Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:3123

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
26-04-2021
Zaaknummer
C/15/303039 / HA ZA 20-319
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid notaris bij verkoop/levering van woning. Afwijzing vorderingen omdat geen schade is geleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/303039 / HA ZA 20-319

Vonnis van 21 april 2021 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. A. Hashem Jawaheri te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GOPISINGH VAN OS NOTARISSEN B.V.,

gevestigd te Hoofddorp,

gedaagde,

advocaat mr. W. Knoester te Rotterdam.

Partijen zullen hierna (i) ‘[eiser]’ en (ii) ‘Gopisingh van Os’ of ‘de notaris’ genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 11 november 2020 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de mondelinge behandeling van 25 maart 2021 en de daarbij door mr. Jawaheri en mr. Knoester overgelegde pleitnotities.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 4 december 2018 hebben [A.] en [B.] (hierna: kopers) een koopovereenkomst gesloten met [C.] (hierna: verkoper) ten aanzien van een woning aan de [adres] (hierna: de koopovereenkomst). De koopsom bedroeg € 346.500. Het betrof een Model koopovereenkomst voor een bestaande eengezinswoning (versie 2018) zoals vastgesteld door de NVM. Gopisingh van Os was als notariskantoor bij de transactie betrokken. [eiser] trad op als hypotheekadviseur van kopers. [eiser] is daarnaast bestuurder van de vennootschap GS Finance & Properties B.V. (hierna: GSFP).

2.2.

Kopers en verkoper hebben de koopovereenkomst gesloten onder voorbehoud van financiering, welk voorbehoud aanvankelijk op 28 december 2018 (en later op 8 januari 2019) zou komen te vervallen. Kopers dienden uiterlijk op 4 januari 2019 voor een bedrag van € 34.650 een bankgarantie te stellen, dan wel een waarborgsom voor dat bedrag bij de notaris te storten. De beoogde leveringsdatum van de woning was 1 maart 2019.

2.3.

Na het sluiten van de koopovereenkomst is [eiser] namens kopers met verkoper overeengekomen dat de waarborgsom uiterlijk 15 januari 2019 diende te worden voldaan. Toen kopers de waarborgsom op die datum niet hadden gestort, heeft verkoper eind januari 2019 een ingebrekestelling gestuurd.

2.4.

Op 1 februari 2019 heeft GSFP namens kopers de waarborgsom op de bankrekening van de notaris gestort. Na ontvangst hiervan heeft de notaris [eiser] bericht dat zij – bij gebreke van ontvangst van een leningsovereenkomst tussen GSFP en kopers – gehouden was de gelden terug te storten. Dit heeft ertoe geleid dat de notaris, conform het verzoek van [eiser], op 5 februari 2019 de waarborgsom aan GSFP heeft geretourneerd.

2.5.

Omdat de waarborgsom op dat moment nog niet was voldaan, heeft verkoper – eveneens op 5 februari 2019 – een tweede ingebrekestelling gestuurd en de contractuele boete van 3 promille van de koopprijs gevorderd voor elke dag dat kopers in verzuim zouden blijven. Kort daarna hebben kopers de waarborgsom rechtstreeks aan de notaris overgemaakt.

2.6.

Omdat kopers op 1 maart 2019 de verschuldigde koopsom niet op de rekening van de notaris hadden gestort, heeft verkoper een derde ingebrekestelling gestuurd en kopers gesommeerd uiterlijk op 8 maart 2019 alsnog aan hun verplichtingen te voldoen. Op 11 maart 2019 is [eiser] namens kopers met verkoper overeengekomen de leveringsdatum tot uiterlijk 15 maart 2019 uit te stellen. Verkoper heeft daarbij onder meer als voorwaarde gesteld dat wanneer de levering niet op die datum plaats zou vinden, de notaris zou worden gevraagd de waarborgsom (ter hoogte van de contractuele boete van maximaal 10% van de koopsom) per direct aan de verkoper uit te keren. Daarbij heeft de verkoper ook aanspraak gemaakt op de boete van 3 promille per dag vanaf de datum van oorspronkelijke levering.

2.7.

Eveneens op 11 maart 2019 heeft [eiser] de notaris bericht dat GSFP de koop zou financieren en de koopsom op de rekening van de notaris zou overmaken. Op 12 maart 2019 heeft de notaris [eiser] geïnformeerd dat zij in dat geval een kopie van de leningsovereenkomst tussen GSFP en kopers diende te ontvangen. Diezelfde dag heeft [eiser] een bericht aan de notaris gestuurd waarin hij te kennen gaf dat de gelden werden overgeboekt door Gelz B.V. Daarnaast schreef [eiser] dat hij de boete van 3 promille niet terecht vond. Een dag later heeft de notaris [eiser] geïnformeerd dat zij in verband met de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: WWFT) informatie diende te ontvangen over (i) de lening tussen Gelz B.V. en kopers en (ii) wie namens Gelz B.V. vertegenwoordigingsbevoegd was en dat zonder die informatie niet zou kunnen worden geleverd.

2.8.

Op 14 maart 2019 heeft Hendriks Fleuren Zuyd Notarissen aan [eiser] en de notaris gemeld dat zij op haar derdengeldrekening een bedrag van € 235.000 heeft ontvangen van Nieuwenhuis Holding B.V. (hierna: Nieuwenhuis).

2.9.

Op 15 maart 2019 heeft GSFP een bedrag van € 235.000 naar de bankrekening van de notaris overgemaakt. Ook stuurde [eiser] die dag een e-mail aan de notaris met bijgevoegd een (enkel) door GSFP (maar niet door kopers) ondertekende leningsovereenkomst. Ook schreef hij dat kopers zelf een bedrag van € 90.000 zouden overmaken naar de notarisrekening. Diezelfde dag heeft de notaris [eiser] geïnformeerd dat zij in verband met de WWFT diverse documenten diende te ontvangen, zoals het aandeelhoudersregister en statuten van GSFP en een ondertekende en gelegaliseerde UBO- en PEP-verklaring. [eiser] heeft vervolgens verzocht de gelden terug te boeken, zodat kopers het bedrag rechtstreeks konden overmaken. De notaris heeft daarop te kennen gegeven dat ook indien kopers het bedrag zelf overmaakten, de verzochte informatie alsnog diende te worden aangeleverd.

2.10.

Op 18 maart 2019 heeft notariskantoor Bakker & Neve Netwerk Notarissen, op verzoek van [eiser] de getekende en gelegaliseerde PEP- en UBO-verklaring gestuurd aan de notaris, evenals een kopie van de statuten en het aandeelhoudersregister van GSFP. Naar aanleiding daarvan heeft de notaris [eiser] nog verzocht om toezending van een gelegaliseerde verklaring met apostille van [D.] (de aandeelhouder van GSFP) en stukken ter identificatie van [D.] en [eiser]. Ook ontving de notaris die dag het bedrag van € 90.000 van kopers. De notaris heeft kopers vervolgens gevraagd een document over de herkomst van het bedrag in te vullen en ondertekend te retourneren.

2.11.

Per e-mail van 26 maart 2019 heeft de notaris aan de kopers gemeld dat de verkoper zou overgaan tot ontbinding van de koopovereenkomst als niet vóór 15.00 uur duidelijkheid zou bestaan wanneer en of de overdracht kon doorgaan. Omdat de hiervoor genoemde stukken niet door de notaris waren ontvangen, heeft de levering niet plaatsgevonden en heeft verkoper op 28 maart 2019 de koopovereenkomst ontbonden. De notaris heeft op 2 april 2019 op verzoek van verkoper de waarborgsom gebruikt om de contractuele boete van 10% aan de verkoper te betalen. Daarnaast heeft de notaris (i) het bedrag van € 235.000 aan GSFP en (ii) het bedrag van € 90.000, minus de notariskosten aan kopers geretourneerd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, samengevat en na wijziging van eis:

  • -

    een verklaring voor recht dat Gopisingh van Os, althans een aan haar ondergeschikte notaris, niet heeft gehandeld zoals een goed notaris betaamt, dan wel dat zij onrechtmatig heeft gehandeld;

  • -

    een verklaring voor recht dat Gopisingh van Os (daarom) aansprakelijk is voor de schade die [eiser] als gevolg daarvan heeft geleden;

  • -

    Gopisingh van Os te veroordelen tot vergoeding van [eiser]’s schade ad € 57.210,36; en

  • -

    Gopisingh van Os te veroordelen in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met rente.

3.2.

Volgens [eiser] bestaat het onzorgvuldig, dan wel het onrechtmatige handelen van de notaris jegens [eiser] uit de volgende handelingen:

  • -

    de notaris heeft haar ministerieplicht geschonden door de leveringsakte terzake de woning aan de [adres] niet (tijdig) te passeren, terwijl de gelden beschikbaar waren. Er bestond geen aanleiding te veronderstellen dat de transactie mogelijk verband hield met witwassen of het financieren van terrorisme, omdat (i) de verkoopprijs van de woning marktconform was, (ii) alle gelden giraal ter beschikking zijn gesteld en (iii) de financiering van GSFP enkel diende ter overbrugging van de periode tot 25 maart 2019, op welk moment Nieuwenhuis een financiering met hypotheekrecht aan kopers zou verstrekken. Als zij toch enige twijfel had gehad, had de notaris kunnen volstaan met het doen van een melding bij FIU-Nederland;

  • -

    de notaris heeft ten onrechte geen gehoor gegeven aan het verzoek van [eiser] om het passeren van de leveringsakte door te verwijzen naar een andere notaris;

  • -

    de notaris heeft ten onrechte geweigerd het door GSFP overgemaakte bedrag van € 235.000 (tijdig) aan haar te retourneren zodat kopers dit bedrag rechtstreeks konden overmaken, terwijl de notaris een rechtstreekse overboeking bij de waarborgsom wel accepteerde;

  • -

    de notaris heeft ten onrechte de waarborgsom als boete aan verkoper uitgekeerd, aangezien [eiser] meermaals kenbaar heeft gemaakt de verschuldigdheid te betwisten en nog in onderhandeling te zijn met de verkoper. Daarmee heeft de notaris partijdig gehandeld.

Als gevolg van dit handelen stelt [eiser] schade te hebben geleden, bestaande uit (i) de waarborgsom ad € 34.650, (ii) een betaalde commissie voor het verkrijgen van financiering van Nieuwenhuis ad € 20.000 en (iii) de kosten van de notaris ad € 2.560,36, die volgens [eiser] onverschuldigd zijn betaald. Daarnaast stelt [eiser] reiskosten te hebben gemaakt en dat één van de kopers een hartaanval is overkomen als gevolg van het handelen van de notaris.

3.3.

De notaris voert verweer. Zij voert in de eerste plaats aan dat [eiser] geen belang heeft bij zijn vorderingen omdat hij geen schade heeft geleden. Niet [eiser] maar uitsluitend kopers zijn immers als gevolg van de ontbinding van de koopovereenkomst financieel slechter geworden. Voorts stelt zij dat de gevorderde verklaring voor recht dat zij (als notariskantoor) niet heeft gehandeld zoals een goed notaris betaamt niet toewijsbaar is en betwist zij overigens onzorgvuldig of onrechtmatig jegens [eiser] te hebben gehandeld:

  • -

    ten aanzien van haar ministerieplicht voert zij aan op grond van de WWFT gehouden te zijn de herkomst van gelden te verifiëren en de door haar verzochte informatie op te vragen. Aan de beoordeling of zij wel of niet ministerie moest weigeren, is de notaris niet toegekomen, omdat de verkoper de koopovereenkomst al had ontbonden voordat kopers de verzochte informatie hadden aangeleverd;

  • -

    op grond van artikel 21 lid 3 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) is het niet toegestaan werkzaamheden door te verwijzen naar een andere notaris wanneer het werkzaamheden van algemeen gebruikelijke aard betreffen, zoals in onderhavig geval;

  • -

    omdat de notaris ermee bekend was dat de betaling van € 235.000 in feite van GSFP afkomstig was – en zij de herkomst daarvan dient te verifiëren – was ook bij een rechtstreekse overboeking door kopers de verzochte informatie over GSFP benodigd voordat de leveringsakte kon worden gepasseerd;

  • -

    ingevolge artikel 11.5 sub a van de koopovereenkomst was de notaris verplicht de waarborgsom als boete aan verkoper te voldoen, nu verkoper kopers (herhaald) in gebreke heeft gesteld, zij in verzuim waren geraakt en verkoper de koopovereenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk had ontbonden.

Verder betwist de notaris dat sprake is van toerekenbaarheid en dat causaal verband bestaat tussen de verweten gedraging en de gestelde schade. Voor wat betreft de schade voert de notaris aan dat [eiser] de commissiekosten ad € 20.000 onvoldoende heeft onderbouwd en betwist zij dat de notariskosten onverschuldigd zijn betaald. Tot slot voert de notaris het verweer dat relativiteit ontbreekt, nu de norm waarop [eiser] zich beroept zich niet uitstrekt tot bescherming van zijn belangen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] houdt de notaris aansprakelijk voor geleden schade als gevolg van het niet meewerken aan de overdracht van de woning aan kopers. Vooropgesteld wordt dat [eiser] geen partij was bij de koopovereenkomst, die immers is gesloten tussen kopers en verkoper. Het ontgaat de rechtbank dan ook op grond waarvan [eiser] meent vanwege de ontbinding van die koopovereenkomst aanspraken jegens de notaris geldend te kunnen maken. Nog daargelaten dat niet is gebleken dat de notaris jegens [eiser] onzorgvuldig heeft gehandeld, stuiten de vorderingen reeds af op het feit dat [eiser] geen schade heeft geleden. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.2.

[eiser] stelt in de eerste plaats schade te hebben geleden omdat de notaris de waarborgsom van € 34.650 na de ontbinding van de koopovereenkomst als boete aan verkoper heeft uitgekeerd. Vast staat echter dat niet [eiser], maar kopers de waarborgsom verschuldigd waren en hebben voldaan. Reeds hierom valt niet in te zien dat [eiser] als gevolg van het uitbetalen van de waarborgsom aan verkoper schade heeft geleden. [eiser]’s stelling dat hij met kopers heeft afgesproken dat hij het bedrag van de waarborgsom aan kopers ter beschikking zou stellen, maakt – voor zover dit al vast zou komen te staan – het voorgaande niet anders, nu een dergelijke afspraak de notaris niet regardeert. Daar komt nog bij dat de waarborgsom aanvankelijk niet door [eiser] in privé maar door GSFP namens kopers op de rekening van de notaris is overgemaakt. Nadat de notaris dit bedrag aan GSFP had geretourneerd, hebben kopers de waarborgsom vervolgens rechtstreeks naar de notaris overgemaakt. Ook hieruit volgt dat van enige (voor vergoeding in aanmerking komende) schade aan de zijde van [eiser] geen sprake kan zijn. Het voorgaande brengt mee dat voor toewijzing van dit onderdeel van de vordering geen plaats is.

4.3.

In de tweede plaats stelt [eiser] schade te hebben geleden omdat een commissie ten bedrage van € 20.000 is betaald voor de hypothecaire financiering die een derde (Nieuwenhuis) later aan kopers zou verstrekken. Dat deze commissie verschuldigd is en betaald is, blijkt echter nergens uit. Nu de notaris dit heeft betwist, had het op de weg van [eiser] gelegen zijn stellingen in dit verband nader te onderbouwen, hetgeen hij niet heeft gedaan. Ook onderbouwt [eiser] niet op grond waarvan hij persoonlijk – en niet kopers – de commissie verschuldigd is. Nu geenszins is gebleken dat [eiser] deze schade heeft geleden, zal ook de vordering tot vergoeding hiervan moeten worden afgewezen.

4.4.

Verder stelt [eiser] schade te hebben geleden als gevolg van de door de notaris bij kopers in rekening gebrachte kosten ten bedrage van € 2.560,36. Ook voor deze schadepost geldt dat niet hij, maar kopers de notariskosten zijn verschuldigd. Bovendien staat vast dat kopers (en niet [eiser]) deze kosten aan de notaris hebben voldaan. De notaris heeft haar kosten immers in mindering gebracht op het gedeelte van de koopprijs dat door kopers rechtstreeks aan de notaris was overgemaakt, waarna zij het restant aan kopers heeft geretourneerd.

4.5.

De door [eiser] gestelde reiskosten zijn tot slot in het geheel niet toegelicht of onderbouwd en door de notaris betwist, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat. Voor zover [eiser] verder aan zijn vorderingen ten grondslag legt dat één van de kopers (immateriële) schade heeft geleden vanwege een hem overkomen hartaanval als gevolg van het handelen van de notaris, geldt ook hiervoor dat dit betoog niet is onderbouwd en dat dit bovendien geen schade van [eiser] betreft. Aan verdere beoordeling hiervan wordt daarom niet toegekomen.

4.6.

Nu niet is gebleken dat [eiser] schade heeft geleden, heeft hij geen belang in de zin van artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek bij de door hem gevorderde verklaringen voor recht. Ook deze vorderingen zullen daarom worden afgewezen.

4.7.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Gopisingh van Os worden begroot op:

- griffierecht € 2.042,00

- salaris advocaat € 2.228,00 (2,0 punten × tarief € 1.114)

Totaal € 4.270,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Gopisingh van Os tot op heden begroot op € 4.270,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Hendriks, mr. Th.S. Röell en mr. H.A. Pott Hofstede en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2021.1

1 type: 1617 coll: