Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:3265

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
22-04-2021
Zaaknummer
HAA 20 - 3284
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Referteperiode WW. In dit bijzondere geval dient bij de vaststelling van de referteperiode artikel 2, achtste lid en onder a, van het Dagloonbesluit buiten toepassing te worden gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/3284


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 april 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. P. Nicolai).

Procesverloop

In het besluit van 8 november 2019 (primair besluit) heeft verweerder met ingang van 6 november 2019 aan eiser een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend.

In het besluit van 29 april 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2021. Eiser is verschenen. Op verzoek van de gemachtigde van verweerder heeft de zitting (deels) digitaal plaatsgevonden via een Skype-verbinding (te weten een geluidsverbinding met beeld). Hierbij was sprake van een hybride zitting in die zin dat verweerders gemachtigde niet fysiek in de zittingszaal aanwezig was.

Overwegingen

De feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Van 3 april 2017 tot en met 7 juli 2017 heeft eiser stage gevolgd bij [bedrijf] B.V. ( [bedrijf] ). Met ingang van 1 september 2017 heeft eiser bij [bedrijf] in dienstbetrekking gewerkt. Op 8 november 2017 is hij wegens ziekte uitgevallen. Gedurende zijn ziekte heeft eiser zijn loon gedeeltelijk doorbetaald gekregen. Eisers dienstverband bij [bedrijf] is op 18 september 2019 beëindigd. Vanaf 18 september 2019 tot en met 5 november 2019 heeft eiser vervolgens een uitkering ingevolge de Ziektewet ontvangen.

1.2.

Op 16 augustus 2019 heeft eiser een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aangevraagd. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Hierna heeft eiser een WW-uitkering aangevraagd. Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit genomen, waarbij het dagloon in de referteperiode is vastgesteld op € 61,50.

Het geschil

2. In geschil is of verweerder de referteperiode terecht heeft vastgesteld met toepassing van artikel 2, achtste lid en onder a, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit). Eiser heeft deze vraag in beroep ontkennend beantwoord.

3. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van het Dagloonbesluit heeft eiser betoogd dat artikel 2 van het Dagloonbesluit is gewijzigd om te voorkomen dat werknemers door ziekte in de referteperiode geconfronteerd zouden worden met een lager dagloon dan wanneer zij niet ziek zouden zijn geweest in de referteperiode. Hieruit volgt dat ziekte niet nadelig van invloed mag zijn op de hoogte van het dagloon. Door artikel 2, achtste lid en onder a, van het Dagloonbesluit in deze zaak toe te passen, heeft verweerder in strijd gehandeld met de bedoeling van de wetgever. Daarnaast heeft eiser betoogd dat het in zijn situatie vastgestelde dagloon geen redelijke afspiegeling is van het welvaartsniveau van eiser. Omdat de door verweerder vastgestelde referteperiode in dit geval erg nadelig uitpakt, moet de berekening van het dagloon volgens eiser gebaseerd zijn op een referteperiode waarin zijn inkomen over een periode voorafgaande aan zijn arbeidsurenverlies zo goed mogelijk wordt weerspiegeld.

4. In beroep heeft verweerder geen aanleiding gezien om terug te komen op het bij het bestreden besluit ingenomen standpunt. Eiser is een zogeheten zuivere 35-minner waarvoor de referteperiode van één jaar eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaand aan het aangiftetijdvak waarin de ongeschiktheid is ingetreden. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de referteperiode volgens de geldende wet- en regelgeving correct is vastgesteld. De omstandigheid dat een bepaling uit het Dagloonbesluit voor een betrokkene ongunstige gevolgen heeft, biedt niet de mogelijkheid om een ander dagloon vast te stellen.

Het wettelijk kader

5.1.

Artikel 23, eerste lid, van de WIA bepaalt dat voor de verzekerde een wachttijd van 104 weken geldt voordat hij aanspraak kan maken op een uitkering op grond van deze wet.

5.2.

Artikel 1b, eerste lid, van de WW bepaalt dat voor de berekening van de hoogte van de uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat als dagloon wordt beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, is ingetreden, verdiende (…).

5.3.

Artikel 1b, zesde lid, van de WW bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld.

Deze nadere regels zijn vastgesteld in het Dagloonbesluit.

5.4.

Artikel 2, eerste lid, van het Dagloonbesluit bepaalt dat onder referteperiode wordt verstaan de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies is ingetreden.

Het achtste lid en onder a van dit artikel bepaalt in afwijking van het eerste lid dat onder referteperiode wordt verstaan de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden indien na afloop van de wachttijd, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA geen recht op uitkering op grond van de Wet WIA ontstond, omdat de verzekerde minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

De beoordeling van het geschil

6.1.

De WW-uitkering wordt berekend naar het dagloon in de referteperiode. In artikel 2 van het Dagloonbesluit is bepaald hoe de referteperiode wordt vastgesteld. Niet in geschil is dat verweerder met toepassing van artikel 2, achtste lid en onder a, van het Dagloonbesluit, de referteperiode in deze zaak correct heeft vastgesteld op de periode van 1 november 2016 tot en met 31 oktober 2017. Het geschil spitst zich toe op de vraag of dit in het geval van eiser redelijk is.

6.2.

Artikel 2, achtste lid, van het Dagloonbesluit is ingevoegd bij Besluit van 24 oktober 2016 tot wijziging van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in verband met starters, stakingsdagen en 104 weken wachttijd Wet WIA (wijzigingsbesluit) en is op 1 december 2016 in werking getreden.1 Blijkens de nota van toelichting heeft de wijziging van het Dagloonbesluit per 1 juli 20152 voor enkele groepen WW-gerechtigden nadelige inkomensgevolgen gehad. Het dagloon van onder andere werknemers die na de wachttijd voor de WIA minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn, kon (veel) lager zijn dan voor de wijziging in 2015. Bij het wijzigingsbesluit is het Dagloonbesluit daarom zodanig gewijzigd dat dit tot een hoger dagloon voor de genoemde groepen WW-gerechtigden kan leiden. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om met het wijzigingsbesluit de nadelige inkomenseffecten van de wijziging van het Dagloonbesluit per 1 juli 2015 voor bepaalde groepen WW-gerechtigden, te compenseren. Eiser is na de wachttijd voor de WIA minder dan 35% arbeidsongeschikt geacht. Hij valt daarmee binnen de groepen WW-gerechtigden waarop het wijzigingsbesluit betrekking heeft.

6.3.

De rechtbank stelt vast dat bij eiser sprake is van een bijzondere situatie. Voorafgaand aan zijn eerste ziektedag heeft hij twee maanden in loondienst gewerkt. Ook heeft hij nog een korte periode stage gelopen, waarvoor hij een stagevergoeding heeft ontvangen. Gedurende de periode dat hij ziek is geweest en tot aan het moment dat hij een ZW-uitkering heeft ontvangen, heeft eiser een groot deel van zijn loon doorbetaald gekregen. Partijen zijn het met elkaar eens dat het door verweerder bepaalde dagloon van eiser hierdoor aanmerkelijk lager is dan wanneer de referteperiode niet met toepassing van artikel 2, achtste lid en onder a, van het Dagloonbesluit zou zijn vastgesteld. De situatie waarin eiser zich bevindt is daarom precies tegengesteld aan de situatie, waarvoor artikel 2, achtste lid, van het Dagloonbesluit in het leven is geroepen.

6.4.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geldt in het algemeen dat aan dagloonregelingen het beginsel ten grondslag ligt dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet vormen van de welvaart voorafgaand aan de verzekerde gebeurtenis.3 Op grond van hetgeen onder 6.3 is overwogen, stelt de rechtbank vast dat de wetgever bij het wijzigingsbesluit geen dan wel onvoldoende oog heeft gehad voor de financiële gevolgen die de wijziging van artikel 2 van het Dagloonbesluit heeft voor werknemers, zoals eiser, die tijdens de wachttijd meer loon hebben genoten in vergelijking met het jaar voorafgaand aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Deze gevolgen kunnen ingrijpend zijn en doen afbreuk aan de inkomensbescherming die de WW beoogt te bieden. Voor de wijziging van dit artikel werd met de belangen van deze groep werknemers wel rekening gehouden, doordat toen van de reguliere referteperiode werd uitgegaan. De wetgever heeft bij het vaststellen van het achtste lid dan ook niet in deze specifieke situatie voorzien. Naar het oordeel van de rechtbank werkt artikel 2, achtste lid en onder a, van het Dagloonbesluit onevenredig nadelig uit voor eiser. Daarom slaagt het betoog van eiser dat door toepassing van deze bepaling geen sprake is van een juiste afspiegeling van zijn welvaart.

6.5.

Het door verweerder ingenomen standpunt dat de wettelijke bepalingen inzake de dagloonvaststelling dwingendrechtelijk van aard zijn en verweerder daarom niet bevoegd is van deze bepalingen af te wijken, levert geen rechtvaardiging op om in het geval van eiser onverkort toepassing te geven aan artikel 2, achtste lid en onder a, van het Dagloonbesluit.

7. Gelet op wat onder 6.3 tot en met 6.5 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat in de bijzondere situatie van eiser bij de vaststelling van de referteperiode artikel 2, achtste lid en onder a, van het Dagloonbesluit buiten toepassing moet worden gelaten. Het bestreden besluit kan om die reden geen stand houden. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, voor zover daarbij het dagloon is vastgesteld op € 61,50.

8. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat dat geen doelmatige en efficiënte wijze van afdoening zou inhouden. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak, waarbij artikel 2, achtste lid en onder a, van het Dagloonbesluit buiten toepassing wordt gelaten. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij het dagloon is vastgesteld op € 61,50;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.D. Kleijne, rechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Stb. 2016, 390.

2 Besluit van 9 april 2015 tot wijziging van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in verband met het wijzigen van de Werkloosheidswet door de Wet werk en zekerheid (Stb. 2015, 152).

3 Uitspraak van de CRvB van 26 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2941.