Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:3102

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
02-05-2021
Zaaknummer
8756958 \ CV EXPL 20-4662
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Deze zaak draait om de vraag of eiseres krachtens de huurovereenkomst en het bij testament ten gunste van haar gevestigde vruchtgebruik recht jegens gedaagde heeft op betaling van huurpenningen. Als dit het geval is, moet de kantonrechter de betalingsachterstand begroten en daarbij ingaan op de vraag of de eventueel door gedaagde te betalen huurprijs ieder jaar kan worden geïndexeerd.

De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde gehouden is om de huurpenningen aan eiseres te betalen, dat de huurprijs jaarlijks moet worden geïndexeerd en dat de betalingsachterstand tot en met februari 2020 wordt begroot op € 26.203,72.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2021-0122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 8756958 \ CV EXPL 20-4662 WD

Uitspraakdatum: 14 april 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [woonplaats 1]

eiseres

verder te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr. J. van Rhijn

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats 2]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. A.E. Koster

Samenvatting van de zaak en het vonnis

Deze zaak draait om de vraag of [eiseres] krachtens de huurovereenkomst en het bij testament ten gunste van haar gevestigde vruchtgebruik recht jegens [gedaagde] heeft op betaling van huurpenningen. Als dit het geval is, moet de kantonrechter de betalingsachterstand begroten en daarbij ingaan op de vraag of de eventueel door [gedaagde] te betalen huurprijs ieder jaar kan worden geïndexeerd.

De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] gehouden is om de huurpenningen aan [eiseres] te betalen, dat de huurprijs jaarlijks moet worden geïndexeerd en dat de betalingsachterstand tot en met februari 2020 wordt begroot op € 26.203,72.

1 Het procesverloop

1.1.

[eiseres] heeft bij dagvaarding van 1 september 2020 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 16 februari 2021 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Beide partijen hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting heeft [eiseres] bij brieven van 8 en 15 februari 2021 nog stukken toegezonden. [gedaagde] heeft bij brief van 8 februari 2021 nog stukken toegezonden.

1.3.

[gedaagde] heeft op 17 maart 2021 nog gediend van (antwoord)akte.

1.4.

Tot slot is bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.

2 De feiten

2.1.

Op 3 juli 2017 is overleden de heer [naam] (de erflater). [eiseres] was de partner van de erflater. [gedaagde] is een meerderjarig kind van de erflater. [gedaagde] is samen met zijn broer ( [naam broer] ) en zijn zus ( [naam zus] ) erfgenaam van de erflater.

2.2.

De erflater voerde samen met [gedaagde] een juweliersbedrijf. Zij waren vennoot in een vennootschap onder firma. Tussen de vof als huurder en de erflater als verhuurder is op 1 juli 1996 een huurovereenkomst gesloten die zag op de (ver)huur van winkelruimte, magazijn e.d. aan het adres [adres] . Aldaar was de vof gevestigd en voerde zij haar juweliersbedrijf uit.

2.3.

De erflater heeft bij notariële akte van 4 maart 2011 over zijn nalatenschap beschikt. De notariële akte bevat de volgende passages:
“B. Legaat van vruchtgebruik
I. ik legateer aan mijn genoemde partner, [eiseres] (…) (1) het levenslange vruchtgebruik van mijn nalatenschap.
Met betrekking tot gemeld vruchtgebruik bepaal ik nog het volgende:
a. (…)
c. De vruchtgebruikster is verplicht op eerste verzoek van de hoofdgerechtigde(n) zoveel goederen van de nalatenschap te harer keuze te gelde te maken als nodig ten behoeve van de betaling van de tot de nalatenschap behorende schulden en kosten(…)
C. Legaat aan kinderen
I (…)
II Ik legateer aan [gedaagde] voornoemd in bloot eigendom (eigendom belast met voormeld vruchtgebruik) het gedeelte van het voormelde kadastrale perceel voor zover het de winkel (thans juwelierswinkel) (…) betreft”

3 De vordering

3.1.

[eiseres] vordert na vermindering van eis ter zitting dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
(i) [gedaagde] veroordeelt om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 26.203,72, te vermeerderen met rente;
(ii) [gedaagde] veroordeelt om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.967,71 per maand vanaf 1 maart 2021, te vermeerderen met rente;
(iii) verklaart voor recht dat [gedaagde] gerechtigd is de huur steeds jaarlijks te indexeren zoals in het huurcontract is voorzien;
(iv) primair: [gedaagde] veroordeelt in de volledige kosten van rechtsbijstand, te begroten op
€ 6.050,00 te vermeerderen met rente;
subsidiair: [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 1.394,25 aan buitengerechtelijke kosten ,te vermeerderen met rente;
(v) [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2.

[eiseres] voert daartoe, kort gezegd, als volgt aan. Op grond van het ten behoeve van [eiseres] gevestigde recht van vruchtgebruik komt aan [eiseres] betaling van de huurpenningen toe. [gedaagde] weigert desondanks de aan [eiseres] toekomende huurpenningen volledig aan [eiseres] af te dragen. Ook de huurprijsindexatie weigert [gedaagde] in acht te nemen. Berekend tot en met februari 2021 bedraagt de achterstand in de te betalen huurtermijnen in totaal
€ 26.203,72. [gedaagde] dient dit bedrag alsnog aan [eiseres] te voldoen. Gelet op de wanbetaling dient [gedaagde] daarnaast te vergoeden de verschuldigde rente over de betalingsachterstand, de werkelijke kosten van rechtsbijstand dan wel de buitengerechtelijke kosten.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] voert verweer op, kort gezegd, de navolgende gronden.
[eiseres] heeft geen recht op afdracht van huurpenningen. De onderhavige huurovereenkomst die ziet op het gebruik van de winkelruimte waarin het juweliersbedrijf is gevestigd, is met terugwerkende kracht vanaf de datum van overlijden van de erflater komen te vervallen.
Daarbij komt dat [gedaagde] een vordering op de nalatenschap heeft. Deze vordering vloeit voort uit het feit dat de erflater bij overlijden een schuld van € 172.983,00 aan de vennootschap onder firma had. Deze schuld rust op de erfgenamen en is nog niet voldaan. Op grond van artikel Ic. van het testament (zie 2.3.) had [eiseres] voor betaling van de schuld moeten zorgdragen en dat heeft zij niet gedaan. Nu zit [gedaagde] met een vordering op de nalatenschap (en daarmee op zijn broer en zus die mede erfgenaam zijn), terwijl [eiseres] weigert verdere uitvoering te geven aan de op grond van het testament op haar rustende verplichting.
Nog afgezien van het voorgaande is de begroting door [eiseres] van de door haar gestelde achterstand in de huurbetaling onjuist. Dat de huurprijs moet worden geïndexeerd blijkt nergens uit.
heeft geen belang bij haar vordering tot het afgeven van de verklaring voor recht over de indexatie van de huurprijs.
[gedaagde] is geen vergoeding van werkelijke kosten of buitengerechtelijke kosten verschuldigd.

5 De beoordeling

5.1.

In beginsel heeft [eiseres] op grond van haar vruchtgebruik recht op afdracht van de uit de huurovereenkomst voortvloeiende huurpenningen. Deze aanspraak gaat niet met terugwerkende kracht te niet door c.q. met ingang van het overlijden van de erflater. [gedaagde] is na effectuering van het ten behoeve van hem toegekende legaat bloot-eigenaar van de winkelruimte en verhuurt deze de facto aan zichzelf. Ter zake de huurovereenkomst is hij als schuldenaar en schuldeiser tegelijk te beschouwen. In een dergelijke situatie gaat de verbintenis tot betaling van de huur weliswaar teniet1, maar dit kan niet aan een derde als [eiseres] worden tegengeworpen en laat de aanspraak van [eiseres] krachtens het vruchtgebruik onverlet2.

5.2.

Aldus moet de kantonrechter de huurachterstand vaststellen. De kantonrechter zal ook bepalen of de maandelijks te betalen huurtermijnen moeten worden geïndexeerd. De kantonrechter overweegt als volgt.

5.3.

Bij dagvaarding heeft [eiseres] gesteld dat de maandelijkse huurprijs tot en met december 2019 € 2.365,50 bedraagt en dat met ingang van januari 2020 en juli 2020 de huurprijs moet worden geïndexeerd tot € 2.940,31 respectievelijk € 2.969,71. [gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord slechts de indexatie betwist.

5.4.

Ter zitting heeft [eiseres] haar stellingen gewijzigd in die zin dat zij thans stelt dat de te betalen huursom (inclusief indexatie) € 2.823,40 (met ingang van juli 2017), € 2.871,40 (met ingang van juli 2018), € 2.940,31 (met ingang van juli 2019) en € 2.969,71 (met ingang van juli 2020) bedraagt. Ter onderbouwing heeft [eiseres] bij deze gelegenheid nog naar voren gebracht dat het tussen de erflater en [gedaagde] gebruikelijk was dat [gedaagde] van de verschuldigde huursom een bedrag van € 2.365,15 daadwerkelijk betaalde en dat het restant (de indexaties) werd verrekend in de rekening-courant verhouding met de vennootschap onder firma.

5.5.

[gedaagde] , die in de gelegenheid is gesteld om op dit ter zitting gevoerde betoog bij akte te reageren, heeft dit alles niet weersproken. Derhalve staat als ongemotiveerd betwist vast dat de door [gedaagde] te betalen huur periodiek moet worden geïndexeerd. Daarbij komt dat ook in de destijds op schrift gestelde huurovereenkomst een indexatiebeding voorkomt. De door [eiseres] in de pleitnota opgenomen specificatie van de huurachterstand is door [gedaagde] ook voor het overige niet inhoudelijk weersproken en kan als uitgangspunt dienen bij de begroting van de huurachterstand.

5.6.

Daarvan uitgaande kan de huurachterstand tot en met februari 2021 worden begroot op een bedrag van € 26.203,72. [gedaagde] is betaling van dit bedrag aan [eiseres] verschuldigd. Hieraan doet niet af dat hij een vordering heeft op de nalatenschap van de erflater. Voor zover [gedaagde] zich op verrekening beroept, is dit beroep ongegrond, omdat [eiseres] geen erfgenaam is van de erflater en niet persoonlijk aansprakelijk is voor een eventuele nalatenschapsschuld. Voor zover [gedaagde] zich als verweer erop beroept dat [eiseres] een op haar krachtens artikel Ic van het testament ( zie 2.3.) rustende verplichting heeft geschonden, heeft [gedaagde] onvoldoende gesteld. Hierbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat artikel Ic van het testament geen verplichting voor [eiseres] inhoudt om nalatenschapsschulden te betalen maar om op eerste verzoek van een hoofdgerechtigde als [gedaagde] goederen van de nalatenschap te verkopen teneinde de erfgenamen in staat te stellen om deze op hen rustende schulden te voldoen. [gedaagde] heeft niet gesteld of en zo ja wanneer hij een dergelijk verzoek aan [eiseres] heeft gedaan.

5.7.

Het gevorderde bedrag van € 26.203,72 ligt voor toewijzing gereed. Omdat [eiseres] pas gedurende deze procedure in staat is geweest haar vordering deugdelijk te begroten, zal de kantonrechter de over dit bedrag verschuldigde rente toewijzen vanaf 14 dagen na heden. Bij gebrek aan een deugdelijke grondslag ligt de vordering tot betaling van de toekomstige huurtermijnen voor afwijzing gereed.

5.8.

Uit het voorgaande volgt dat de huurprijs jaarlijks moet worden geïndexeerd. [eiseres] heeft voldoende belang bij de hierop ziende vordering tot afgeven van een verklaring voor recht. De gevorderde verklaring zal worden afgegeven.

5.9.

De primair gevorderde kosten van rechtsbijstand, vermeerderd met rente, liggen voor afwijzing gereed. [eiseres] beroept zich hiertoe op de huurovereenkomst, maar dit beroep is ongegrond, omdat [eiseres] geen partij is bij deze huurovereenkomst. Dat in haar belang een recht van vruchtgebruik op de nalatenschap is gevestigd en dat dit vruchtgebruik de huurpenningen omvat, maakt haar geen partij bij de huurovereenkomst. Zij kan zich niet beroepen op de in de huurovereenkomst voorkomende bedingen aangaande kostenvergoedingen.

5.10.

Met betrekking tot de subsidiair gevorderde buitengerechtelijke kosten wordt als volgt overwogen. Nu [eiseres] pas gedurende deze procedure in staat is gebleken om haar vordering deugdelijk te begroten, moeten de door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten als nutteloos worden beschouwd. Om deze reden is de kantonrechter van oordeel dat deze kosten voor haar rekening dienen te blijven. De vordering tot vergoeding van deze kosten, vermeerderd met rente, ligt voor afwijzing gereed.

5.11.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5.12.

Het voorgaande leidt tot na te melden beslissing.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 26.203,72, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 dagen na heden tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

verklaart voor recht dat [eiseres] gerechtigd is de huur steeds jaarlijks te indexeren zoals in het huurcontract is voorzien;

6.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiseres] tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 105,09

griffierecht € 499,00

salaris gemachtigde € 996,00 ;

6.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van Rijn en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

1 Zie artikel 6:161 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)

2 Zie artikel 6:161 lid 3 BW