Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:3085

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-04-2021
Datum publicatie
19-04-2021
Zaaknummer
C/15/314160 / HA RK 21-47
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Heffing griffierecht mbt verzoek tot afwijzing homologatie akkoord (WHOA). Verzet ex artikel 29 Wgbz.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2021-0134
RI 2021/53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rekestnummer: C/15/314160 / HA RK 21-47

Beschikking van 15 april 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

1. FRONTLINE RIGGING CONSULTS B.V.

gevestigd te Utrecht,

2. MR. [verzoeker2],

kantoorhoudende te Utrecht,

3. ROSMALEN NEDLAND GERECHTSDEURWAARDERS B.V.

gevestigd te Utrecht,

verzoekers,

gemachtigde mr. F.C.E. Lussi te Utrecht

tegen

DE GRIFFIER VAN DE RECHTBANK NOORD-HOLLAND,

gevestigd te Haarlem,

verweerder.

1 De procedure

1.1.

Ter griffie van deze rechtbank is op 15 maart 2021 ingekomen een verzoekschrift ingevolge het bepaalde in artikel 29 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz), waarbij verzoeker (tijdig) in verzet is gekomen tegen de beslissing van de griffier tot heffing van het griffierecht ten bedrage van € 2.076,00.

1.2.

De griffier heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

1.3.

Van een mondelinge behandeling is, gelet op het bepaalde in artikel 1.4.1 van het toepasselijke Procesreglement verzoekschriftprocedures, afgezien.

2 De feiten

2.1.

Op 22 januari 2021 hebben Jurlights B.V. en Jurlights Holding B.V. (hierna gezamenlijk: Jurlights) ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift tot (onder meer) homologatie van een akkoord ex artikel 383 Fw ingediend.

2.2.

Frontline Rigging Consults B.V. (concurrente schuldeiser van Jurlights B.V. met een vordering van € 7.211,60) heeft op 28 januari 2021 ter griffie van deze rechtbank een verweerschrift met bijlagen ingediend en verzocht de homologatie af te wijzen. De griffier heeft hiervoor een bedrag van € 2.076,00 aan griffierecht in rekening gebracht, welk bedrag door verzoekster sub 1 is voldaan.

2.3.

Op 2 februari 2021 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek tot homologatie plaatsgevonden. Op 19 februari 2021 heeft de rechtbank het door Jurlights aangeboden akkoord gehomologeerd.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 383 lid 8 Fw luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Tot aan de dag van de [homologatie]zitting, (…), kunnen stemgerechtigde schuldeisers en aandeelhouders bij de rechtbank een met redenen omkleed schriftelijk verzoek indienen tot afwijzing van het homologatieverzoek. (…)

3.2.

Artikel 19a lid 3 Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) luidt als volgt:

Voor de indiening van een verzoek tot afwijzing van het verzoek tot homologatie van het akkoord als bedoeld in artikel 383, achtste lid, van de Faillissementswet wordt van een stemgerechtigde schuldeiser of aandeelhouder het griffierecht geheven bij de rechtbank voor andere zaken dan kantonzaken op basis van de tabel die als bijlage bij deze wet is gevoegd. De hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van het bedrag van hun vordering of het nominale bedrag van hun aandeel.

3.3.

Artikel 3 lid 4 Wgbz luidt als volgt:

De verzoeker en de belanghebbende zijn het griffierecht verschuldigd vanaf de indiening van het verzoekschrift respectievelijk het verweerschrift en zorgen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de behandeling plaatsvindt dan wel ter griffie is gestort.

3.4.

Het verzoek strekt intrekking dan wel vernietiging/creditering van de griffierechtnota en terugbetaling van het bedrag van €2.076,00 aan verzoekster sub 1. Verzoekers voeren - samengevat - als gronden voor het verzet aan dat:

  1. Sprake is van een foutieve nota. De tenaamstelling is niet juist en in de nota wordt ten onrechte melding gemaakt dat sprake is van een dagvaardingsprocedure met de daarbij behorende regels ten aanzien van de heffing van het griffierecht;

  2. De verplichting tot betaling van het griffierecht niet blijkt uit artikel 383 lid 8 Fw en de rechtbank c.q. de griffier de plicht had om verzoekers (naar de rechtbank begrijpt: vóórdat tot heffing zou worden overgegaan) omtrent de verschuldigdheid van het griffierecht en de hoogte hiervan in kennis te stellen. Van een partij mag niet worden verwacht dat hij de Wgbz raadpleegt;

  3. Het heffen van griffierecht na de mondelinge behandeling, waardoor een belangenafweging voor verzoekers niet mogelijk was, in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, waarbij ook geldt dat de hoogte van het griffierecht in geen verhouding staat tot het belang van verzoekster sub 1.

Ad a.

3.5.

Het staat vast dat het Landelijk Dienstencentrum Rechtspraak een deels onjuiste nota heeft verzonden, alleen al omdat hierin staat vermeld dat sprake is van een dagvaardingsprocedure in plaats van een verzoekschriftprocedure. Voor de verschuldigdheid van het griffierecht maakt deze fout echter geen verschil. Uit de nota blijkt ondubbelzinnig dat het griffierecht moet worden betaald. Daar komt bij dat de gemachtigde van verzoekers geacht moet worden op de hoogte te zijn van de geldende regels omtrent de heffing van griffierecht en het feit dat in een verzoekschriftprocedure verzoeker op grond van artikel 3 lid 4 Wgbz het griffierecht verschuldigd is vanaf de indiening van het verzoekschrift respectievelijk het verweerschrift. Bij twijfel over de juistheid van de nota had de gemachtigde contact kunnen opnemen met het Landelijk Dienstencentrum Rechtspraak. Het beroep op foutieve informatie in de nota kan verzoekers ten aanzien van de verschuldigdheid van het griffierecht dan ook niet baten.

Ad b. en c.

3.6.

Ook de sub b. en c. aangevoerde gronden kunnen niet slagen. De stelling dat de verschuldigdheid van griffierecht uit 383 lid 8 Fw had moeten blijken en dat van een partij niet mag worden verwacht dat hij de Wgbz raadpleegt volgt de rechtbank niet. Voormelde wet is er nu juist om in civiele zaken te kunnen bepalen in welke gevallen griffierecht verschuldigd is en voor welk bedrag. Partijen worden geacht deze wet te kennen, ook (of juist) een gemachtigde. De hierop voortbouwende stelling van verzoekers dat de griffier een taak dan wel plicht heeft partijen voorafgaand aan een zitting op de hoogte te brengen van de verschuldigdheid van het griffierecht vindt dan ook geen steun in het recht. Hiermee faalt ook de stelling dat sprake is van strijd met de redelijkheid en billijkheid, omdat een belangenafweging voor verzoekers niet mogelijk was. Indien (de gemachtigde) van verzoekers de Wgbz hadden geraadpleegd hadden zij voormelde belangenafweging wel degelijk kunnen maken. Bovendien is het griffierecht verschuldigd vanaf de indiening van het verzoekschrift, zodat het voor de door verzoekers gewenste mogelijkheid tot afweging van hun belangen niet had uitgemaakt als de nota voorafgaande aan de mondelinge behandeling zou zijn verstuurd.

3.7.

Ook het betoog van verzoekers dat de hoogte van het griffierecht niet in verhouding staat tot het belang van verzoekster sub 1. treft geen doel. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever bij de vaststelling van het griffierecht voor een verzoek tot afwijzing van de homologatie ervan is uitgegaan dat het economisch belang dat schuil gaat achter een dergelijk verzoek altijd boven het verschuldigde griffierecht zal liggen (MvT, kamerstukken II 2018/2019, 35249 nr. 3, p.72). Ook in deze zaak is dat het geval. In het enkele feit dat het griffierecht erg hoog is in verhouding tot het belang van verzoekers ziet de rechtbank daarom geen grond voor het oordeel dat het heffen van dit griffierecht in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

3.8.

Het voorgaande brengt mee dat het verzet ongegrond zal worden verklaard.

4 De beslissing

De rechtbank

Verklaart het verzet ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2021.1

1 type: 299 coll: