Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:3316

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
03-05-2021
Zaaknummer
C/15/310511 / HA ZA 20-750
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden en verdeling van eenvoudige gemeenschappen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/310511 / HA ZA 20-750

Vonnis van 21 april 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. M.M. Mok te Groningen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. E.H. Jansen te Groningen.

Partijen zullen hierna “de man” en “de vrouw” genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 9;

  • -

    het herstelexploot van 24 november 2020;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie met producties 1 en 2;

  • -

    het tussenvonnis van 27 januari 2021;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie tevens overlegging aanvullende producties 11 tot en met 14;

  • -

    de brief d.d. 3 maart 2021 met de akte indienen stukken met productie 3 van [gedaagde].

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 maart 2021, in verband met de Covid-19 maatregelen via een Skypeverbinding. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 29 februari 1988 gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden. Bij beschikking van 13 november 2019 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 4 maart 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

In de akte van huwelijksvoorwaarden is – voor zover thans van belang – het navolgende opgenomen:

Artikel 5.

1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, (…) worden voldaan uit de inkomens der echtgenoten naar evenredigheid daarvan; voorzover deze inkomens ontoereikend zijn, worden deze kosten voldaan uit ieders vermogen naar evenredigheid daarvan.

(…)

Artikel 8.

1. De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hun inkomen in de zin van artikel 5, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding samen te voegen ter verdeling bij helfte.

2. De deling heeft plaats doordat de ene echtgenoot aan de andere een bedrag uitkeert, zo, dat ieder van hen de helft geniet van de door de samenvoeging ontstane som.

(…)”

3 Het geschil

in conventie en in reconventie

3.1.

Partijen hebben, in conventie dan wel in reconventie, de rechtbank verzocht over te gaan tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en tot verdeling van de goederen die zij in gemeenschappelijk eigendom hebben. Zij hebben daarbij over en weer voorstellen tot de verrekening en verdeling gedaan. Beide partijen hebben verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Gelet op de nauwe samenhang van de vorderingen in conventie en in reconventie, zal de rechtbank deze vorderingen tezamen beoordelen.

4.2.

Vast staat dat er tijdens het huwelijk van partijen geen verrekening op grond van artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden heeft plaatsgevonden. Op grond van artikel 1:141 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) wordt in dat geval het aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en de omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Tussen partijen bestaat geen verschil van mening over de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen. Partijen hebben ter zitting desgevraagd aangegeven dat zij van mening zijn dat er sprake is van een gemeenschap van goederen en dat alles een “grote hoop” was. De rechtbank leidt daaruit af dat partijen bedoelen dat het te verrekenen vermogen bij helfte dient te worden verdeeld. De rechtbank zal dit bij afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden als uitgangspunt nemen.

4.3.

Peildata

4.3.1.

Partijen zijn het er over eens dat als peildatum voor de samenstelling van het vermogen dient te worden uitgegaan van 7 augustus 2019, de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding. Tevens zijn partijen het eens over de peildatum ten aanzien van de waardering van de verschillende vermogensbestanddelen, namelijk de waarde van deze vermogensbestanddelen ten tijde van de verrekening. Tot de omvang van het te verreken en te verdelen vermogen behoren de hierna 4.4 tot en met 4.11 opgenomen vermogensbestanddelen.

4.4.

Echtelijke woning en de hypothecaire geldschuld

4.4.1.

De gemeenschappelijk aan partijen in eigendom toebehorende echtelijke woning aan de [adres] was belast met een hypothecaire lening. Partijen hebben deze woning verkocht aan een derde. De hypothecaire lening en de overige verkoopkosten zijn in mindering gebracht op de verkoopopbrengst. Er resteert een bedrag van € 102.971,98, welk bedrag in depot bij de notaris staat. Niet in geschil is dat dit depot (te vermeerderen met eventuele rente en onder aftrek van eventuele kosten) ieder van partijen bij helfte toekomt. De rechtbank zal zo beslissen. Verder zal de rechtbank de vrouw veroordelen aan de notaris opdracht te geven voor de uitbetaling van het depot aan ieder van partijen bij helfte. De rechtbank ziet geen aanleiding om de vrouw opdracht te geven dat bij de uitbetaling van het depot rekening wordt gehouden met de overige vorderingen van partijen omdat de hoogte van een deel van de vorderingen nog niet vast staat. Dat neemt niet weg dat partijen dit wel in onderling overleg een verrekening kunnen laten plaatsvinden.

