Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:2936

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-04-2021
Datum publicatie
09-04-2021
Zaaknummer
15/261999-20
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De aan verdachte in deze strafzaak tenlastegelegde feiten maken deel uit van een onderzoek naar een reeks gewelddadige acties in de periode van februari 2020 tot en met juli 2020, gericht tegen leeftijdsgenoot [slachtoffer 2]. en zijn familie.

Het dieptepunt is bereikt op 31 mei 2020, toen de moeder van [slachtoffer 2] zwaar gewond is geraakt door een ontploffing van zwaar vuurwerk aan de brievenbus van haar woning. Maar ook daarvoor en daarna hebben er ernstige incidenten plaatsgevonden. Er is twee keer een fragmentatiebom in de achtertuin van de woning van die moeder ontploft, het keukenraam van haar woning is meerdere malen vernield, er is een plan bedacht haar woning in brand te steken, de woning en de auto van de grootouders van [slachtoffer 2] zijn vernield, [slachtoffer 2] en zijn broer zijn bedreigd en de auto van de grootmoeder van [slachtoffer 2] is in brand gestoken.

Deze aanslagen hebben alle plaatsgevonden na de ontploffing van een vuurwerkbom bij het pannenkoekenrestaurant in het Reinaldapark te Haarlem op 1 januari 2020, een wraakactie van [slachtoffer 2] tegen zijn voormalige werkgever waarbij zijn medeverdachte [medeverdachte 1] zwaar gewond is geraakt. Vervolgens is er een conflict tussen [slachtoffer 2] en [medeverdachte 1] ontstaan, waarbij [medeverdachte 1] aan [slachtoffer 2] verweet dat [slachtoffer 2] geen openheid van zaken heeft gegeven tegenover de politie. Vanaf 2 februari 2020 zijn voornoemde acties tegen [slachtoffer 2] en zijn familie ondernomen. Bij de acties zijn naast [medeverdachte 1] in ieder geval drie anderen betrokken geweest, onder wie verdachte.

De rechtbank acht het bewezen dat verdachte medeplichtig is geweest aan de brandstichting van de auto van de grootmoeder van [slachtoffer 2] en dat hij samen met een ander het keukenraam van de woning van de moeder van [slachtoffer 2] heeft vernield.

Verdachte wordt veroordeeld tot een deels voorwaardelijke werkstraf, met een proeftijd van twee jaar en onder de bijzondere voorwaarden van onder meer een contactverbod met de slachtoffers en medeverdachten en een locatieverbod. Daarnaast wordt aan verdachte een leerstraf opgelegd. Tevens moet hij een schadevergoeding betalen van in totaal € 903,50 aan het slachtoffer, de moeder van [slachtoffer 2].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd

Locatie Alkmaar

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 15/261999-20

Uitspraakdatum: 9 april 2021

Tegenspraak

Vonnis (P)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen met gesloten deuren van 18, 22 en 26 maart 2021 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

( [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. M.J.A. Colijn en A.F. Hof en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. R.W. van Zanden, advocaat te Hoofddorp, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na ter terechtzitting van 18 maart 2021 toegestane wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 14 juni 2020 te Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een mix van benzine en/of spiritus en/of napalm en/of spuitlijm, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan een auto (van het merk [merk] , type [type] , toebehorend aan [naam] ) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde auto en/of nabij gelegen geparkeerde auto's, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was,

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 5] op of omstreeks 14 juni 2020 te Haarlem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een mix van benzine en/of spiritus en/of napalm en/of spuitlijm, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan een auto (van het merk [merk] , type [type] , toebehorend aan [naam] ) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde auto en/of nabij gelegen geparkeerde auto’s, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op een tijdstip in of omstreeks de periode van 13 juni 2020 tot en met 14 juni 2020 te Haarlem, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door die die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 5]

  • -

    te informeren waar de auto genoemd stond; en/of

  • -

    (een deel van) het kenteken en/of type van die auto te noemen;

Feit 2:

hij op of omstreeks 23 mei 2020 te Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een (keuken)raam (behorend bij de woning aan [adres] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), te weten aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

Feit 3:

hij een of meermalen in of omstreeks de periode van 20 tot en met 30 mei 2020 te Haarlem

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een (keuken)raam (behorend bij de woning aan [adres] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), te weten aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

2 Voorvragen

2.1

Beroep op niet-ontvankelijkheid van de officieren van justitie in de vervolging voor feit 2

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging voor feit 2, omdat een vernieling van het keukenraam op 23 mei 2020 na wijziging van de tenlastelegging zowel onder feit 2 als onder feit 3 ten laste is gelegd.

De officieren van justitie hebben gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 2, te weten medeplegen van vernieling op 23 mei 2020, en van feit 3, te weten medeplegen van beschadiging op 21 of 22 mei 2020.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het Openbaar Ministerie ook ontvankelijk is in zijn vervolging van verdachte voor feit 2, nu de (gewijzigde) tenlastelegging onder 3 op een ander feit ziet dan het onder 2 tenlastegelegde feit.

2.2

Overige voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ook voor het overige ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Inleiding

De aan verdachte in deze strafzaak tenlastegelegde feiten maken deel uit van een onderzoek naar een reeks gewelddadige acties in de periode van februari 2020 tot en met juli 2020, gericht tegen [slachtoffer 2] en zijn familie.

Het dieptepunt is bereikt op 31 mei 2020, toen de moeder van [slachtoffer 2] zwaar gewond is geraakt door een ontploffing van zwaar vuurwerk aan de brievenbus van haar woning. Maar ook daarvoor en daarna hebben er ernstige incidenten plaatsgevonden. Er is twee keer een fragmentatiebom in de achtertuin van de woning van de moeder van [slachtoffer 2] ontploft, het keukenraam van haar woning is meerdere malen vernield, er is een plan bedacht haar woning in brand te steken, de woning en de auto van de grootouders van [slachtoffer 2] zijn vernield, [slachtoffer 2] en zijn broer zijn bedreigd en de auto van de grootmoeder van [slachtoffer 2] is in brand gestoken.

Deze aanslagen hebben alle plaatsgevonden na de ontploffing van een vuurwerkbom bij het pannenkoekenrestaurant in het Reinaldapark te Haarlem op 1 januari 2020, een wraakactie van [slachtoffer 2] tegen zijn voormalige werkgever waarbij medeverdachte [medeverdachte 1] zwaar gewond is geraakt. Vervolgens is er een conflict tussen [slachtoffer 2] en [medeverdachte 1] ontstaan, waarbij [medeverdachte 1] [slachtoffer 2] verweet dat [slachtoffer 2] geen openheid van zaken heeft gegeven tegenover de politie. Vanaf 2 februari 2020 zijn voornoemde acties tegen [slachtoffer 2] en zijn familie ondernomen. Bij de acties zijn naast [medeverdachte 1] ook anderen betrokken geweest. De vraag of verdachte één van die anderen is geweest, zal de rechtbank in dit vonnis beantwoorden.

4 Beoordeling van het bewijs

4.1

Standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde feit alsmede partiële vrijspraak ten aanzien van het gemeen gevaar voor de auto van [naam] , en tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

4.2

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is vrijspraak bepleit van alle tenlastegelegde feiten.

4.3

Oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak feit 1 primair

Met de officieren van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de onder 1 primair tenlastegelegde brandstichting heeft medegepleegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat de rol die verdachte heeft gehad bij deze brandstichting niet kan worden gekwalificeerd als medeplegen, nu de daarvoor vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten niet is komen vast te staan.

4.3.2

Vrijspraak feit 3

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 3 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Medeverdachte [medeverdachte 5] heeft in de vele verhoren bij de politie éénmalig verklaard dat hij behalve op 23 mei 2020 (feit 2) nog een keer, op een door hem niet geconcretiseerd moment, samen met verdachte een steen tegen of door het raam van de woning aan [adres]

heeft gegooid. Deze weliswaar belastende, maar weinig concrete verklaring van [medeverdachte 5] vindt echter geen steun in de rest van het procesdossier.

4.3.3

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

4.3.4

Bewijsmotivering en -overwegingen

4.3.4.1 Algemene overwegingen met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 5]

De verdediging heeft het standpunt ingenomen dat de rechtbank uiterst behoedzaam dient om te gaan met de belastende verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 5] en deze (grotendeels) buiten beschouwing dient te laten, omdat [medeverdachte 5] wisselend en leugenachtig heeft verklaard, en zijn verklaringen niet vanuit zijn herinnering of eigen waarneming tot stand zijn gekomen, maar door een en ander achteraf te beredeneren.

De rechtbank acht de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 5] voldoende betrouwbaar om deze niet in algemene zin uit te sluiten. De rechtbank komt tot dat oordeel, enerzijds omdat de door [medeverdachte 5] afgelegde verklaringen op onderdelen steun vinden in overige bevindingen in het procesdossier. Anderzijds acht de rechtbank de door [medeverdachte 5] gegeven uitleg voor zijn deels wisselende verklaringen, geloofwaardig. [medeverdachte 5] heeft verklaard zichzelf tijdens zijn verhoren bij de politie in eerste instantie te hebben willen vrijpleiten, maar kon of wilde dat gaandeweg niet langer volhouden, waarna hij steeds meer strafbare feiten heeft bekend. Door deze bekentenissen heeft [medeverdachte 5] vooral zichzelf belast. Hij heeft onder meer het meest ernstige feit uit de reeks incidenten bekend. In zijn vijfde verhoor heeft hij namelijk bekend dat hij op 31 mei 2020 het aangestoken Cobra 6 vuurwerk in de brievenbus van de woning aan [adres] heeft geplaatst, terwijl er op dat moment geen onomstotelijk bewijs tegen hem voorhanden was. Ook is [medeverdachte 5] al in de aanloop van de behandeling van zijn strafzaak het mediationtraject aangegaan met aangeefster [slachtoffer 1] , het zwaar gewond geraakte slachtoffer van dit feit. Aldus geeft [medeverdachte 5] er blijk van (uiteindelijk) verantwoordelijkheid te hebben genomen voor zijn daden. Deze vérgaande ontwikkeling in de proceshouding van [medeverdachte 5] sterkt de rechtbank in de overtuiging dat zijn latere verklaringen oprecht zijn. Daar komt nog bij dat [medeverdachte 5] heeft toegelicht dat zijn herinneringen helderder zijn geworden, naarmate de periode waarin hij intensief blowde verder achter hem lag. Ook dit acht de rechtbank aannemelijk en draagt bij aan de betrouwbaarheid van zijn latere verklaringen.

Desondanks zal de rechtbank met de belastende verklaringen van [medeverdachte 5] behoedzaam omgaan. Uit het dossier blijkt immers dat [medeverdachte 5] bij veel gebeurtenissen in de lange periode tussen maart tot en met juli 2020 betrokken is geweest en/of daarvan kennis heeft gehad, terwijl hij destijds veelvuldig blowde. Zoals hiervoor al overwogen zijn [medeverdachte 5] herinneringen na verloop van tijd helderder geworden. Hierdoor en als gevolg van zijn stapsgewijze bekentenissen, is [medeverdachte 5] in zijn verhoren regelmatig teruggekomen op verschillende onderdelen uit eerdere verklaringen. De rechtbank zal dus de latere verklaringen van [medeverdachte 5] tot uitgangspunt nemen voor het bewijs maar acht het daarbij van belang dat de onderdelen van verklaringen van [medeverdachte 5] die bijdragen aan bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten zoveel mogelijk door andere bewijsmiddelen worden ondersteund.

4.3.4.2 Overwegingen met betrekking tot feit 1 subsidiair

De rechtbank acht de ten laste gelegde medeplichtigheid tot feit 1 subsidiair wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe als volgt.

Medeverdachte [medeverdachte 5] heeft ter terechtzitting van 22 maart 2021 als getuige onder ede verklaard dat het plan was de auto van de moeder van [slachtoffer 2] in brand te steken, dat verdachte op de hoogte was van dit plan en dat verdachte aan hem en [medeverdachte 1] heeft doorgegeven dat die auto er niet stond, maar de auto van de grootmoeder, aangeefster [naam] , wel. Verdachte heeft in de schuur van [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 5] in persoon doorgegeven welke auto het betrof. Verdachte heeft dit op een later moment op 14 juni 2020 ook via Snapchat aan [medeverdachte 5] doorgegeven, omdat hij, [medeverdachte 5] , weer vergeten was welke auto het was.

De rechtbank acht deze verklaring van [medeverdachte 5] betrouwbaar en geloofwaardig omdat hij bij zijn getuigenverhoor onder ede door de rechtbank en de verdediging flink is ‘doorgezaagd’ en de onwaarheden, omissies of onduidelijkheden in zijn eerdere verklaringen – zoals de omstandigheid dat hij verdachte pas tijdens zijn laatste politieverhoor op 12 oktober 2020 voor het eerst met betrekking tot dit feit heeft genoemd – op een geloofwaardige en authentieke wijze heeft toegegeven dan wel toegelicht en aangevuld. Dit geldt ook voor zover [medeverdachte 5] verklaart over de totstandkoming en de bedoeling van de in zijn mobiele telefoon aangetroffen WhatsApp berichten van 15 juni 2020 tussen hem en verdachte (dossierpagina 1937), namelijk dat verdachte door dat gesprek van de verdenkingen van zijn familie over zijn betrokkenheid bij de autobrandstichting op 14 juni 2020 moest worden gezuiverd. Verder is middels onderzoek door de politie bevestigd dat de auto van de moeder van [slachtoffer 2] niet ter plekke stond. De rechtbank hecht aldus aan de verklaring van [medeverdachte 5] als getuige meer waarde dan aan de puur ontkennende verklaring van verdachte.

