Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:311

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-01-2021
Datum publicatie
15-01-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4072
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douanerecht. Verzoek tot terugbetaling. Indeling in de GN van puffy stickers en letter stickers. Naar het oordeel van de rechtbank zijn beide stickers plat en is bij beide sprake van drukwerk in de zin van post 4911.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 18-01-2021
FutD 2021-0275
NLF 2021/0245 met annotatie van
Douanerechtspraak 2021/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19 / 4072

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 12 januari 2021 in de zaak tussen

[X] B.V., te [Z] , eiseres

(gemachtigde: E. Stoker),

en

de inspecteur van de Belastingdienst / Douane Amsterdam, verweerder

Procesverloop

Op 3 juni 2018 heeft eiseres een verzoek tot terugbetaling van een bedrag van € 2.251,47 ingediend, welk verzoek bij beslissing van 17 januari 2019 door verweerder is afgewezen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 juli 2019 het door eiseres tegen deze beslissing gemaakte bezwaar afgewezen.

Eiseres heeft daartegen op 14 augustus 2019, ontvangen 16 augustus 2019, beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2020 te Haarlem.
Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A] en [B] .

Overwegingen

Feiten

1. [C] V.O.F heeft op 6 juni 2015 als direct vertegenwoordiger van eiseres aangifte gedaan tot plaatsing onder de regeling ‘in het vrije verkeer brengen’ van goederen, onder meer voor drie verschillende soorten stickers, die blijkens de onderliggende stukken kunnen worden omschreven als “abc jewelry stickers”, “puffy stickers” en “letter stickers”. Eiseres heeft de stickers daarbij ingedeeld in de Gecombineerde Nomenclatuur (GN) onder Taric-code 3919 90 00 99, zelfklevende platte producten van kunststof.

2. Op 6 juni 2015 heeft verweerder ter zake van onder meer de stickers een verzameluitnodiging tot betaling uitgereikt. Hierin is voor de stickers een verschuldigd bedrag van € 2.251,47 douanerecht (6,5% van de douanewaarde) vermeld.

3. Op 3 juni 2018 heeft eiseres ter zake van de stickers een verzoek tot terugbetaling ingediend voor een bedrag van € 2.251,47, waarbij zij heeft verzocht om indeling van de stickers onder GS-post 4911, omdat het geen platte stickers betreft.

4. Verweerder heeft het verzoek om terugbetaling afgewezen omdat hij op basis van de overgelegde foto’s de aard en de samenstelling van de goederen niet kon vaststellen, zodat de goederen niet konden worden ingedeeld.

5. In de uitspraak op bezwaar van 5 juli 2019 heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de abc jewelry stickers weliswaar niet plat zijn, maar dat daarop geen gedrukte tekst of illustratie is aangebracht, waardoor ze niet voor indeling in hoofdstuk 49 in aanmerking komen. Verweerder stelt dat deze stickers hadden moeten worden ingedeeld onder Taric-code 3926 90 97 90. Omdat het daarbij behorende tarief van het invoerrecht gelijk is aan het geheven tarief, is die indeling zonder gevolg gebleven.
Ten aanzien van de letter stickers heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze plat zijn en niet voldoen aan Aantekening 2 op afdeling VII van de GN, waardoor zij niet kunnen worden ingedeeld onder hoofdstuk 49. Voor deze stickers is de juist goederencode aangegeven, aldus verweerder.
Ten aanzien van de puffy stickers heeft verweerder gesteld dat daaraan geen enkel dikte- of hoogteverschil is te zien of te voelen, zodat deze plat zijn. Ook deze stickers zijn derhalve correct aangegeven, aldus verweerder.

6. Op de zitting heeft eiseres twee vellen met stickers overhandigd aan de rechtbank. Beide partijen hebben desgevraagd verklaard dat het één vel betreft, dat als voorbeeld kan dienen van de in de aangifte begrepen puffy stickers. Ten aanzien van het andere vel heeft verweerder gesteld dat, anders dan eiseres stelt, dit niet als voorbeeld kan dienen van de vellen letter stickers waarop de aangifte betrekking had.

Geschil

7. In geschil is de indeling in de GN van de door eiseres als puffy stickers en puffy woordstickers aangeduide goederen, welke stickers door verweerder worden aangeduid als puffy stickers, respectievelijk letter stickers. De rechtbank zal in hetgeen hierna wordt overwogen de door verweerder gehanteerde begrippen volgen. Eiseres heeft het beroep nadrukkelijk niet gericht op de indeling van de abc jewelry stickers.

8. Eiseres stelt zich op het standpunt dat onder GN-post 3919 alleen platte producten kunnen worden ingedeeld, in welke visie het woord ‘plat’, onder verwijzing naar de Van Dale, moet worden opgevat als geen, althans geen noemenswaardige dikte hebbend. Omdat de stickers niet plat zijn, een zekere dikte hebben, moeten ze conform aantekening 2 op Afdeling VII worden ingedeeld onder hoofdstuk 49, aldus eiseres.
Uit de toelichting op post 4911 onder 10 blijkt voorts dat de onderhavige stickers moeten worden ingedeeld in post 4911. Hoewel de toelichting niet wettelijk bepalend is, bevat die wel een belangrijke aanwijzing voor de indeling van de goederen. De stickers zijn reliëfstickers.
Eiseres verwijst tot slot naar Verordening 2016/934, waarin de Europese Commissie haar beslissing over de indeling van reliëfstickers onder GN code 4911 49 00 als volgt motiveert: “Indeling onder post 3919 is uitgesloten omdat de voorgesneden reliëfstickers niet plat zijn”.
Eiseres verzoekt de rechtbank het beroep gegrond te verklaren, de beslissing van
17 januari 2019 op het verzoek tot terugbetaling te vernietigen, te bepalen dat de aangegeven producten moeten worden ingedeeld onder postonderverdeling 4911 91 00 90 en te bepalen dat de inspecteur alsnog positief moet beslissen op het verzoek tot terugbetaling, met veroordeling van de inspecteur in de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en veroordeling van de inspecteur tot vergoeding van het griffierecht.

9. Ten aanzien van de puffy stickers stelt verweerder zich op het standpunt dat deze zich zouden kunnen lenen voor reliëf, maar dat daarin geen enkel dikte- of hoogteverschil te zien of te voelen is. De stickers zijn wel voorzien van gedrukte teksten of illustraties. Omdat ze echter plat zijn en dergelijke platte producten worden ingedeeld in GS-post 3919, zijn ook deze stickers niet op grond van Aantekening 2 op afdeling VII uitgezonderd van indeling onder Hoofdstuk 39. Van de toepassing van deze aantekening zijn immers de posten 3918 en 3919 uitgezonderd. Eiseres heeft deze stickers in de aangifte daarom correct aangegeven.
Ten aanzien van de letter stickers stelt verweerder dat deze van kunststof zijn en zelfklevend, dat daarop geen gedrukte teksten of illustraties voorkomen, zodat ook deze stickers geen drukwerk zijn als bedoeld bij hoofdstuk 49. Ze zijn daarom niet, zoals eiseres meent, op grond van aantekening 2 op afdeling VII uitgezonderd van indeling onder hoofdstuk 39. Omdat de stickers plat zijn, moeten ze worden ingedeeld onder goederencode 3919 90 00 99. Eiseres heeft deze stickers in de aangifte daarom terecht onder deze goederencode aangegeven.
Het product uit de indelingsverordening (EU) 2016/934 is niet vergelijkbaar met de onderhavige producten, omdat deze stickers geen deel uitmaken van een assortiment. Bovendien zijn de onderhavige stickers plat, zodat ze als ‘plat’ in de zin van GS-post 3919 moeten worden aangemerkt en indeling onder GS-post 4911 daardoor niet mogelijk is.

10. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Relevante regelgeving

11. De onderverdeling van post 3919 van de GN luidt op 6 juni 2015 voor zover van belang als volgt:

3919 Platen, vellen, foliën, stroken, strippen en andere platte producten, van kunststof, zelfklevend, ook indien op rollen

3919 10 - op rollen met een breedte van niet meer dan 20 cm
(…)

3919 90 - andere:

--- (…)

3919 90 00 10 -- bestemd voor bepaalde typen van luchtvaartvoertuigen

-- andere

--- (…)

3919 90 00 99 --- andere

12. Aantekening 2 bij afdeling VII van de GN, dat de hoofdstukken 39 en 40 bevat, luidt:
Met uitzondering van de bij de posten 39.18 en 39.19 bedoelde artikelen worden onder hoofdstuk 49 ingedeeld kunststof en rubber, alsmede werken daarvan, waarop gedrukte teksten of illustraties voorkomen, die een meer dan bijkomstig karakter hebben bij het primaire gebruik van de goederen.

13. De Toelichting IDR op GS-post 3919 luidt als volgt:

Deze post omvat alle platte zelfklevende producten van kunststof, ook indien op rollen,

andere dan vloer-, wand- en plafondbekleding van post 39.18. De draagwijdte van deze post

beperkt zich tot de platte zelfklevende producten die door druk kunnen worden aangebracht.

Dit wil zeggen dat zij bij kamertemperatuur zonder bevochtiging of enig andere toevoeging

permanent aan een of beide zijden kleverig blijven en zich stevig vasthechten op een groot

aantal sterk verschillende oppervlakken, door eenvoudig aanraken of drukken met de vinger

of de hand.

Opgemerkt wordt dat deze post eveneens artikelen omvat waarop gedrukte teksten of

illustraties voorkomen, die een meer dan bijkomstig karakter hebben gelet op het primaire

gebruik van de goederen (zie Aantekening 2 IDR op afdeling VII).”

14. De onderverdeling van post 4911 van de GN luidde op 6 juni 2015 voor zover van belang als volgt:
4911 Ander drukwerk, prenten, gravures en foto's daaronder begrepen

4911 10 - reclamedrukwerk, handelscatalogi en dergelijke

4911 10 10 -- handelscatalogi
4911 10 90 -- ander
- ander

4911 91 00 -- prenten, gravures, foto's en andere afbeeldingen
(…)

4911 99 00 -- andere

15. In de toelichting IDR op GS-post 4911 is onder meer opgenomen:
“(…) Naast de artikelen waarvan de indeling onder deze post voor de hand ligt, omvat deze post onder meer:

1. reclamedrukwerk (…)

10. zelfklevende bedrukte stickers ontworpen om te worden gebruikt voor bijvoorbeeld publiciteits- of adverteerdoeleinden of slechts als decoratie, bijvoorbeeld ‘komische stickers’ en ‘raamstickers’ (…)”

16. Volgens Uitvoeringsverordening (EU) 2016/934 van 8 juni 2016 wordt het volgende product onder GN-code 4911 91 00 ingedeeld:

Omschrijving:

Een product bestaande uit de volgende onderdelen, verpakt als een assortiment:

— Een rechthoekige plaat (ongeveer 14 bij 21 cm) gemaakt van een kunststoffolie

bestaande uit twee lagen, aan de voorkant bedrukt met zwart-witte motieven. De plaat is

aan de achterkant voorzien van een zelfklevende strook. Van deze plaat kunnen zes

voorgesneden reliëfstickers worden losgemaakt (de bovenste kunststoffolie bevat het reliëf).

—Drie viltstiften met poreuze punt in verschillende kleuren. De viltstiften zijn samen verpakt in een kleine kunststof verpakking. De stickers zijn bedoeld om met de viltstiften te worden ingekleurd om vervolgens voor decoratieve doeleinden te worden gebruikt.

Motivering :

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1, 3 b) en 6 voor de interpretatie

van de gecombineerde nomenclatuur, aantekening 2 op afdeling VII van de gecombineerde

nomenclatuur en de tekst van de GN-codes 4911 en 4911 91 90. Het product wordt

aangeboden als een assortiment opgemaakt voor de verkoop in het klein. Het ontleent zijn

wezenlijke karakter aan de stickers. Indeling onder post 3919 is uitgesloten omdat de

voorgesneden reliëfstickers niet plat zijn. Indeling onder post 3926 is uitgesloten omdat de

gedrukte illustraties een meer dan bijkomstig karakter hebben gelet op het primaire gebruik

van de goederen (zie aantekening 2 op afdeling VII). Hoofdstuk 49 omvat, behoudens

enkele uitzonderingen, al de artikelen waarvan het belang ligt in de gedrukte teksten of

illustraties, die daarop voorkomen (zie ook de GS-toelichting op hoofdstuk 49, algemene

opmerkingen, eerste alinea). Zelfklevende bedrukte stickers ontworpen om te worden

gebruikt als decoratie, vallen onder post 4911 (zie ook de GS-toelichting op post 4911, punt

10). Het product moet daarom worden ingedeeld onder GN-code 4911 91 00.”

Beoordeling van het geschil

17. In essentie dient de rechtbank te beoordelen of de door eiseres in haar aangifte onder Taric-code 3919 90 00 99 aangegeven puffy stickers en letter stickers op dat moment juist zijn ingedeeld in de GN, dan wel of deze, zoals eiseres betoogt, hadden dienen te worden ingedeeld onder GN-code 4911 91 00.

18. In dit verband overweegt de rechtbank allereerst dat op grond van het bepaalde in artikel 116, eerste lid, onder a, van het Douanewetboek van de Unie (DWU) recht bestaat op terugbetaling van invoerrechten die teveel in rekening zijn gebracht in de zin van artikel 117, eerste lid, van het DWU, indien het bedrag dat correspondeert met de aanvankelijk meegedeelde douaneschuld het verschuldigde bedrag overschrijdt. Aangezien eiseres een beroep op deze bepaling doet, rust op haar de last aannemelijk te maken dat een te hoog bedrag aan douanerechten is betaald.

19. Voor de indeling van goederen zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de postonderverdelingen, de aantekeningen op de afdelingen en op de hoofdstukken en de algemene indelingsregels. Het is vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie (hierna: HvJ), dat in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle, het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in het algemeen moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals deze in de tekst van de GN-posten en in de aantekeningen op de afdelingen en de hoofdstukken zijn omschreven. Hierbij vormen de GS- en de GN-toelichtingen nuttige aanwijzingen voor de tariefindeling, ook al zijn deze toelichtingen slechts uitleggingen en rechtens niet bindend (zie onder meer HvJ 26 april 2017, C-51/16 (Stryker EMEA Supply Chain Services BV), r.o. 39 en 45). De inhoud van GS- en GN-toelichtingen moet in overeenstemming zijn met de GN-bepalingen en mag de strekking daarvan niet wijzigen. Toelichtingen moeten, indien zij in strijd blijken met de tekst van de GN-posten en de aantekeningen bij de afdelingen of hoofdstukken, terzijde worden geschoven (zie onder meer HvJ 26 november 2015, C-44/15 (Duval GmbH & Co, KG.), r.o. 24).

20. Naar het oordeel van de rechtbank zijn zowel de puffy stickers, als de letter stickers niet plat. Op beide door eiseres ter zitting overgelegde vellen is op de plaats van de diverse stickers, zoals deze zich op de vellen bevinden, een duidelijke verhoging waar te nemen. Zowel op de overgelegde vellen, als bij het gebruik van de betreffende stickers, indien deze op enig oppervlak worden geplakt, is een duidelijke verhoging van de sticker ten opzichte van dat oppervlak te zien en te voelen. Dat op de stickers zelf geen hoogteverschillen zijn waar te nemen, maakt deze, anders dan verweerder betoogt, niet plat.

21. Gelet op het feit dat verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat de puffy stickers bedrukt zijn, welk standpunt de rechtbank onderschrijft, volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen dat de puffy stickers dienen te worden ingedeeld onder GN-code 4911 91 00, zoals eiseres heeft aangevoerd.

22. Omdat verweerder ten aanzien van de letter stickers het standpunt heeft ingenomen dat deze niet bedrukt zijn en daardoor niet voor indeling onder GS-post 4911 in aanmerking komen, dient de rechtbank tevens te beoordelen of sprake is van drukwerk in de zin van GS-post 4911. Partijen hebben op de zitting desgevraagd bevestigd dat het overgelegde vel letter stickers in ieder geval ‘drukwerk’ bevat, voor zover daarop stickers zijn waar te nemen waarop een patroontje in grijs en wit is te zien op de woorden ‘beautiful’ en ‘Love’ en op in ieder geval vier relatief kleine stickers, waarop het patroon van een bloem of een ander patroon is te herkennen. Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat dit stickervel niet representatief is voor de vellen, waarop de aangifte betrekking heeft. Omdat de bewijslast in deze rust op eiseres, dient aan deze constatering ter zitting dan ook voorbij te worden gegaan, aldus verweerder.
De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt niet en overweegt daartoe als volgt. Uit de stellingen van partijen ter zitting blijkt dat de vellen met letter stickers niet alleen in zwart, wit en grijs waren uitgevoerd, zoals het ter zitting overgelegde exemplaar, maar dat er ook sprake was van vellen met letters in verschillende kleuren. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve sprake van drukwerk in de zin van post 4911, nu de aanwezigheid van kleuren op de letters, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet goed mogelijk is zonder drukwerk. Zelfs indien derhalve het ter zitting overgelegde vel letter stickers, waarop ook in de visie van verweerder in ieder geval gedeeltelijk drukwerk aanwezig was, niet geacht kan worden representatief te zijn voor alle vellen, waarop de aangifte van eiseres betrekking had, dan nog dient aan de hand van het feit dat vaststaat dat de letter stickers in verschillende kleuren waren uitgevoerd te worden geoordeeld dat sprake is van drukwerk. De rechtbank ziet in de tekst van GS-post 4911 geen aanknopingspunten voor het standpunt van verweerder dat de term ‘drukwerk’ impliceert dat een patroon waarneembaar moet zijn. In de letterlijke bewoordingen van de post ziet de rechtbank zelfs een aanwijzing van het tegenovergestelde, omdat daarin is opgenomen dat de post betrekking heeft op ‘drukwerk’, onder welk begrip tevens ‘prenten, gravures en foto’s’ dienen te worden begrepen. Aldus is expliciet bepaald dat afbeeldingen dienen te worden begrepen onder het begrip drukwerk, hetgeen doet veronderstellen dat de term zelf daar niet reeds betrekking op heeft.

23. Gelet op het hiervoor overwogene zal het beroep gegrond worden verklaard en dient de uitspraak op bezwaar van 5 juli 2019, alsmede de afwijzende beslissing van

17 januari 2019 op het verzoek tot terugbetaling te worden vernietigd. Omdat eiseres niet heeft gesteld en toegelicht welk bedrag zij nog terug wenst te ontvangen, maar wel haar beroep heeft beperkt tot de puffy stickers en de letter stickers, zal de rechtbank verweerder opdragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen.

Proceskosten

24. Eiseres heeft in haar beroepschrift gevraagd om een veroordeling van verweerder in de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Reeds omdat eiseres het verzoek om proceskosten voor de bezwaarfase niet heeft gedaan voor de beslissing op bezwaar komt haar geen vergoeding van die kosten toe. Voor wat betreft de kosten voor het beroep heeft eiseres geen kosten opgevoerd die voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, zodat haar ook voor de beroepsfase geen vergoeding van kosten toekomt. De rechtbank ziet wel aanleiding om verweerder op te dragen het in deze zaak door eiseres betaalde griffierecht van € 345 te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar van 5 juli 2019;

- vernietigt de beslissing van 17 januari 2019;

- draagt verweerder op om met in achtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op het verzoek tot terugbetaling van eiseres van 3 juni 2018;

- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht tot een bedrag van € 345

aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kleij, voorzitter, en mr. drs. C.M. van Wechem en

mr. M.P.E. Oomens, leden, in aanwezigheid van mr. W.G. van Gastelen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2021.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.