4.5.

Beleggingsrekening

4.5.1.

Partijen hebben tezamen een beleggingsrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 1] afgesloten bij de BinckBank. De vrouw heeft na verkoop van de aandelen het saldo van € 82.040,- overgeboekt naar haar privérekening bij de Rabobank. Blijkens de door de man overgelegde productie 14 staat er nog een resterend saldo van

€ 40,36 op de beleggingsrekening. De rechtbank begrijpt dat de man verzoekt het resterende saldo eveneens bij helfte te verdelen. Ter zitting is gebleken dat partijen het eens zijn dat ieder van hen aanspraak heeft op de helft van voornoemde bedrag van € 82.040,- en op het resterende saldo van de deze beleggingsrekening. De rechtbank gaat er van uit dat partijen de beleggingsrekening vervolgens zullen opheffen.

4.6.

Het saldo op de bankrekeningen [rekeningnummer 2] op naam van de man en [rekeningnummer 3] op naam van de vrouw

4.6.1.

Het saldo op de bankrekening van de man bedroeg op de peildatum € 2,62. Het saldo op de bankrekening van de vrouw bedroeg op de peildatum € 16,53.

4.6.2.

Partijen zijn het eens dat zij ieder aanspraak hebben op de helft van deze saldi. De vrouw dient derhalve een bedrag van € 6,96 aan de man te voldoen. Gelet hierop hebben partijen geen belang bij overlegging van bankafschriften door de ander. Die vorderingen worden afgewezen.

4.7.

Auto

4.7.1.

Partijen hebben in gemeenschappelijk eigendom een auto, merk Opel, type Agila met kenteken [kenteken 1] De auto is op dit moment in gebruik bij de man. Partijen zijn ter comparitie overeengekomen dat de waarde van de auto kan worden gesteld op een bedrag van € 2.500,-. Tevens zijn partijen overeengekomen dat de auto aan de man zal worden toegedeeld onder de bepaling dat hij wegens overbedeling de helft van de waarde van

€ 2.500,-, zijnde € 1.250,- aan de vrouw dient te voldoen.

4.8.

Boot

4.8.1.

Partijen hebben in gemeenschappelijk eigendom een boot, merk Boston Wahler met registratienummer [nummer] Partijen zijn ter comparitie overeengekomen dat de waarde van de boot kan worden gesteld op een bedrag van € 1.000,-. Tevens zijn partijen overeengekomen dat de boot aan de man zal worden toegedeeld onder de bepaling dat hij wegens overbedeling de helft van de waarde van € 1.000,-, zijnde € 500,- aan de vrouw dient te voldoen.

4.9.

Motor

4.9.1.

Partijen hebben in gemeenschappelijk eigendom een motor, merk BMW met kenteken [kenteken 2]. Partijen zijn ter comparitie overeengekomen dat de waarde van de motor kan worden geschat op een bedrag van € 800,-. De man zal zorg dragen voor verkoop van de motor. De rechtbank beveelt de man tot verkoop van de motor over te gaan en ter bewijs een verkoopkwitantie dan wel een afschrift van de overboeking per bank te overleggen aan de vrouw. In dit kader dient de man wegens overbedeling de helft van de uiteindelijke verkoopwaarde aan de vrouw te voldoen.

4.10.

Inboedel

4.10.1.

De man vordert te bepalen dat de gemeenschappelijke inboedel reeds tussen partijen is verdeeld. Er is geen sprake van overbedeling aan zijn zijde.

4.10.2.

De vrouw betwist dat de inboedelgoederen zijn verdeeld. Zij heeft op 11 september 2019 door de deurwaarder maritaal beslag laten leggen op alle inboedelgoederen, welke aanwezig waren in de echtelijke woning. Ondanks het gelegde beslag heeft de man de inboedelgoederen de volgende dag meegenomen dan wel verkocht. De vrouw stelt de waarde van de meegenomen en de verkochte inboedelgoederen op een bedrag van

€ 25.000,- en vordert ter zake van overbedeling van de man een bedrag van € 12.500,-.

4.10.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Partijen verschillen van mening over de omvang en de waarde van de inboedel en, in het bijzonder, over de vraag wie welk deel van de inboedel feitelijk onder zich heeft genomen. Geen van beide heeft onderbouwd wat de waarde en de omvang van de inboedel is en evenmin is enig inzicht gegeven in de waarde van de zaken die partijen op dit moment reeds onder zich hebben. De rechtbank kan niet beoordelen of de inboedel reeds feitelijk bij helfte is verdeeld. Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank evenmin enig aanknopingspunt om zelf de wijze van verdeling van de inboedel vast te stellen. De vorderingen van de man en de vrouw zullen worden afgewezen.

4.11.

Eenmanszaak [naam]

4.11.1.

De vrouw vordert de eenmanszaak [naam] (hierna: de eenmanszaak) zonder verrekening aan de man toe te delen met alle lusten en lasten, waaronder de belastingaanslagen op naam van de vrouw voor zover deze verband houden met de eenmanszaak. De vrouw stelt dat de eenmanszaak tot 13 augustus 2019 op haar naam stond maar in werkelijkheid werd gedreven door de man. De eenmanszaak stond op naam van de vrouw omdat het voor de man niet mogelijk was om een onderneming op zijn naam te drijven in verband met een UWV-uitkering.

4.11.2.

De man voert aan dat het niet mogelijk is de eenmanszaak aan hem toe te delen omdat het geen gemeenschappelijk goed is. De eenmanszaak stond immers op naam van de vrouw. Ten aanzien van de belastingaanslagen voert de man aan dat de vrouw ten onrechte btw in rekening heeft gebracht bij opdrachtgevers en niet afgedragen aan de belastingdienst. Deze bedragen zijn door de vrouw geïnd en reeds door haar uitgegeven dus komen voor haar rekening, aldus de man.

4.11.3.

Partijen hebben desgevraagd ter zitting meegedeeld dat de eenmanszaak is te beschouwen als een eenvoudige gemeenschap. De eenmanszaak is per 13 augustus 2019 uitgeschreven bij het handelsregister. Omdat de eenmanszaak niet meer bestaat en er ook geen activa meer zijn, kan deze niet worden verdeeld. Wel zijn beide partijen ieder voor de helft draagplichtig met betrekking tot de schulden die verband houden met de exploitatie van de eenmanszaak. Eventuele (nog te betalen) belastingaanslagen komen dus voor rekening van partijen, ieder voor de helft. De vordering van de vrouw zal worden afgewezen.

4.12.

Vaste lasten

4.12.1.

De vrouw stelt dat zij, na het verlaten van de echtelijke woning op 15 juli 2019 tot de datum van levering van de woning op 17 februari 2020, de kosten voor de hypotheek en de overige vaste lasten heeft betaald. In totaal een bedrag van € 6.113,55. Zij vordert dat de man de helft van dit bedrag, zijnde € 3.056,78 aan haar dient te betalen. Ter zitting heeft de vrouw desgevraagd aangegeven dat zij niet langer aanspraak maakt op de betaling van de hypotheekrente van het gehele bedrag inzake de maanden juli en augustus 2019.

4.12.2.

De man erkent dat partijen in hun onderlinge verhouding over de periode 7 augustus 2019 tot en met 7 februari 2020 ieder voor de helft bij moeten dragen in de gemeenschappelijke lasten van de woning.

