Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:3218

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
9079886
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Aangifte grensoverschrijdend gedrag, geen strafvervolging; geen doorslaggevende betekenis aan sepot, omdat in civiele recht andere eisen aan bewijsvoering; eigen onderzoek werkgever; werkhervatting; wijziging standplaats (artikel 7:613)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0536
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 9079886 \ KG EXPL 21-23

Uitspraakdatum: 22 april 2021

Vonnis van de kantonrechter in kort geding in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. H.C.S. van Deijk-Amzand

tegen

de stichting De Stichting Raphaëlstichting

gevestigd te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: Raphaëlstichting

gemachtigde: mr. P.F. Keuchenius

Samenvatting van de zaak en het vonnis

In deze zaak gaat het om de vraag of [eiser] zijn werkzaamheden voor Raphaëlstichting mag hervatten en zo ja, of Raphaëlstichting van [eiser] mag verwachten dat hij zijn werk op een andere locatie voortzet. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] zijn werk mag hervatten over zes weken, zodat Raphaëlstichting haar onderzoek kan afronden. [eiser] mag zijn werkzaamheden hervatten op een andere, in overleg tussen partijen te bepalen, locatie van Raphaëlstichting.

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft Raphaëlstichting op 18 maart 2021 gedagvaard.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 april 2021. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten, mede aan de hand van pleitaantekeningen, naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting hebben [eiser] en Raphaëlstichting op 6 april 2021 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

Raphaëlstichting is een instelling die zorg biedt aan mensen met een verstandelijke beperking en is actief in de psychiatrie en verpleegzorg.

2.2.

[eiser] is op 27 maart 2010 in dienst getreden van Raphaëlstichting in de functie van woonbegeleider. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Gehandicaptenzorg van toepassing.

2.3.

[eiser] heeft op 17 juni 2020 een avond-/nacht-/slaapdienst gedaan.

2.4.

Op 18 juni 2020 heeft Raphaëlstichting [eiser] op non-actief gesteld vanwege een aangifte tegen [eiser] van grensoverschrijdend gedrag. Aan [eiser] is niet meegedeeld wat de inhoud van de aangifte was en door wie aangifte was gedaan.

2.5.

Raphaëlstichting heeft in de brief van 19 juni 2020 aan [eiser] bevestigd dat hij per 18 juni 2020 op non-actief is gesteld naar aanleiding van een melding van grensoverschrijdend gedrag en dat het onderzoek uit handen is gegeven aan de zedenpolitie.

2.6.

Op 17 augustus 2020 heeft Raphaëlstichting een formele aansprakelijkheidstelling ontvangen van de advocaat van de wettelijk vertegenwoordiger van de client, namens wie aangifte is gedaan.

2.7.

De politie heeft naar aanleiding van een vraag naar de stand van zaken door Raphaëlstichting op 21 september 2020 aan haar bericht dat het onderzoek nog in behandeling is en dat nog geen onderzoek in het kader van de inspectie kan plaatsvinden. Ook heeft de politie bericht dat Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) akkoord is met uitstel van het Prisma-onderzoek.

2.8.

Raphaëlstichting heeft op 9 oktober 2020 melding aan IGJ gedaan van mogelijk geweld in de zorgrelatie. Op 22 oktober 2020 heeft Raphaëlstichting uitstel gevraagd aan IGJ voor het Prisma-onderzoek.

2.9.

[eiser] is op 23 november 2020 door de politie verhoord. Toen is voor het eerst aan [eiser] kenbaar gemaakt door wie de aangifte is gedaan, namelijk de vader van een cliënt (hierna: cliënt).

2.10.

Raphaëlstichting heeft [eiser] op 26 november 2020 bericht dat het politieonderzoek is afgerond, zodat het voor haar mogelijk is [eiser] uit te nodigen voor een gesprek op 1 december 2020. In dat gesprek heeft Raphaelstichting aan [eiser] laten weten de non-actiefstelling te verlengen, omdat zij in afwachting is van de beslissing van de Officier van Justitie. Ook is besproken dat het nu aan Raphaëlstichting is om zelf een beeld te vormen van de melding en daar onderzoek naar te doen. In dat kader is aan [eiser] gevraagd het proces-verbaal van het verhoor door de politie aan Raphaëlstichting te verstrekken. Verder is gesproken over terugkeer van [eiser] naar zijn oorspronkelijke werkzaamheden bij [locatie] .

2.11.

Het Openbaar Ministerie heeft op 20 januari 2021 aan de vader van cliënt en zijn advocaat laten weten dat uit het onderzoek van de politie blijkt dat er niet genoeg bewijs is om een strafzaak tegen [eiser] te beginnen.

2.12.