4.3.4.3 Overwegingen met betrekking tot feit 2

De rechtbank acht het ten laste gelegde medeplegen van feit 2 wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe als volgt.

Medeverdachte [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij samen met verdachte het keukenraam van de woning aan [adres] heeft geprobeerd in te gooien. Zij hebben dit gedaan in opdracht van medeverdachte [medeverdachte 1] en hen is daarvoor geld in het vooruitzicht gesteld. Zij hebben tegelijk ieder een steen tegen het raam gegooid. Verdachte stond aan de linkerkant en hij aan de rechterkant. Het is hem toen niet gelukt en de door verdachte gegooide steen heeft slechts een barst in de ruit veroorzaakt. Hij en verdachte zijn daarna weggerend.

[medeverdachte 5] heeft voorts verklaard dat hij het later ook een keer alleen, zonder verdachte, heeft gedaan. Toen heeft hij het raam kapot gegooid en daarvoor € 100,- van [medeverdachte 1] gekregen.

Deze belastende verklaring van [medeverdachte 5] vindt steun in de aangiftes van verschillende incidenten in de maand mei 2020 waarbij het keukenraam van de woning aan [adres] is ingegooid of is geprobeerd in te gooien, in de verklaringen van de ouders van [medeverdachte 5] en in de verklaring van getuige [getuige] .

Getuige [getuige] heeft verklaard een knal te hebben gehoord en een persoon voor het keukenraam van de woning aan [adres] te hebben zien staan die naar links, in de richting van [straat] , is weggerend. Zij is ook in die richting gerend. Aangekomen bij het kruispunt van de [weg] en de [straat] , heeft zij die persoon zien lopen en de woning met huisnummer [huisnummer] binnen zien gaan. Tien minuten later heeft zij de bewoners van die woning gesproken, onder wie verdachte die zij herkende als degene die zij voor het keukenraam aan [adres] heeft zien staan en de woning aan de [adres] naar binnen heeft zien lopen. Verdachte heeft verklaard op dit adres te wonen.

De ouders van [medeverdachte 5] hebben verklaard verdachte op 17 juli 2020 bij hen thuis te hebben gesproken en van hem te hebben gehoord dat hij samen met hun zoon een steen tegen de ramen van [adres] had gegooid.

De rechtbank leidt uit de diverse verklaringen in het dossier af dat verdachte en [medeverdachte 5] de beschadiging van het keukenraam op 23 mei 2020 samen hebben gepleegd en dat dit het enige keukenraamincident is geweest waarbij verdachte betrokken is geweest.

De rechtbank hecht ook in dit geval meer waarde aan de verklaring van [medeverdachte 5] , die zij betrouwbaar en geloofwaardig acht en die door andere bewijsmiddelen wordt gesteund, dan aan de ontkennende verklaring van verdachte. Verdachte heeft overigens het door hem geschetste alternatieve scenario niet nader onderbouwd waardoor het ook niet geverifieerd is kunnen worden.

4.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1 subsidiair:

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] op 14 juni 2020 te Haarlem, tezamen en in vereniging met elkaar, opzettelijk brand hebben gesticht door open vuur in aanraking te brengen met benzine ten gevolge waarvan een auto van het merk [merk] , type [type] , toebehorend aan [naam] , gedeeltelijk is verbrand en gemeen gevaar voor goederen te duchten was,

tot het plegen van welk misdrijf verdachte op een tijdstip in de periode van 13 juni 2020 tot en met 14 juni 2020 te Haarlem, opzettelijk inlichtingen heeft verschaft door die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5]

  • -

    te informeren waar de genoemde auto stond en

  • -

    het kenteken van die auto te noemen;

Feit 2:

hij op 23 mei 2020 te Haarlem tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een keukenraam behorend bij de woning aan [adres] , toebehorende aan [slachtoffer 1] , heeft beschadigd.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 subsidiair: medeplichtigheid tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

Feit 2: medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering van de sancties

7.1

Standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 subsidiair, 2 en 3 zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 100 uren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 50 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en onder de bijzondere voorwaarden van het opvolgen van aanwijzingen van de jeugdreclassering betreffende zijn gedrag, ook als dit inhoudt meewerken aan urinecontroles, en een contactverbod met de medeverdachten en slachtoffers.

Daarnaast hebben de officieren van justitie gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een leerstraf, Tools4U Verlengd, voor de duur van 30 uren.

Ten slotte is gevorderd dat het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

7.2

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is geen subsidiair (strafmaat)verweer gevoerd.

7.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een tweetal strafbare feiten, die deel uitmaken van een lange reeks gewelddadige acties tegen [slachtoffer 2] en zijn familie in de periode van februari tot en met juli 2020 die door de rechtbank gezien worden als wraakacties vanwege de betrokkenheid van [slachtoffer 2] bij de ontplofte vuurwerkbom op 1 januari 2020 waarbij medeverdachte [medeverdachte 1] zwaar gewond is geraakt.

In de nacht van 22 op 23 mei 2020 heeft verdachte samen met een medeverdachte een steen gegooid tegen het keukenraam van de woning van de moeder van [slachtoffer 2] . Daarnaast heeft verdachte – nadat de moeder van [slachtoffer 2] op 31 mei 2020 zwaar gewond is geraakt door een ontploffing van zwaar vuurwerk tegen de brievenbus van haar woning – inlichtingen verschaft ten behoeve van het in brand steken van de auto van de grootmoeder van [slachtoffer 2] op 14 juni 2020, waardoor hij medeplichtig is geweest aan die brandstichting.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij door zijn daden heeft bijgedragen aan het maandenlang durende geweld, feitelijk terreur, waarbij niet alleen [slachtoffer 2] maar ook zijn moeder, broers en grootouders ernstige vrees en angst is aangejaagd met een enorme impact op het gezinsleven en hen daarmee ook veel materiële schade is berokkend. Bovendien zijn grote angst, onrust en gevoelens van onveiligheid bij de buurtbewoners veroorzaakt. Een en ander blijkt onder meer uit de slachtofferverklaringen van de moeder en de grootmoeder van [slachtoffer 2] . De rechtbank rekent het verdachte bijzonder zwaar aan dat hij ook na het dieptepunt op 31 mei 2020 betrokken is geweest bij één van de wraakacties. Nog afgezien van de gevolgen voor de slachtoffers, draagt dergelijk geweld, zeker als het midden in een woonwijk wordt gepleegd, bij aan gevoelens van onveiligheid en onbehagen in de samenleving. Door aldus te handelen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan zeer nare strafbare feiten waarbij hij zich niet heeft bekommerd om de ernstige gevolgen voor anderen.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 1 februari 2020, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit;

- het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport, gedateerd 3 maart 2021, van [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Het raadsrapport van 3 maart 2021 houdt – kort en zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.

Verdachte is een ontkennende verdachte. De Raad schat het risico op herhaling laag in. Er komen namelijk weinig risicofactoren naar voren. De beïnvloedbaarheid van verdachte ten opzichte van verkeerde vrienden is een risicofactor. Daarnaast maakt de Raad zich zorgen over de morele ontwikkeling van verdachte, mocht hij schuldig bevonden worden. Een andere risicofactor ziet de Raad op gebied van school.

Een sterk beschermende factor voor verdachte is de betrokkenheid van zijn ouders. Daarnaast is een beschermende factor dat verdachte een positieve vrijetijdsbesteding heeft, waarbij hij werkt en sport.

Mocht verdachte schuldig bevonden worden, vindt de Raad het vanuit pedagogisch perspectief belangrijk dat verdachte een consequentie van zijn delictgedrag ervaart. Het is dan belangrijk dat verdachte verantwoordelijkheid neemt voor de medeplichtigheid aan brandstichting en de vernieling middels het opleggen van een straf. In dat geval adviseert de Raad om verdachte een taakstraf op te leggen in de vorm van een leerstraf Tools4U Verlengd van 30 uur. De Raad acht deze leerstraf een geschikte gedragsinterventie voor verdachte, met name omdat hij beïnvloedbaar lijkt voor verkeerde vrienden. Verdachte is gemotiveerd een leerstraf uit te voeren, mocht hij schuldig worden bevonden. Om het risico op herhaling te voorkomen, acht de Raad het van belang dat verdachte voldoende weerstand kan bieden aan jongeren die verkeerde keuzes maken. Ondanks dat in het huidige onderzoek geen grote vaardigheidstekorten bij verdachte naar voren komen, houdt de Raad er rekening mee dat mocht verdachte schuldig bevonden worden, er meer vaardigheidstekorten ten grondslag liggen aan zijn delictgedrag dan in het onderzoek naar voren komt.

Ondanks dat verdachte een groot rechtvaardigheidsgevoel heeft, maakt de Raad zich zorgen om zijn morele ontwikkeling. Verdachte ontkent namelijk enige betrokkenheid, en neemt hiermee niet de verantwoordelijkheid voor zijn daden en staat dan ook niet open voor een gesprek met het slachtoffer. Daarnaast valt het de Raad op dat verdachte weinig emotie lijkt te tonen rondom zijn twee aanhoudingen. Dit wekt de indruk dat verdachte niet onder de indruk was van deze ingrijpende gebeurtenissen.

De Raad adviseert niet opnieuw jeugdreclassering op te leggen, omdat de jeugdreclassering afgelopen periode ook weinig aanleiding heeft gezien verdachte intensief te begeleiden. Ook zonder intensieve begeleiding is het verdachte afgelopen periode gelukt zich tot in de puntjes te houden aan de schorsende voorwaarden. Daarnaast schat de Raad in dat ouders voldoende toezicht op verdachte houden en blijven houden, ook na het beëindigen van de schorsende voorwaarden.

De Raad adviseert geen onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, omdat verdachte opgroeit bij consequente en pedagogische ouders en een JJI geen passende omgeving voor hem is gezien zijn kwetsbaarheid in vriendschappen en hang naar deviante vriendschappen. Daarnaast wil verdachte in september 2021 starten aan zijn nieuwe opleiding en werkt hij als pizza bezorger. De Raad acht het van belang dat hij dit kan voortzetten.

Omdat verdachte betrokken is bij een grootschalig delict en zijn betrokkenheid hierbij blijft ontkennen, adviseert de Raad ook nog een geheel voorwaardelijke taakstraf als stok achter de deur om op het rechte pad te blijven.

De Raad heeft zijn advies ter zitting van 22 maart 2021 gehandhaafd.

De jeugdreclassering heeft zich ter terechtzitting achter het advies van de Raad geschaard.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Anders dan de Raad en de jeugdreclassering ziet de rechtbank in de consequent volgehouden ontkennende houding/opstelling van verdachte en de daarmee samenhangende zorgen over zijn morele ontwikkeling, de zorgen over zijn beïnvloedbaarheid en zijn middelengebruik ten tijde van de bewezenverklaarde feiten, aanleiding om de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de jeugdreclassering en van het opvolgen van de aanwijzingen van de jeugdreclassering betreffende het gedrag van verdachte, ook indien dit inhoudt dat verdachte medewerking moet verlenen aan urinecontroles in verband met zijn middelengebruik, te stellen. Daarnaast acht de rechtbank een contactverbod met medeverdachten en met de slachtoffers alsmede een gebiedsverbod voor de locatie [adres] noodzakelijk. Voorwaarden van die strekking zullen aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

De rechtbank zal bepalen dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten zes dagen in totaal, bij de tenuitvoerlegging van de onvoorwaardelijk op te leggen werkstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht.

De rechtbank is tevens van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een leerstraf, te weten Tools4U Verlengd, van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

De rechtbank zal daarbij bepalen dat deze leerstraf en het onvoorwaardelijke gedeelte van de werkstraf binnen een termijn van negen maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis dienen te worden voltooid.

8 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.928,50 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit het gedeelte van de materiële schade tot een bedrag van € 403,50 dat volgens de benadeelde partij voor rekening van verdachte dient te komen, te weten 10% van de totale materiële schade. Dit betreft:

  • -

    kosten beveiliging van de woning door schoksensoren van € 56,21;

  • -

    kosten abonnement alarmcentrale in het afgelopen jaar van € 32,43;

  • -

    kosten abonnement alarmcentrale in de komende twee jaren van € 64,86;

  • -

    toekomstige materiële schade van € 250,-,

en uit het voor rekening van verdachte komende deel van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.500,- bestaande uit:

  • -

    de immateriële schade van € 750,- en

  • -

    de toekomstige immateriële schade van € 750,-.

De benadeelde partij heeft tevens verzocht de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht ter zake van haar vordering op te leggen en verdachte te veroordelen in de kosten die zij heeft gemaakt, te weten € 25,-, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering, in die zin dat de gevorderde materiële en immateriële schade, met uitzondering van de toekomstige schade, kan worden toegewezen en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De verdediging heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van die vordering wegens de bepleite vrijspraak van de tenlastegelegde feiten. Voor het overige is geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de vordering.

De rechtbank is van oordeel dat de (gevorderde en niet weersproken) materiële schade tot een bedrag van € 153,50, bestaande uit:

  • -

    kosten beveiliging van de woning door schoksensoren van € 56,21;

  • -

    kosten abonnement alarmcentrale in het afgelopen jaar van € 32,43;

  • -

    kosten abonnement alarmcentrale in de komende twee jaren van € 64,86,

rechtstreeks voortvloeit uit het onder 2 bewezen verklaarde feit.

Tevens komt de rechtbank vergoeding van de gestelde en niet weersproken immateriële schade tot een bedrag van € 750,- billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting.

In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 88,64 vanaf 18 maart 2021 (zijnde de eerste zittingsdatum, nu niet is betwist dat de schade op die datum reeds was geleden en het dossier geen aanknopingspunt biedt voor een eerdere (betalings)datum en de materiële schade voor het overige nog niet is geleden) en over een bedrag van € 750,- vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Nu de verschuldigdheid en de omvang van de gestelde toekomstige materiële en immateriële schade met teveel onzekerheden zijn omgeven, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, voor zover het de niet gespecificeerde toekomstige schade betreft.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op € 25,-.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 2. bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: medeplegen beschadiging) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 47, 48, 49, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1. primair en 3. is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1. subsidiair en 2. ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de hiervoor onder 4.4 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5 vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van honderd (100) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door vijftig (50) dagen jeugddetentie, met bevel dat een gedeelte groot vijftig (50) uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door vijfentwintig (25) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich gedurende de proeftijd zal melden bij de jeugdreclassering van De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd aan [adres] , op door de jeugdreclassering te bepalen plaatsen en tijden, zo frequent en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht;

  • -

    gedurende de proeftijd de aanwijzingen van de jeugdreclassering betreffende zijn gedrag zal opvolgen, ook indien dit inhoudt dat hij medewerking moet verlenen aan urinecontroles in verband met middelengebruik;

  • -

    gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] ;

  • -

    gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met slachtoffers [slachtoffer 1] , [naam] , [zoon slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [zoon slachtoffer 1] , tenzij het contact met toestemming van het Openbaar Ministerie of met uitdrukkelijke, door de jeugdreclassering geverifieerde instemming van de slachtoffers zelf plaatsvindt, bijvoorbeeld in het kader van mediation;

  • -

    zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden op het gedeelte van [adres] , gelegen tussen de [straat] en de [straat] ,

aan welke bijzondere voorwaarden van rechtswege de voorwaarden zijn verbonden dat de veroordeelde:

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt, en

  • -

    medewerking verleent aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Haarlem, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten zes (6) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk opgelegde gedeelte van de werkstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht en met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag jeugddetentie, in mindering worden gebracht.

Bepaalt dat het onvoorwaardelijke gedeelte van deze werkstraf binnen een termijn van negen maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis dient te worden voltooid.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een taakstraf voor de duur van dertig (30) uren, in de vorm van een leerstraf, te weten Tools4U Verlengd, aangeboden door of namens de Raad voor de Kinderbescherming, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door vijftien (15) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat deze leerstraf binnen een termijn van negen maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis dient te worden voltooid.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 903,50, bestaande uit € 153,50 voor de materiële en € 750,- voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 88,64 vanaf 18 maart 2021 en over een bedrag van € 750,- vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan Leeuwerke voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 25,-, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 903,50, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 88,64 vanaf 18 maart 2021 en over een bedrag van € 750,- vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 0 dagen gijzeling.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Ph. Burgers, voorzitter,

mrs. E.C.M. van Mierlo en G. Drenth, rechters, allen tevens kinderrechter,

in tegenwoordigheid van de griffiers mrs. A. Hausenblasová en D.A.C. Sinnige,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 april 2021.

Bijlage

De bewijsmiddelen

De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5°, van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair

Het proces-verbaal van aangifte (dossier onderzoek [onderzoek] (deel I), pagina 1890). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer de op 15 juni 2020 door aangeefster [naam] ten overstaan van verbalisant afgelegde verklaring.

[…] Ik woon te Haarlem. Ik had mijn auto op de doorgaande weg geparkeerd staan, voor mijn woning. Mijn auto betreft een [merk] met kenteken [kenteken] en deze was pas 2 maanden oud. [...] Op 14 juni omstreeks 23.30 uur à 23.45 uur hoorden wij van buiten een harde knal. [...] Toen ik naar buiten keek zag ik dat mijn auto, die voor mijn woning stond, in de fik stond. Ik zag hoge vlammen aan de voorzijde van mijn auto. Ik weet bijna zeker dat dit aangestoken is en dat het doelbewust mijn auto was, dit in verband met het eerder vernoemde conflict […]

Het proces-verbaal van forensisch onderzoek vervoersmiddel ( [merk] ) van 15 juni 2020 (dossier onderzoek [onderzoek] (deel I), pagina 1898 t/m 1900). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in relaas van bevindingen en/of verrichtingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] dan wel een van hen.

Wij zagen dat voornamelijk de voorzijde van de auto door hitte en vuur was aangetast. De voorbanden waren gescheurd en voornamelijk door hitte en vuur aangetast aan de zijde gericht naar de voorbumper. Het motorcompartiment was zwaar aangetast door hitte en vuur. De voorruit van de auto was kapot net als de ruit aan de bijrijderszijde. In de auto troffen wij een hoeveelheid (gesmolten) glasscherven aan. Op de grond buiten de auto troffen wij aan één zijde beroete glasdelen aan. Het interieur van de auto was licht aangetast door hitte en vuur. Wij zagen dat voornamelijk de hoger gelegen delen van de auto, zoals het plafond en de rugzittingen van de stoelen aan de voorzijde, waren aangetast door hitte en vuur. Nabij de linker voorband werd een indicatie verkregen voor de aanwezigheid van een brandversnellend middel. Door ons werd een zandmonster onder de stoeptegel nabij de linker voorband veiliggesteld en voorzien van [monster] . Het bijbrengen of achterlaten van vuur aan de voorzijde van de auto is de meest waarschijnlijke oorzaak. Hierbij is waarschijnlijk gebruik gemaakt van een ontbrandbare vloeistof.

Een schriftelijk stuk (dossier onderzoek [onderzoek] (deel I), pagina 1905 t/m 1910), inhoudende een verslag van een deskundige in als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 4°, van het Wetboek van Strafvordering, te weten de verkorte rapportage over onderzoek naar ontbrandbare vloeistoffen naar aanleiding van een brand in Haarlem op 14 juni 2020 van het NFI van 14 juli 2020. Dit geschrift houdt onder meer het volgende in.

In het monster [monster] zijn vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine. Daarnaast zijn vluchtige stoffen aangetoond die vrijkomen tijdens verbranding en/of pyrolyse van kunststoffen.

Verklaring van getuige ter terechtzitting.

De verklaring die getuige [medeverdachte 5] ter terechtzitting van 22 maart 2021 onder ede heeft afgelegd, houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.

Het klopt dat ik door de politie zeven keer ben gehoord en dat ik gaandeweg steeds meer ging verklaren en bekennen. In het begin wilde ik mijn eigen straatje schoonhouden en niet alles vertellen. Maar ik zag mijn moeder daar zitten en ik had er ook een probleem mee dus besloot ik open kaart te spelen. Het staat mij bij dat dit zo vanaf mijn derde verhoor het geval was. U houdt mij voor dat de politie ook in de latere verhoren heeft gezegd dat ik aan het liegen was. Ik ben toen het meeste naar waarheid gaan verklaren, maar niet tot in de details.

In het begin heb ik anders verklaard en dat heb ik daarna een tijdje volgehouden omdat ik anders zou moeten gaan uitleggen dat ik had gelogen. In mijn laatste drie verhoren bij de politie heb ik alles op tafel gegooid en alles naar waarheid verteld.

In het begin speelde er meer mee dan alleen mijn eigen straatje schoon willen houden, namelijk mijn blowen en angst voor [medeverdachte 1] . Ik was bang dat hij mijn verklaring zou lezen.

Tijdens de laatste drie verhoren had ik een beetje hulp van de politie nodig om me alles te herinneren. Zij hebben me bijvoorbeeld de camerabeelden of de foto’s van de looproute getoond en toen kon ik me weer herinneren hoe was het gegaan. Het kwam bij mij weer naar boven. Ik heb ook aangegeven als iets niet juist was. De politie ging mij ook testen door mij voor te leggen wat niet klopte, bijvoorbeeld de looproute. Ik heb toen aangegeven dat het niet klopte en heb verteld hoe dat werkelijk was.

Ter zitting van 15 maart 2021 heb ik als verdachte al verklaard dat ik destijds bij de politie op een gegeven moment niet meer aan het liegen was en dat ik steeds meer begon te bekennen. Mij is gevraagd of ik het nu wel zeker wist, waarop ik zei dat ik destijds heel erg wazig was in mijn hoofd, dat ik op een gegeven moment was gestopt met blowen, dat ik in de JJI erover ging nadenken en dat toen dingetjes weer in mijn herinnering terugkwamen. Het klopt hoe die verklaring van mij in het proces-verbaal van de zitting van 15 maart 2021 is opgeschreven.

Het klopt dat ik in mijn laatste politieverhoor op 12 oktober 2020 [verdachte] heb genoemd als degene die de informatie over de auto doorgaf, terwijl ik daarvoor steeds heb verklaard dat ik alleen een raam samen met [verdachte] probeerde in te gooien. Ik ben het zeker vergeten te vertellen. Ik was op dat moment te druk met andere dingen in mijn hoofd, zoals mijn verdenking van de feiten van 31 mei 2020, en dan vergeet ik 80 of 90% van de rest.

Ik heb die informatie face-to-face gekregen van [verdachte] en later ook via Snapchat.

U houdt mij voor dat ik in mijn verhoor op 12 oktober 2020 heb verklaard: “Ik weet eigenlijk niet meer of het [medeverdachte 1] was of [verdachte] . Ik denk eerlijk gezegd dat het [verdachte] was want [medeverdachte 1] kon niet lopen. [verdachte] kent ook de auto’s hij is familie van hen.”

En dat ik ter zitting van 15 maart 2021 heb verklaard: “ [verdachte] is naar het huis toe gelopen en zag haar auto niet staan, maar wel de auto van oma.”

Daarop zeg ik dat [verdachte] niet naar het huis van de oma is gelopen maar dat hij langs dat huis is gelopen. In de schuur van [medeverdachte 1] is alles besproken.

U houdt mij voor dat ik nu stelliger ben in mijn verklaring dat [verdachte] naar de auto heeft gezocht dan tijdens mijn laatste politieverhoor. Daarop zeg ik dat ik het gewoon zeker weet dat het [verdachte] was en dat ik dat op 12 oktober 2020 ook al wist.

U houdt mij voor dat ik aan het begin van de zitting zei dat [medeverdachte 1] de auto niet kon vinden. Daarop zeg ik dat ik niet meer weet hoe het precies is gegaan. Ik weet niet of [medeverdachte 1] er niet ook naartoe is geweest, misschien op een scooter. Ik weet zeker dat [medeverdachte 1] heeft doorgegeven dat de auto van [slachtoffer 1] er niet stond. Daarna is [verdachte] langs het huis gegaan. Of dat het huis van [slachtoffer 1] is geweest of van de oma, weet ik niet zeker. Het staat me bij dat het langs het huis van de oma is geweest. Ik weet niet zeker of ik het in persoon of via Snapchat heb gehoord. [medeverdachte 1] , [verdachte] en ik waren in de schuur van [medeverdachte 1] en daar is het besproken. Het plan was er toen al. Toen wij in de schuur zaten, is [verdachte] weggegaan. Maar hij had het al gezien voordat we naar de schuur gingen. Ik weet het even niet, ik weet de volgorde even niet, ik ben wat wazig omdat ik slecht slaap.

Ik denk even rustig na en vertel het nog een keer. [verdachte] en ik kwamen afzonderlijk van elkaar naar de schuur. Wij waren daar in de middag. [verdachte] vertelde in de schuur dat de auto van [slachtoffer 1] er niet stond maar die van de oma wel en dat er ‘ [kenteken] ’ op het kenteken stond. Ik ging daarna naar huis. Toen we weg waren uit de schuur, vroeg ik het nog een keer via Snapchat aan [verdachte] . Ik was het namelijk vergeten. Ik ben al mijn hele leven vergeetachtig. [verdachte] heeft het via Snapchat aan mij terug geappt. Ik ging dezelfde avond op pad en stak die auto in de fik. Zo is het gegaan, in deze volgorde.

Ter zitting van 15 maart 2021 heb ik verklaard: “ [verdachte] zei: “Ik wil de auto niet in de fik steken, maar ik kan misschien wel iets anders voor je doen. Hij wilde niet de auto in de fik steken, maar wilde wel helpen om te zoeken waar de auto stond.” Dat was op initiatief en vraag van [medeverdachte 1] , dat heeft hij aan [verdachte] gevraagd. Ik weet niet of hij dat aan hem in de schuur heeft gevraagd. Ik heb dat niet direct van [verdachte] gehoord. [medeverdachte 1] vroeg aan [verdachte] om het kenteken door te geven omdat hij de auto in de fik wilde gaan steken. Ik was daar niet bij denk ik maar ik weet het niet zeker. Ik weet ook niet meer zeker of het die middag is geweest, maar het was in ieder geval wel die dag of de dag daarvoor. Ik weet niet of ik erbij ben geweest toen [verdachte] zei dat hij de auto niet in de fik wilde steken. Maar ik heb dat zeker van [verdachte] zelf gehoord. Het is het kenteken doorgeven geworden. Ik weet niet meer of ik dat bij de politie heb verteld of niet.

Ik heb het kenteken van [verdachte] doorgekregen, in persoon in de schuur en later op mijn verzoek via Snapchat. De auto van oma [oma] was een grotere versie dan die van [naam] .

Ik ben die dag nog een keer naar [medeverdachte 1] geweest om het goedje op te halen. Dat was in de avond. Daar is [verdachte] niet bij geweest.

Op vragen van de verdediging antwoord ik dat ik me op dit verhoor niet heb voorbereid. Ik heb mijn verhoren niet doorgelezen en ik heb met niemand herhaald wat ik eerder heb verklaard.

Het klopt dat [slachtoffer 2] eerder mijn beste vriend was. Ik denk dat ik vier of vijf dagen per week met hem omging en ook bij hem thuis kwam. Maar het was niet alleen [slachtoffer 2] , dat waren ook [verdachte] en [naam] . De grootmoeder van [slachtoffer 2] noem ik hier ‘oma [oma] ’. Ik ken haar van horen zeggen. Ik heb met haar ook wel gesproken, maar ik ken haar niet echt persoonlijk. Ik heb haar weleens gezien bij [slachtoffer 2] thuis of buiten en ik heb toen gevraagd ‘hoe gaat het met u’ en zo. Ik zou haar huis in de [straat] niet kunnen aanwijzen. Ik weet misschien de richting, maar niet het specifieke huisnummer of de voordeur.

Ik heb bij de politie verklaard dat ik regelmatig in de schuur van [medeverdachte 1] zat. [verdachte] zat daar acht van de tien keer bij, maar soms was ik alleen met [medeverdachte 1] .

Ik had sinds eind maart 2020 contact met [medeverdachte 1] . Na 31 mei 2020 ben ik niet bij hem weggebleven, dat klopt. Toen hij [verdachte] en mij bleef appen om te komen en toen [verdachte] zei ‘we gaan wel’, vond ik de keuze van [verdachte] goed omdat wij zo goed bevriend waren. Ik liep zeker achter [verdachte] aan.

Er wordt mij het overzicht van de Whatsapp berichten over de afspraken in de schuur bij [medeverdachte 1] voorgehouden. Het klopt dat ik ook met [medeverdachte 1] heb afgesproken. Maar er is heel weinig via de Whatsapp gegaan. De meeste berichten gingen via Snapchat.

Het klopt dat ik soms alleen bij [medeverdachte 1] was, zonder [verdachte] . [verdachte] kan in de ochtend uitslapen en ik niet. [medeverdachte 1] wist dat en appte me om langs te komen. [verdachte] kwam dan later. Ik volgde [verdachte] en hij volgde mij ook.

Het plan om de auto in brand te steken is ontstaan op 13 of 14 juni 2020. Wij hebben het met z’n drieën erover gehad, in de schuur. Alle plannen werden daar besproken. Ik heb eerder verklaard dat [verdachte] toen al langs dat huis is gegaan. Daarom zei ik dat het plan misschien al de dag daarvoor is ontstaan. Want dat is logisch. Maar ik weet het niet zeker. Het was op de dag zelf of de dag daarvoor. Het doorgeven van het kenteken was op de dag zelf.

Op de vraag naar de exacte informatie die ik van [verdachte] heb doorgekregen, antwoord ik dat ik alleen het kenteken heb gekregen. Dat is via Snapchat geweest. De auto was iets van [merk] . Ik had ook iets over [merk] en [merk] in mijn hoofd. Maar ik lette alleen op ‘ [kenteken] ’ van het kenteken en niet op het merk of type auto. Ik keek specifiek alleen naar de kentekens. Op de vraag van de voorzitter antwoord ik dat ik geen verstand van auto’s heb.

Op verdere vragen van de verdediging antwoord ik dat ik bij de politie eerst heb ontkend iets met die brandstichting te maken te hebben. Daarna heb ik verklaard dat [medeverdachte 1] op zoek ging naar de auto en later heb ik dat in [verdachte] gewijzigd. Ik dacht eerst dat het [medeverdachte 1] was en ik vergat dat [verdachte] het kenteken had doorgegeven. Dat heb ik daarna verteld. Ik dacht dat [medeverdachte 1] ook op onderzoek uit ging.

Ik lees nu dat [medeverdachte 1] toen wel kon lopen, maar volgens mij ging hij in die tijd alleen naar de fysiotherapie en zijn werk en bleef voor de rest thuis. In het begin ging hij nog drugs halen, maar op een gegeven moment niet meer, want de dealer kwam naar zijn huis.

Zonder de tip van het kenteken zou de brandstichting niet zijn gelukt. De informatie van [merk] , [merk] , [merk] en het doorgegeven kenteken kloppen niet, zegt u, maar in mijn beleving was het kenteken iets met ‘ [kenteken] ’ en daar heb ik naar gezocht en de auto heb ik zo gevonden. Dat kwam ook bij de zitting van 15 maart 2021 ter sprake. Ik ben afgegaan op de cijfers in het midden van het kenteken en niet op het merk of type auto.

Desgevraagd beschrijf ik mijn looproute van het huis van [medeverdachte 1] naar de auto. Ik weet nog dat ik die route verkeerd heb beschreven bij de politie en dat ze me daarmee hebben geconfronteerd. De juiste looproute staat ingetekend op de kaart op dossierpagina 1276.

Het klopt dat ik het allemaal voor geld heb gedaan, maar ik heb niets gekregen. Ik heb een keer € 100,- gepind en gekregen van [medeverdachte 1] . Dat was voor het ingooien van het keukenraam op 24 mei 2020. [verdachte] wist daarvan. Ik heb die € 100,- binnen tien dagen opgemaakt.

Het proces-verbaal van bevindingen van 21 september 2020 (dossier onderzoek [onderzoek] , (deel I), pagina 1936 t/m 1939). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant] .

Onder de veiliggestelde data verkregen uit voornoemde Samsung Galaxy A50 waarvan uit onderzoek werd vast gesteld dat deze in gebruik was bij [medeverdachte 5] werd onder andere een WhatsApp-chat aangetroffen tussen [medeverdachte 5] (eigenaar) en een persoon met whatsapp profielnaam [profielnaam] met telefoonnummer [telefoonnummer] waarvan reeds werd vast gesteld dat dit het telefoonnummer betrof van [verdachte] . […]

  • -

    De chat dateert van 15 juni 2020, zijnde een dag nadat de auto van de moeder van [slachtoffer 1] , [naam] (roepnaam [roepnaam] ), in de brand werd gestoken;

  • -

    [verdachte] stuurt de volgende apps: “Me oma die vind het vervelend voor [oma] dus ik moest van me vader zeggen dat ik er echt niks mee te maken heb” en “anders gaat de band tussen mijn oma en [oma] ook stuk snap je”;

  • -

    Uit onderzoek in de Gemeentelijke Basis Administratie bleek dat de oma van [verdachte] is genaamd: [naam] , geboren [geboortedatum] ;

  • -

    [naam] is de zus van aangeefster [naam] .

Het proces-verbaal van bevindingen van 19 augustus 2020 (dossier onderzoek [onderzoek] , (deel I), pagina 1897). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant] .

In het gesprek dat ik op 15 augustus 2020 had met [slachtoffer 1] vertelde ze mij dat haar auto, een [merk] , op 14 juni 2020 in Hoofddorp stond.

Ten aanzien van feit 2

Het proces-verbaal van aangifte (dossier onderzoek [onderzoek] (deel K), pagina 2365). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in de op 26 mei 2020 door aangeefster [slachtoffer 1] ten overstaan van verbalisant afgelegde verklaring.

Ik ben woonachtig op [adres] . [...] Op zaterdag 23 mei 2020, omstreeks 01.00 uur, zat ik in de woonkamer en hoorde ik op een gegeven moment een knal komen uit de richting van de keukenraam aan de voorzijde van mijn woning. [...]

Ik zag ook dat er ter hoogte van mijn keukenraam een steen op de grond lag. Ik zag dat er een lichte kras zat op mijn keukenraam. Deze kras zat hier eerder nog niet op. [...] Even later zag ik dat [getuige] weer terug kwam lopen. Zij vertelde mij dat zij achter de zoon van mijn neef aan het rennen was en dat hij degene was die de steen tegen mijn keukenraam had aangegooid. [getuige] zag dat hij een woning inliep op de [adres] . Hier woont inderdaad mijn neef met zijn gezin. De zoon van mijn neef waar [getuige] achter aan was gerend heet [verdachte] . [...]

Het proces-verbaal van bevindingen van 11 juni 2020 (dossier onderzoek [onderzoek] (deel H), pagina 1864 t/m 1865). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant] .

Op dinsdag 11 juni 2020 omstreeks 13:00 uur hoorde ik getuige [getuige] [...] “Ik denk dat het ongeveer één of anderhalve week voor 31 mei is geweest. [...] Ik denk dat het ongeveer rond 00:00 uur is geweest, [...] Ik hoorde op een gegeven moment een knal, zoals glas springt. Ik hoorde deze knal van buiten komen uit de richting van [naam] . Ik keek naar de woning van [naam] en zag een persoon voor het keukenraam staan, die direct wegrende in de richting van de [straat] . Dit is vanuit mijn woning gezien, naar links. Deze persoon was in het zwart gekleed en had een zwarte pet of muts op. [...] Ik rende vervolgens de deur uit naar buiten. Toen ik buiten aan kwam, zag ik degene die was gerend niet meer. Ik wist ook niet welke straat hij was in gerend, het is ook echt een klein stukje, op het moment dat ik van binnen naar buiten liep, was diegene de straat al uit. Ik wist niet waar hij/zij naar toe gevlucht was. Ik rende richting de [straat] en keek ondertussen naar zij liggende straten of ik degene kon zien die was weggerend. Uiteindelijk kwam ik op de kruising [weg] en [straat] . Toen ik op deze kruising op de stoep stond, zag ik een persoon uit de richting van de [straat] komen lopen, in mijn richting. Ik herkende deze persoon als degene die voor het keukenraam van [naam] stond en wegrende. Ik zag dat hij een petje op had en deze af deed. Ik zag vervolgens dat die jongen naar nummer [nummer] liep op de [straat] en daar naar binnen ging. Ik wist dat daar het neefje van [naam] woonde [...]

Ik zei tegen hem: “Waarom gooi jij die steen tegen het raam aan?” Ik hoorde dat hij zei: “Dat heb ik niet gedaan.” Ik zei weer: “Je hebt het wel gedaan, want ik heb je zelf gezien.” Hij zei toen iets van: “Ik lag in bed, ik was het helemaal niet.” Ik kon wel merken aan hem dat hij de waarheid niet sprak, ik merkte dat aan die vader ook. […]

Het proces-verbaal van verhoor (dossier onderzoek [onderzoek] (deel E), pagina 1224, 1229, 1231 en 1232). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in de op 18 juli 2020 door medeverdachte [medeverdachte 5] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring.

A: […] U heeft gezegd dat er twee jongens waren die een raam hadden ingegooid en daar was ik bij aanwezig. Daar heb ik 100 euro voor gekregen van [medeverdachte 1] .

V: Kun je iets meer details vertellen?

A: Hij vroeg aan mij of ik een steen door het keukenraam wilde gooien. Er is toen alleen een barst ingekomen maar het was er niet uitgevallen. [medeverdachte 1] vroeg mij dat. [...]

V: Welk huis bedoel je daarmee?

A: Gewoon bij [naam] haar keukenraam, de linker als het goed is.

V: Was je daar alleen?

A: Met [verdachte] . [...]

A: [...] Toen ik met [verdachte] het raam had ingegooid, hebben wij er niets voor gekregen. Dat was vrijwillig. [...]

V: Je zei ook “ik heb een keer een raam ingegooid."

A: Dat was met [verdachte] , wat ik eerder verteld heb. Maar dat mislukte. We stonden met zijn tweeën voor het raam, maar het mislukte. We probeerden allebei een steen door het raam te gooien. Bij mijn steen was er eigenlijk niets gebeurd en bij [verdachte] was er een barst ontstaan. [verdachte] gooide aan de linkerkant en ik aan de rechterkant. […]

Het proces-verbaal van verhoor (dossier onderzoek [onderzoek] (deel E), pagina 1240 t/m 1241 en 1245). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in de op 19 juli 2020 door medeverdachte [medeverdachte 5] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring.

V: Het raam dat toen vernield was, had je samen gedaan met [verdachte] , klopt dat?

A: Uh ja, [verdachte] gooide met een steen en daar kwam een barst van en die van mij ketste er vanaf. Toen ik de steen gooide met [verdachte] heb ik geen geld gehad. [...]

V: Wie gooide er als eerst?

A: Tegelijkertijd.

V: Ik weet niet welke steen als eerste het raam raakte. We liepen daar en het was meer van drie, twee, 1 en gooi.

V: Je zegt dus eigenlijk dat je er geen geld voor hebt gehad, [...]

A: Ja dat klopt, het raam moest eruit en dat is niet gelukt.

Het proces-verbaal van verhoor (dossier onderzoek [onderzoek] (deel B), pagina 229 t/m 230). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in de op 31 juli 2020 door getuige [getuige] ten overstaan van verbalisant afgelegde verklaring.

A: […] [verdachte] heeft contact met ons gezocht omdat [medeverdachte 5] niet meer op zijn werk verscheen. Hij kon geen contact krijgen met [medeverdachte 5] . Wij hebben hem toen thuis bij ons uitgenodigd. Hier heeft [verdachte] verteld wat er allemaal is gebeurd en dat hij overal van af wist. […]

V: Welke informatie heb jij gekregen van [verdachte] ?

A: Dat hij wist wat er allemaal is gebeurd. Dat hij een steen heeft gegooid op het raam van [adres] , dit was samen met [medeverdachte 5] . Dat hij afkeurde wat [medeverdachte 5] heeft gedaan en dit ook naar hem heeft uitgesproken.

Het proces-verbaal van verhoor (dossier onderzoek [onderzoek] (deel B), pagina 234). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in de op 16 oktober 2020 door getuige [getuige] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring.

[…] In mijn bijzijn heeft [verdachte] hier in ons huis verteld dat hij samen met [medeverdachte 5] een steen tegen de ramen heeft gegooid. Ook mijn man [man] was daarbij.

Ik vroeg hem toen of hij hier geld voor gekregen had. [verdachte] zei toen nee. Ik weet dat [medeverdachte 5] in het verhoor antwoordde dat hij daar wel geld voor zou krijgen. Dat was dan van [medeverdachte 1] . […]