser] laten weten dat uit zijn onderzoek is gebleken dat er geen daadwerkelijke opdracht is verstrekt tot het realiseren van een website en dat de door [eiser] uitgevoerde werkzaamheden voor zijn risico komen. Ook schrijft hij dat [gedaagde] kosten heeft gemaakt voor juridische bijstand van € 520,00 exclusief btw en dat van [eiser] vergoed wil krijgen.

2.13.

De gemachtigde van [eiser] heeft [gedaagde] bij e-mail van 24 juni 2020 gesommeerd om binnen 15 dagen alle content voor de drie websites aan te leveren, zodat [eiser] de websites kan afronden. Ook staat in die e-mail dat als dat niet gebeurd, [gedaagde] in verzuim is en de overeenkomst ontbonden zal worden. [eiser] zal dan schadevergoeding vorderen ter hoogte van het overeengekomen bedrag, de buitengerechtelijke incassokosten van € 414,70 en de contractuele rente van 1% per maand.

2.14.

Bij e-mail van 8 juli 2020 heeft de gemachtigde van [eiser] de overeenkomst die voortkwam uit de (eerste) offerte ontbonden en [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de daaruit voortvloeiende schade.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 2.394,56 exclusief btw, subsidiair van € 1.637,37 exclusief btw, vermeerderd met de wettelijke handelsrente. Daarnaast vordert [eiser] betaling van € 414,70 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met wettelijke handelsrente, de contractuele rente van 1% per maand over de gevorderde bedragen, subsidiair de wettelijke handelsrente vanaf de dagvaarding tot de algehele voldoening, proceskosten te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.

3.2.

Hij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] akkoord is gegaan met de offerte en er dus een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. Op die overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard. [eiser] had content nodig om de websites verder te kunnen ontwikkelen, maar die heeft [gedaagde] ondanks verzoeken daartoe en het sturen van demowebsites niet of nauwelijks gegeven. [eiser] vordert primair betaling van het overeengekomen bedrag van de eerste offerte. Omdat [gedaagde] aangaf dat de situatie veranderd was, heeft [eiser] uit een oogpunt van klantvriendelijkheid een nieuwe offerte gemaakt. Ook voor deze nieuwe offerte heeft [eiser] werkzaamheden verricht en hij vordert subsidiair betaling van die tweede offerte. Omdat [gedaagde] niet reageerde op de sommatie van 24 juni 2020 heeft [eiser] de overeenkomst op 8 juli 2020 buitengerechtelijk ontbonden. Daarnaast vordert [eiser] schadevergoeding in de vorm van buitengerechtelijke incassokosten en rente.

4 Het verweer en de tegenvordering

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering. Zij voert aan – samengevat – dat er geen overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. Uit geen van de door [eiser] gevoegde producties blijkt dat er een contractuele verhouding tussen partijen bestond. Er is ook geen getekende offerte. [eiser] heeft slechts een poging ondernomen om te komen tot het uitbrengen van een offerte, maar er is nog niet eens sprake van een precontractuele fase. [gedaagde] heeft [eiser] een nieuwe kans gegeven om te komen tot een goed geformuleerde opdracht, maar dat is niet gelukt, ook niet de derde offerte van 15 april 2020. [gedaagde] mocht van [eiser] verwachten dat hij een “smart” geformuleerde offerte uit zou brengen, maar [eiser] is daar niet in geslaagd. Ook voert [gedaagde] aan dat de tweede offerte de eerste verving en de derde offerte de tweede. [gedaagde] heeft de derde offerte afgewezen.

4.2.

[gedaagde] vordert bij wijze van tegenvordering dat de kantonrechter [eiser] veroordeelt tot betaling van € 3.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 19 augustus 2020.

4.3.

[eiser] heeft ter zitting van 18 februari 2021 de tegenvordering betwist en meegedeeld dat een onderbouwing van de tegenvordering ontbreekt.

5 De beoordeling

de vordering

5.1.

De vraag die voorligt is of er een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. De kantonrechter is van oordeel dat daarvan sprake is en overweegt daartoe het volgende.

5.2.

Artikel 6:217 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Wanneer een schriftelijk contract ontbreekt, kan de totstandkoming van een overeenkomst mede worden afgeleid uit verklaringen en gedragingen van partijen en wat zij hieruit hebben afgeleid en redelijkerwijs mochten afleiden. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval. Nu [eiser] de overeenkomst aan zijn vordering ten grondslag legt, dient hij het bestaan van die overeenkomst te bewijzen.

5.3.

De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] voldoende onderbouwt dat zijn op 21 oktober 2017 verzonden offerte door [gedaagde] is geaccepteerd. Zo heeft [gedaagde] op 22 november 2017 bericht: “Het zag er prima uit!” en op 13 februari 2018 schrijft [gedaagde] onder meer: “De tijd is daar om te starten”. Verder heeft [gedaagde] op 7 maart 2018 contact opgenomen met haar hostingprovider in verband met gegevens die [eiser] nodig had voor zijn werkzaamheden en reageert [gedaagde] op 3 april 2018 op de door [eiser] gedane suggesties voor een domeinnaam voor de scooterwebsite. Ook heeft [eiser] [gedaagde] gevraagd om content voor de websites en planningen en demo’s van de websites aan [gedaagde] gestuurd. [eiser] mocht er op grond van de verklaringen en gedragingen van [gedaagde] gerechtvaardigd op vertrouwen dat [gedaagde] de offerte had geaccepteerd en er dus een overeenkomst tussen partijen tot stand was gekomen. Het verweer dat nergens uit blijkt dat er een overeenkomst is gesloten wordt daarom verworpen.

5.4.

Vervolgens dient te worden beoordeeld welke werkzaamheden van [eiser] door [gedaagde] dienen te worden vergoed. [eiser] heeft de drie op 21 oktober 2017 geoffreerde websites niet (geheel) kunnen leveren aan [gedaagde] omdat hij nog gegevens nodig had van [gedaagde] om de sites te “vullen”. [eiser] heeft die gegevens aanvankelijk gevraagd aan [gedaagde] maar niet gekregen. Bij brief van 24 juni 2020 heeft [eiser] [gedaagde] gesommeerd om binnen 15 dagen alle content voor de drie websites te leveren, zodat [eiser] die kon afmaken. Omdat [gedaagde] aan die sommatie geen gehoor heeft gegeven heeft [eiser] de overeenkomst op 8 juli 2020 buitengerechtelijk ontbonden. Dat betekent dat [eiser] bevrijd is van het verrichten van verdere werkzaamheden en dat voor al verrichte werkzaamheden een ongedaanmakingsverbintenis ontstaat. Nu [eiser] de werkzaamheden al grotendeels had verricht (en ongedaanmaking niet meer mogelijk is) heeft hij recht op vergoeding van de reeds verrichte werkzaamheden (en geleden schade). Ter zitting heeft [eiser] desgevraagd meegedeeld dat hij 90% van de werkzaamheden aan de websites al had verricht. Door [gedaagde] is nog aangevoerd dat zij niets van de websites heeft gezien. Deze stelling is uitdrukkelijk en onderbouwd door [eiser] weersproken (zie hiervoor 2.9), zodat dit verweer wordt verworpen. Ook het nadere verweer van [gedaagde] dat de werkzaamheden van [eiser] een jaar stil hadden gelegen wordt verworpen. Niet is gesteld of gebleken dat partijen een fatale termijn voor het afleveren van de websites hadden afgesproken, noch is gebleken dat [gedaagde] [eiser] heeft aangemaand of ingebrekegesteld tot het (af)maken en leveren van de websites. De conclusie is dan ook dat [gedaagde] 90% van het overeengekomen bedrag van € 2.394,56 aan [eiser] verschuldigd is voor het leveren van de overeengekomen websites, zijnde € 2.155,00 (afgerond).

5.5.

[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De niet weersproken buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen volgens het wettelijk tarief dat hoort bij de hoofdsom waartoe [gedaagde] zal worden veroordeeld. De toe te wijzen buitengerechtelijke incassokosten komen daarmee op € 391,13. Ook de niet betwiste contractuele rente van 1% per maand is toewijsbaar over de hoofdsom van € 2.155,00. Voor toewijzing van de gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten is geen grond, omdat niet is gesteld of gebleken dat deze kosten daadwerkelijk zijn betaald.

5.6.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt. De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis. Daarbij wordt [gedaagde] ook veroordeeld tot betaling van € 109,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiser] worden gemaakt.

de tegenvordering

5.7.

[gedaagde] heeft de grondslag van haar tegenvordering ter zitting aangevuld. Zij vordert betaling van kosten van juridische bijstand. Nu [gedaagde] in conventie (grotendeels) in het ongelijk wordt gesteld, zal deze vordering worden afgewezen.

5.8.

De kantonrechter ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin, dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

de vordering

6.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 2.155,00 exclusief btw, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand vanaf 9 juli 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 391,13 aan buitengerechtelijke incassokosten;

6.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiser] tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 87,99
griffierecht € 236,00
salaris gemachtigde € 436,00 , vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

6.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 109,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiser] worden gemaakt;

6.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.6.

wijst de vordering voor het overige af.

de tegenvordering

6.7.

wijst de vordering af;

6.8.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.9.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter