Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:3069

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
30-04-2021
Zaaknummer
312022
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Voortzetting van de zaak na minnelijke regeling en doorhaling van de procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/312022 / HA ZA 21-28

Vonnis van 14 april 2021

in de zaak van

[eiser 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. C.J. van Dijk te Ede Gld,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. W.J.T. Ursem te Alkmaar.

1 De zaak in het kort

Tussen partijen heeft in 2018 een procedure over een geldlening plaatsgevonden bij deze rechtbank. Partijen hebben die zaak geschikt en de procedure is doorgehaald. De schikking heeft niet tot resultaat geleid. [eiser 1] wil nu dat de oorspronkelijke zaak wordt voortgezet. [gedaagde] maakt daar bezwaar tegen. De rechtbank is van oordeel dat de zaak kan worden voortgezet, omdat de doorhaling van de zaak op zich geen rechtsgevolgen heeft en niet is gebleken dat partijen in de oorspronkelijke procedure de bedoeling hadden hun geschil definitief te beëindigen.

2 De procedure

2.1.

Tussen partijen heeft een procedure plaatsgevonden onder zaaknummer / rolnummer C/15/268531 / HA ZA 18/7. In die zaak is een tussenvonnis gewezen en heeft op 7 december 2018 een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarbij partijen de zaak hebben geschikt. De procedure is op verzoek van partijen doorgehaald.

2.2.

Op 27 januari 2021 heeft [eiser 1] verzocht om alsnog vonnis te wijzen in de oorspronkelijke procedure. [gedaagde] heeft verzocht om voortzetting comparitie. De rolrechter heeft bepaald dat partijen hun verzoeken nader moeten motiveren.

2.3.

Bij akte van 17 februari 2021 heeft [eiser 1] zijn verzoek toegelicht. Bij brief van 17 februari 2021 heeft [gedaagde] (alsnog) bezwaar gemaakt tegen het verzoek van [eiser 1] .

2.4.

Vervolgens is vonnis bepaald.

3 De overwegingen

3.1.

Het oorspronkelijke geschil tussen partijen gaat over de vraag of [gedaagde] € 270.182,00 met rente en kosten aan [eiser 1] moet betalen en, als hij dat niet doet, moet meewerken aan het vestigen van een hypothecaire zekerheid op het vakantiehuis van [gedaagde] op Curaçao. Partijen hebben hierover een minnelijke regeling getroffen. Samengevat en voor zover van belang houdt deze regeling in, dat [gedaagde] volledige medewerking zal verlenen aan het proberen te vestigen van een hypotheek in rang direct na de hypotheek of hypotheken bij de MCB Bank te Curaçao, dat [eiser 1] bekend is met de beslaglegging op de woning, en dat - als de MCB Bank geen medewerking verleent aan het vestigen van de hypotheek ten behoeve van [eiser 1] - [eiser 1] zal trachten de hypothecaire vordering(en) met nevenrechten van de MCB Bank op [gedaagde] over te nemen. De zaak is, overeenkomstig de minnelijke regeling, doorgehaald op de rol.

3.2.

Vervolgens heeft [eiser 1] de MCB Bank gevraagd of deze toestemming wil verlenen tot het vestigen van een (derde) hypotheek (na de eerste en tweede hypotheek). MCB Bank heeft zich op het standpunt gesteld dat de eigenaren een dergelijk verzoek moeten doen. [eiser 1] heeft [gedaagde] gevraagd om zelf toestemming aan MCB Bank te vragen. [gedaagde] heeft dat niet gedaan.

3.3.

[eiser 1] verzoekt nu om voort te procederen in de oorspronkelijke zaak, omdat [gedaagde] in gebreke blijft aan de getroffen regeling mee te werken. Door voort te procederen wenst [eiser 1] een executoriale titel voor de geldlening te verkrijgen, waarmee hij zo nodig MCB Bank kan dwingen tot uitwinning van haar hypothecaire rechten over te gaan of toestemming te verlenen tot het vestigen van een derde hypotheek.

3.4.

[gedaagde] maakt bezwaar tegen het verzoek van [eiser 1] . Volgens [gedaagde] zijn partijen in de vaststellingsovereenkomst twee opties overeengekomen en ligt het op de weg van [eiser 1] om eerst terug te vallen op de tweede optie, namelijk de overname door [eiser 1] van vordering en aanverwante zekerheden van de eerste hypotheekhouder. Het is daarom prematuur om de zaak verder te behandelen. Het verzoek van [eiser 1] om meteen vonnis te wijzen is ook prematuur en in strijd met de goede procesorde, aldus [gedaagde] .

3.5.

De rechtbank overweegt het volgende. Het staat partijen op zich vrij om na doorhaling (‘royement’) de zaak opnieuw op de rol te brengen ter voortzetting van het geding.1 Doorhaling op de rol is namelijk alleen maar een administratieve maatregel en heeft op zich geen rechtsgevolgen. [gedaagde] stelt niet dat er tussen partijen een overeenkomst bestaat, op grond waarvan [eiser 1] de zaak niet meer opnieuw kan aanbrengen. De rechtbank constateert dat uit (de tekst van) de vaststellingsovereenkomst niet blijkt dat partijen dit zijn overeengekomen of hebben bedoeld overeen te komen. [gedaagde] noemt ook geen andere omstandigheden die een beletsel zouden kunnen vormen om de zaak weer op de rol te plaatsen. [gedaagde] voert wel aan dat voortzetting van de procedure prematuur is, omdat [eiser 1] de tweede overeengekomen optie nog niet is nagekomen. Maar dat is geen relevante omstandigheid voor de vraag of de oorspronkelijke procedure kan worden hervat. Dat zegt namelijk niets over de vraag of partijen met de doorhaling van de zaak hebben beoogd dat de procedure definitief is geëindigd. Bovendien lijkt [gedaagde] er zelf ook van uit te gaan dat het mogelijk is om de oorspronkelijke procedure te hervatten, maar vindt hij dat (alleen maar) prematuur. De rechtbank ziet al met al geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de zaak opnieuw op de rol kan worden gebracht ter voortzetting van het geding.

3.6.

De conclusie is dat de rechtbank het verzoek van [eiser 1] zal toewijzen, in die zin dat de oorspronkelijke procedure zal worden voortgezet.

3.7.

De rechtbank ziet in de aard van het onderhavige verzoek aanleiding om de proceskosten ten aanzien van dat verzoek tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

mondelinge behandeling

3.8.

De rechtbank ziet aanleiding om (opnieuw) een mondelinge behandeling te bepalen. Op de zitting zal de actuele stand van zaken worden besproken en kunnen partijen desgewenst hun standpunten toelichten. Die zitting heeft verder als doel inlichtingen van partijen te verkrijgen, te onderzoeken of – opnieuw – een schikking mogelijk is en eventueel afspraken te maken over de verdere voortgang van de procedure. Voor de zitting wordt 90 minuten tijd gereserveerd. Partijen kunnen op na te melden roldatum hun verhinderdata opgeven.

Verschijnen partijen

3.9.

Partijen moeten rechtsgeldig vertegenwoordigd en vergezeld van hun advocaat op de zitting verschijnen. Als een partij niet of niet rechtsgeldig vertegenwoordigd op de zitting verschijnt, kan de rechtbank beslissen in het nadeel van de partij die niet verschijnt. De zitting zal mogelijk digitaal via Skype plaatsen.

Schriftelijke aantekeningen

3.10.

Partijen en hun gemachtigden kunnen op de zitting hun standpunten kort (in beginsel maximaal 10 minuten per partij) nader toelichten. Indien daarbij gebruik wordt gemaakt van pleitaantekeningen mag dit stuk hooguit 4 pagina’s (formaat A4) beslaan.

Nadere stukken

3.11.

Partijen dienen uiterlijk 10 dagen voor de dag van de zitting aan de rechtbank en de wederpartij een kopie te sturen van alle stukken die voor de beoordeling van de zaak noodzakelijk zijn en die nog niet in de procedure zijn overgelegd. De originele stukken dienen zij bij zich te hebben bij de zitting.

3.12.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De beslissing

De rechtbank

ten aanzien van het onderhavige verzoek

4.1.

wijst het verzoek van [eiser 1] om verder te procederen toe;

4.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

ten aanzien van de zaak met zaaknummer / rolnummer C/15/268531 / HA ZA 18/7

4.3.

bepaalt dat de procedure onder het nieuwe zaak- en rolnummer wordt voortgezet;

4.4.

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de mondelinge behandeling van mr. I.H. Lips in het gerechtsgebouw te Alkmaar aan de Kruseman van Eltenweg 2 op een door de rechtbank vast te stellen wijze (eventueel Skype) datum en tijd;

4.5.

bepaalt dat partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn;

4.6.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 28 april 2021 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden juni tot en met augustus 2021, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald;

4.7.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen;

4.8.

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd;

4.9.

wijst partijen er op, dat voor de zitting anderhalf uur zal worden uitgetrokken;

4.10.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.H. Lips en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2021.2

1 Artikel 246 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

2 type: IHL coll: LJS