De gemachtigde van [eiser] heeft Raphaëlstichting op 26 januari 2021 bericht dat zij niet beschikt over het strafdossier en dat het haar bevreemdt dat deze is opgevraagd. Raphaëlstichting heeft steeds gezegd dat zij afhankelijk is van het politieonderzoek en dat daarom geen eigen onderzoek – bestaande uit de samenstelling van een deskundigenteam – heeft plaatsgevonden. Omdat het Openbaar Ministerie heeft besloten niet tot strafvervolging over te gaan is de kwestie afgesloten en wil [eiser] op korte termijn in overleg over hervatting van zijn werk.

2.13.

Op 8 februari 2021 heeft een gesprek tussen partijen plaatsgevonden over werkhervatting door [eiser] , waarbij [eiser] opnieuw kenbaar heeft gemaakt te willen terugkeren naar zijn oorspronkelijke functie en werkplek.

2.14.

Op 17 februari 2021 heeft een Prisma-onderzoek plaatsgevonden. Dit onderzoek heeft als doel op systematische wijze incidenten analyseren en in de toekomst voorkomen. Met [eiser] is een gesprek gevoerd waarvan een verslag is gemaakt. In dat verslag staat een door [eiser] gegeven beschrijving van de gebeurtenissen op 16 juni 2020, namelijk dat cliënt bij [eiser] in de medewerkerskamer een kopje thee kwam drinken, zijn verhaal deed en [eiser] tegen cliënt had gezegd dat hij wel een knuffel kon gebruiken. Op verzoek van cliënt heeft [eiser] hem vervolgens een knuffel gegeven.

2.15.

Partijen hebben elkaar op 1 maart 2021 opnieuw gesproken. In dat gesprek heeft Raphaëlstichting aan [eiser] kenbaar gemaakt dat er op dat moment te veel bezwaren zijn voor werkhervatting op de oorspronkelijke werkplek en dat er meer informatie nodig is voor werkhervatting op een andere locatie. Zo vraagt Raphaëlstichting om inzage in het proces-verbaal van verhoor en een gedetailleerde beschrijving van [eiser] van de gebeurtenissen op 16 juni 2020.

2.16.

[eiser] heeft op 11 maart 2021 het verslag met daarin zijn beschrijving van de gebeurtenissen in het kader van het Prisma-onderzoek naar Raphaëlstichting gestuurd.

2.17.

De gedragsdeskundige van de locatie [locatie] heeft op 11 maart 2021 aan Raphaëlstichting bericht dat een terugkeer van [eiser] op de huidige locatie bij cliënt zal leiden tot een complexe psychische disbalans, waaronder wordt verstaan verstoring in de innerlijke rust, stress, wisselende stemmingen, enorme prikkelgevoeligheid, depressie, en/of burn-out klachten, zelfverwonding. Psychische stress zou kunnen leiden tot chronische gezondheids- en psychische klachten.

2.18.

Cliënt is overgeplaatst naar een andere woning op locatie [locatie] .

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening Raphaelstichting veroordeelt om hem met onmiddellijke ingang en uiterlijk een week na betekening van het vonnis toe te laten tot zijn werk dat hij tot het moment van de op non-actiefstelling als woonbegeleider heeft verricht op het complex aan het adres Duinweg 35 te Schoorl in het huis Soltane, op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat zij daarmee in gebreke blijft. [eiser] vordert verder veroordeling van Raphaelstichting in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat Raphaelstichting heeft nagelaten hoor- en wederhoor toe te passen, zoals een goed werkgever betaamt. Ook is geen toepassing gegeven aan artikel 2.7 van de CAO Gehandicaptenzorg en het toepasselijke Protocol Grensoverschrijdend Gedrag. Zo is na de melding van de aangifte geen onderzoek uitgevoerd door een deskundigenteam dan wel een risicoanalyse opgesteld. Raphaelstichting heeft verder niet meegewogen dat cliënt elders niet te handhaven was vanwege zijn problematiek en agressieve gedrag en dat tegen [eiser] nimmer een klacht is ingediend. [eiser] staat door de op non-actiefstelling al negen maanden onder grote psychische druk. Naast de psychische druk loopt [eiser] ook vertraging op met zijn opleiding tot persoonlijk begeleider gehandicaptenzorg, omdat hij de praktijkopdrachten niet kan uitvoeren. Raphaelstichting heeft ondanks verzoeken van [eiser] om in gesprek te gaan, steeds de boot afgehouden. Ook na het sepot weigert Raphaelstichting om [eiser] in de gelegenheid te stellen zijn werk te hervatten.

4 Het verweer

4.1.

