Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:3000

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-04-2021
Datum publicatie
13-04-2021
Zaaknummer
HAA 20/3428
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek om schadevergoeding. CBR heeft onrechtmatig gehandeld door het overschrijden van de beslistermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/3428


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2021 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. D. Quakernaat),

en

de Algemeen Directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder

(gemachtigde: mr. Y.M. Wolvekamp).

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2020 heeft verweerder het verzoek van verzoeker om schadevergoeding toe te kennen als gevolg van het niet tijdig nemen van een besluit afgewezen.

Verzoeker heeft tegen het besluit bezwaar ingesteld. Dit bezwaarschrift is door verweerder aangemerkt als een verzoekschrift en doorgezonden naar deze rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden middels een digitale verbinding via Skype op 8 april 2021. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding toe;

  • -

    veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan verzoeker tot een bedrag van € 1.400,-;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.068,-.

Overwegingen

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

1. Verzoeker is beroepschauffeur. In verband met het verlopen van zijn rijbewijs op 27 januari 2020 heeft verzoeker op 13 augustus 2019 een Gezondheidsverklaring ingediend bij verweerder. Op 13 december 2019 heeft verweerder verzoeker verwezen naar een arbo-arts. Bij besluit van 25 februari 2020 heeft verweerder verzoeker rijgeschikt bevonden. Op 2 maart 2020 kon verzoeker zijn werk als vrachtwagenchauffeur weer hervatten.

2 Op 20 april 2020 heeft verzoeker een verzoek tot het toekennen van schadevergoeding gedaan. Verzoeker stelt dat hij schade heeft geleden als gevolg van het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn aanvraag voor het verlengingen van zijn rijbewijs. Als gevolg daarvan heeft verzoeker over de periode van 27 januari 2020 tot 2 maart 2020 geen inkomen genoten.

3.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder door het overschrijden van de beslistermijn onrechtmatig heeft gehandeld jegens verzoeker en dat verzoeker hierdoor schade heeft geleden.

3.2

In vaste rechtspraak van de Afdeling is overwogen dat de enkele omstandigheid dat een bestuursorgaan een besluit neemt met overschrijding van de wettelijke beslistermijn, onvoldoende is voor het oordeel dat aldus onrechtmatig wordt gehandeld. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig.1

3.3

Tussen partijen is niet in geschil dat de wettelijke beslistermijn is overschreden, maar wel of genoemde bijkomende omstandigheden aanwezig zijn die samengenomen maken dat verweerder onrechtmatig ten opzichte van verzoeker heeft gehandeld.

3.4

De rechtbank is van oordeel dat deze bijkomende omstandigheden aanwezig zijn. Niet in geschil is dat het CBR in de periode dat verzoeker zijn aanvraag om een nieuw rijbewijs deed op zijn website de mededeling had geplaatst dat beslissingen over het afgeven van nieuwe rijbewijzen standaard vier maanden duurden en dat aanvragers werd geadviseerd hun aanvraag ruim voor het verstrijken van de geldigheid van hun rijbewijs in te dienen. Verzoeker heeft zijn aanvraag ruimschoots voor die tijd ingediend en heeft geprobeerd de voortgang van zijn aanvraag te bespoedigen door maarliefst vijftien keer telefonisch contact op te nemen met de klantenservice van het CBR in de periode augustus 2019 - februari 2020. Dit heeft de aanvraag echter niet bespoedigd.

3.5

Een andere bijkomende omstandigheid is dat het CBR ten tijde van de door verzoeker ingediende aanvraag voor een nieuw rijbewijs op zijn website had vermeld dat beroepschauffeurs voorrang kregen bij het doen van zo’n aanvraag. Nu verzoeker een beroepschauffeur is, had hij voorrang moeten krijgen. Verweerder heeft ter zitting niet aan kunnen geven waarom verzoeker deze voorrang niet heeft gekregen, of als hij die wel heeft gekregen, waarom het dan toch zo lang heeft geduurd.

3.6

De rechtbank ontleent bij bovenstaande motivering steun aan de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 4 november 2020,2 waarin hetzelfde is overwogen.

3.7

De verwijzing van verweerder naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 2 juni 20203 kan niet tot een andere uitkomst leiden. In genoemde zaak kwam de rechtbank tot de conclusie dat het CBR niet onrechtmatig had gehandeld, omdat de verzoeker in die zaak zelf ook heel laat was met zijn aanvraag en er sprake was van een geringe termijnoverschrijding. Van die beide aspecten is in de onderhavige zaak geen sprake.

3.8

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat verweerder, door pas na het verstrijken van de wettelijke termijn een besluit te nemen, in strijd heeft gehandeld met de in het maatschappelijk verkeer ten opzichte van verzoeker in acht te nemen zorgvuldigheid. Dat betekent dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van verzoeker. De rechtbank is van oordeel dat dit onrechtmatig handelen aan verweerder moet worden toegerekend.

4.1

Verzoeker stelt vervolgens € 2.120,- aan looninkomsten te hebben misgelopen als gevolg van het onrechtmatig handelen van verweerder.

4.2

Verzoeker heeft aangevoerd dat hij verplicht acht snipperdagen en twee PKB-dagen op heeft moeten nemen (80 uur x € 15,35 = € 1.228,-). Die opgenomen vrije dagen ziet de rechtbank als vermogensschade. Immers, zou verzoeker die dagen op een later tijdstip weer willen opnemen dan zal verzoeker voor die vrije dagen moeten betalen. Daar tegenover staat echter het genot dat verzoeker heeft genoten van zijn vrije dagen. De rechtbank schat het genoten genot op een bedrag van € 228,-. Dat betekent dat verzoeker voor het opnemen van de vrije dagen een schadevergoeding toegekend krijgt van € 1.000,-.

4.3

Daarnaast heeft verzoeker aangevoerd dat hij in de genoemde periode € 892,18 aan overuren heeft misgelopen. Het gemiddelde aantal overuren van verzoeker in de zes maanden voorafgaand aan februari 2020 leverde hem ongeveer € 815,-per maand op. Dit is echter een brutobedrag waarvoor het bijzondere tarief van 51% belasting geldt. Dat betekent dat verzoeker voor de gemiste overuren een schadevergoeding toegekend krijgt van € 400,-.

4.4

Gelet op het voorgaande veroordeelt de rechtbank verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan verzoeker tot een bedrag van € 1.400,-.

5 Omdat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding toewijst moet verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

6 Omdat het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen, krijgt verzoeker verder een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting). Die punten hebben een waarde van € 534,- bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.068,-.

Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2021 door mr. J.J. Maarleveld, rechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier.

griffier

Rechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ABRvS 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:476

2 Rechtbank Oost-Brabant 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:RBOBR:2020:5350

3 Rb Noord-Nederland 2 juni 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:2418