Ten aanzien van de overige vaste lasten zoals de gemeentelijke belastingen, het waterbedrijf en Eneco betwist de man dat hij de helft daarvan dient te betalen omdat het onduidelijk is waarop deze bedragen betrekking hebben. Het is mogelijk dat deze bedragen betrekking hebben op een andere woning van de vrouw, volgens de man.

4.12.3.

De rechtbank overweegt als volgt. De man erkent dat hij voor de helft draagplichtig is voor de hypotheekrente. De man dient de helft van de door de vrouw betaalde hypotheekrente van € 3.189,19 (€ 654,19 (24/31 van 845,-) plus drie keer € 854,-), derhalve een bedrag van € 1.594,60 te voldoen aan de vrouw.

4.12.4.

Voor stelling van de man dat de door de vrouw betaalde vaste lasten betrekking kunnen hebben op een andere (eigen) woning van de vrouw, heeft de man geen enkel aanknopingspunt gegeven, Dat verweer faalt. Ook de stelling van de man dat hij andere kosten, zoals de kosten van de kinderen, voor zijn rekening heeft genomen doet niet af aan het feit dat hij mee moet dragen in de kosten verbonden aan de echtelijke woning. Al was het maar omdat de man heeft nagelaten te vermelden op welke (rechts)grond de vrouw in die andere kosten zou moeten bijdragen. De door de vrouw betaalde overige vaste lasten bedragen in totaal € 1.888,55. De man dient de helft van dit bedrag, derhalve € 944,28 te voldoen aan de vrouw.

4.13.

Dwangsom

4.13.1.

De man heeft gevorderd dat de rechtbank dwangsommen aan de veroordelingen van de vrouw verbindt. Die vordering wordt bij gebrek aan onderbouwing daarvan afgewezen.

4.14.

Proceskostenveroordeling

4.14.1.

De man vordert dat de vrouw wordt veroordeeld in de kosten van het geding. Uitgangspunt is dat, gelet op de relatie tussen partijen, de proceskosten tussen partijen zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank ziet geen aanleiding van voormeld uitgangspunt af te wijken en zal de vordering van de man dan ook afwijzen. De proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1.

bepaalt dat het bij notaris N.H. Wessel te Paterswolde in depot staande bedrag van € 102.971,98, te vermeerderen met de nog te vergoeden wettelijke rente en onder aftrek van eventuele kosten aan ieder van partijen voor de helft toekomt en veroordeelt de vrouw binnen zeven dagen na de datum van dit vonnis opdracht te geven aan Notaris N.H. Wessel te Paterswolde (hierna: de notaris) het in depot staande bedrag bij de notaris ten bedrage van € 102.971,98, onder aftrek van eventuele kosten, aan ieder der partijen de helft uit te betalen,

5.2.

bepaalt dat de vrouw aan de man ter zake van de beleggingsrekening [rekeningnummer 1] een bedrag dient te betalen van € 41.020,- en dat het resterende saldo op deze rekening bij helfte door partijen zal worden verdeeld,

5.3.

bepaalt dat de vrouw aan de man ter zake van het saldo van de bankrekeningen een bedrag dient te betalen van € 6,96,

5.4.

bepaalt dat de man tot verkoop van de motor BMW, kenteken [kenteken 2] over te gaan, ter bewijs een verkoopkwitantie dan wel een afschrift van de overboeking per bank te overleggen aan de vrouw en wegens overbedeling de helft van de uiteindelijke verkoopwaarde aan de vrouw te voldoen,

5.5.

bepaalt dat de auto Opel Agile, kenteken [kenteken 1] aan de man wordt toegedeeld onder de gehoudenheid van de man aan de vrouw te voldoen € 1.250,-,

5.6.

bepaalt dat de boot Boston Whaler, registratienummer [nummer] aan de man wordt toegedeeld onder de gehoudenheid van de man aan de vrouw te voldoen € 500,-,

5.7.

veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen, ter zake van de hypotheekrente en overige vaste lasten over de periode 7 augustus 2019 tot en met 17 februari 2020, een bedrag van € 2.538,88,

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.10.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2021.1

1 type: DdD coll: JG