Raphaëlstichting betwist de vordering. Zij voert aan – samengevat – dat de melding en aangifte heeft geleid tot het formeren van een deskundigenteam volgens het toepasselijke protocol, tot overleg met IGJ en gelet op de ernst van de melding tot een op non-actiefstelling van [eiser] . Tijdens het onderzoek door de zedenpolitie was het (mede op grond van het protocol) niet toegestaan in gesprek te gaan met [eiser] . Na afronding van het politieonderzoek is Raphaëlstichting wel met [eiser] in gesprek gegaan. De gesprekken stonden in het teken van werkhervatting. [eiser] kan echter niet zijn werk hervatten op locatie [locatie] , omdat cliënt daar woont en bij een confrontatie tussen hen problemen zijn te verwachten. In dat kader heeft de orthopedagoog van Raphaëlstichting werkhervatting op een andere locatie geadviseerd. Maar ook voor werkhervatting op een andere locatie geldt dat dit moet worden verantwoord. Daarvoor is nodig dat [eiser] een concreet en gedetailleerd verslag maakt van de gebeurtenissen, de stukken van de politie zijn ontvangen en IGJ een advies heeft uitgebracht naar aanleiding van het Prisma-onderzoek. Raphaëlstichting moet immers een zorgvuldige afweging en beslissing kunnen nemen. [eiser] werkt echter niet actief mee aan een feitenreconstructie, wil niet praten over een andere locatie en wil niet praten zonder zijn advocaat. Dit geeft Raphaëlstichting op dit moment niet het vertrouwen om [eiser] te werk te stellen.

5 De beoordeling

5.1.

De vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat is het geval, nu het hier gaat om een vordering tot wedertewerkstelling.

5.2.

Verder is voor toewijzing van de vordering in dit kort geding vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

5.3.

Deze zaak gaat over de vraag of een voortduring van de op non-actiefstelling na afronding van het strafrechtelijk onderzoek nog gerechtvaardigd is. [eiser] zegt van niet. Raphaëlstichting heeft immers steeds het strafrechtelijk onderzoek vooropgesteld, de Officier van Justitie heeft de zaak geseponeerd en dus moet [eiser] weer worden toegelaten tot zijn werk. Volgens Raphaëlstichting daarentegen staat haar verplichting tot een zorgvuldig onderzoek los van het strafrechtelijk onderzoek. Daartoe heeft Raphaëlstichting aan [eiser] gevraagd zijn eigen feitenrelaas op papier te zetten en is zij in afwachting van het onderzoek van IGJ en het strafdossier dat zij heeft opgevraagd.

5.4.

De kantonrechter stelt voorop dat aan een strafrechtelijk sepot op zichzelf geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. In het strafrecht worden andere, strengere eisen gesteld aan de bewijsvoering dan in het civiele recht. Daarbij komt dat volgens de protocollen die Raphaëlstichting hanteert in geval van (een melding van c.q. een vermoeden van) seksueel misbruik – het protocol Grensoverschrijdend gedrag en het protocol Sturen op aanpak van seksueel misbruik – moet worden bekeken of en hoe de medewerker, in dit geval [eiser] , zijn werk kan hervatten. Weliswaar heeft [eiser] aangevoerd dat het protocol (Grensoverschrijdend gedrag) niet in overeenstemming is met de arbeidsrechtelijke bescherming van werknemers, maar dit heeft hij onvoldoende onderbouwd. Bovendien heeft ook [eiser] een beroep gedaan op dat protocol in die zin dat na de melding of aangifte een deskundigenteam moet worden samengesteld. De kantonrechter zal bij de beoordeling of de op non-actiefstelling nog langer kan voortduren, de hiervoor genoemde protocollen tot uitgangspunt nemen.

5.5.

Op grond van het protocol Sturen op aanpak van seksueel misbruik onder k (bladzijde 18) geldt dat als justitie geen zaak begint tegen de medewerker (sepot), de medewerker niet kan worden ontslagen en in overleg moet worden bekeken of en hoe hij kan terug komen in zijn werk. Daarbij is een belangrijk criterium of de medewerker nog met de client kan werken en omgekeerd. Onder l van dat protocol is bepaald dat indien de zaak niet leidt tot een justitiële zaak, maar er naar het oordeel van de directie wel sprake is van een geobjectiveerd gebrek aan vertrouwen een berisping of ontslag van de medewerker kan volgen. Deze uitgangspunten staan ook in het protocol Grensoverschrijdend Gedrag (bladzijde 12, onderaan de pagina).

5.6.

De vraag die dan ook ter beantwoording voorligt is, of sprake is van een geobjectiveerd gebrek aan vertrouwen dat werkhervatting in de weg staat. Daarvan heeft Raphaëlstichting gezegd dat het in dit stadium nog te vroeg is om dat vast te kunnen stellen, omdat zij in afwachting is van nadere informatie. Raphaëlstichting kan zich nu nog geen goed beeld vormen van wat is voorgevallen. Wel is volgens Raphaëlstichting het uitgangspunt dat [eiser] terugkeert in zijn werk. Met Raphaëlstichting is de kantonrechter van oordeel dat zij een zorgvuldig eigen onderzoek moet kunnen verrichten. De vraag is of extra tijd daarvoor op zijn plaats is, aangezien het politieonderzoek op 23 november 2020 al was afgerond en op 20 januari 2021 bekend was dat geen strafvervolging zal plaatsvinden.

5.7.

De kantonrechter is van oordeel, gelet op de ernst van de melding, dat aan Raphaëlstichting nog enige tijd moet worden gegeven om zelf verder onderzoek te doen, maar dat hieraan wel een termijn moet worden gesteld. [eiser] heeft immers een groot belang bij werkhervatting en de afronding van zijn opleiding. Daarvoor krijgt Raphaëlstichting een termijn van zes weken. Hoewel Raphaëlstichting voor het verkrijgen van de stukken mede afhankelijk is van het Openbaar Ministerie en IGJ, acht de kantonrechter deze termijn redelijk en ook voldoende voor Raphaëlstichting om zich een beeld te vormen van de feitelijke gang van zaken. Van [eiser] mag worden verwacht dat hij tijdens deze periode een concreet en gedetailleerd verslag maakt van de gebeurtenissen dan wel dat hij dit in een gesprek met Raphaëlstichting bespreekt. Dat Raphaëlstichting geen hoor en wederhoor heeft toegepast, volgt de kantonrechter niet, omdat het Raphaëlstichting tijdens het politieonderzoek niet vrij stond in gesprek te gaan met [eiser] . Deze handelwijze volgt ook uit de protocollen en korte tijd na afronding van het politieonderzoek heeft Raphaëlstichting [eiser] uitgenodigd voor een gesprek.

5.8.

[eiser] vordert verder werkhervatting op zijn oorspronkelijke standplaats, [locatie] . Raphaëlstichting stelt zich op het standpunt dat [eiser] op een andere locatie moet terugkeren. In dat kader heeft Raphaëlstichting terecht opgemerkt, dat in de arbeidsovereenkomst tussen partijen een beding is opgenomen dat haar de bevoegdheid geeft de arbeidsovereenkomst met [eiser] eenzijdig te wijzigen (artikel 6). Dit betekent dat moet worden onderzocht of Raphaëlstichting een zodanig zwaarwichtig belang heeft bij de standplaatswijziging van [eiser] dat het belang van [eiser] dat door deze wijziging zou worden geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken (artikel 7:613 BW). Naar het oordeel van de kantonrechter is hiervan sprake.

5.9.

Hoewel [eiser] al elf jaar op [locatie] werkt, hij daar slaapdiensten kan draaien en werkhervatting elders mogelijk zal leiden tot een verdere vertraging van zijn opleiding, heeft Raphaëlstichting voldoende aannemelijk gemaakt dat terugkeer van [eiser] op zijn oude werklocatie zal leiden tot spanningen en een moeilijke werksituatie. Dit heeft zij onderbouwd met een verklaring van een orthopedagoog. Deze verklaring komt de kantonrechter aannemelijk voor, waarbij de kantonrechter in aanmerking neemt dat cliënt weliswaar naar een andere woning is overgeplaatst, maar nog wel steeds op hetzelfde terrein woont en ook nog regelmatig langs komt bij huis [XX]. Indien [eiser] zijn werk op de locatie [locatie] zal hervatten, bestaat een gerede kans dat dit zal leiden tot spanningen en onrust bij cliënt, gelet op zijn beleving van het voorval, en (daardoor) mogelijk ook bij andere cliënten en bij de medewerkers. Raphaëlstichting heeft dan ook een zwaarwichtig belang bij een standplaatswijziging. Het belang van [eiser] dat zijn opleiding vertraging oploopt is door Raphaëlstichting weersproken in die zin, dat zij heeft aangeboden om [eiser] daarbij te begeleiden. Partijen dienen wel met elkaar in overleg te gaan over een nieuwe standplaats.

5.10.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiser] tot werkhervatting zal toewijzen, met dien verstande dat hieraan een termijn wordt verbonden van zes weken. De gevorderde standplaats [locatie] zal worden afgewezen. Ook de gevorderde dwangsom zal worden afgewezen, omdat deze niet is onderbouwd en het te vroeg is om te oordelen dat niet vrijwillig zal worden voldaan aan het vonnis.

5.11.

Omdat partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt Raphaëlstichting, binnen zes weken na betekening van het vonnis, [eiser] toe te laten tot zijn werk op een in overleg te bepalen locatie van Raphaëlstichting;

6.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.W.S. Kiliç en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter