Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:2905

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
09-04-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4605
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douane. Verzoek om terugbetaling op grond van de artikelen 119 en 120 van het DWU.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 12-04-2021
NTFR 2021/1288
FutD 2021-1266
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/4605

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 april 2021 in de zaak tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigden: mr. B.J.B. Boersma RB en mr. L. Hoekstra),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/ Douane, kantoor Eindhoven, verweerder

Procesverloop

Eiseres heeft op 24 december 2018 een verzoek om terugbetaling ingediend voor de uitnodiging tot betaling (hierna: utb) van verweerder met dagtekening 29 december 2017 ten bedrage van € [$] aan douanerechten op industriële producten en € [$] aan rente op achterstallen.

Verweerder heeft het verzoek en het daaropvolgende bezwaar van eiseres bij uitspraak op bezwaar afgewezen en de utb gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2020 te Alkmaar. Namens eiseres zijn verschenen gemachtigden voornoemd. Namens verweerders zijn verschenen mr. [A] (Eindhoven), mr. [B] (Arnhem/Nijmegen), mr. [C] (Groningen) en mr. [D] (Groningen).

De zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaak HAA 18/4813 van eiseres en met de zaken HAA 17/5451 van [E] B.V., HAA 17/5661 van [F] B.V., HAA 17/5662 van [G] B.V. en HAA 19/1092 van [H] B.V.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres exploiteert een groothandel in voedings- en genotmiddelen. Eiseres importeert en distribueert een breed assortiment aan vissoorten.

2. Op 17 december 2012 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een vergunning bijzondere bestemming (hierna: de vergunning). In het aanvraagformulier is - voor zover van belang - het volgende vermeld:

“(…)

6 Geldigheidsduur van de vergunning

6a Ingangsdatum 01-01-2013

6b Vervaldatum (niet ingevuld, rb)

7 Onder de douaneregeling te plaatsen goederen

GN-code Omschrijving Hoeveelheid Waarde

0304719010 Kabeljauw Gadus Morhua 800000 4000000

(…)”

3. Naar aanleiding van de aanvraag van de vergunning heeft verweerder een initieel onderzoek ingesteld. In het controlerapport van 1 mei 2013 is - voor zover van belang - vermeld:

“(…)

2.5

Douane-activiteiten

Tot op heden kent [X] geen autonome douane-activiteiten. Het in het vrije verkeer van de EU brengen van de kabeljauw gebeurt met behulp van douane-agenten (…). Omdat bij invoer gebruik wordt gemaakt van douane-agenten heeft [X] geen zekerheid bij de Douane gesteld.

5.3

Contingent

(…)

De aanvraag van [X] bedraagt 800.000 kg en heeft (uitgaande van een terugwerkende kracht ingangsdatum van 1 januari 2013) voor 2013 betrekking op één kalenderjaar. Het overschrijden van deze hoeveelheid heeft geen invloed op de geldigheid van de vergunning en/of de toepassing van het preferentiële tarief. Wel dient de Douane van de overschrijding in kennis te worden gesteld.

(…)”

5. Op 14 juni 2013 is aan eiseres met terugwerkende kracht de vergunning verleend. In de vergunning is onder meer het volgende vermeld:

“(…)

6. Geldigheidsduur van de vergunning

a. Ingangsdatum 1 januari 2013

b. Vervaldatum 31 december 2015

7 Goederen die onder de douaneregeling mogen worden geplaatst

GN-code 0304.7190.10

Omschrijving Bevroren filets van kabeljauw van de soort Gadus morhua”

Hoeveelheid 800.000 kg.

Waarde € 4.000.000,--

(…)”

6. Op 20 maart 2014 heeft eiseres een verzoek ingediend tot wijziging van de verleende vergunning. In dit verzoek is - voor zover van belang - het volgende vermeld:

“(…)

7 Onder de douaneregeling te plaatsen goederen

GN-code Omschrijving Hoeveelheid Waarde

0304719010 Kabeljauw Gadus Morhua [#] [$]

0304750010 Alaska Koolvis Theragra Chalcogramma [#]

(…)”

7. Op 27 maart 2014 heeft verweerder de vergunning gewijzigd. In de gewijzigde vergunning is - voor zover van belang - het volgende vermeld:

“(…)

6. Geldigheidsduur van de vergunning

a. ingangsdatum 1 januari 2013 (Versie 27 maart 2014)

b. Vervaldatum 31 december 2015

7 Goederen die onder de douaneregeling mogen worden geplaatst

GN-code 1) 0304.7190.10

2) 0304.7500.10

Omschrijving 1) Bevroren fiets van kabeljauw van de soort “Gadus morhua”

2) Alaska Koolvis Theragra Chalcogramma

Hoeveelheid 1) [#] kg.

2) [#] kg

Waarde 1) € 7. [$] ,--

2) € [$] ,--

(…)”

8. Op 29 december 2017 is op grond van artikel 204, eerste lid, aanhef en onder b, van het CDW de onderhavige utb uitgereikt. In deze utb is - voor zover van belang - het volgende vermeld:

“(…)

Aanleiding

(…)

In de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015 heeft [I] B.V. als direct vertegenwoordiger van [X] B.V. 112 aangiften ingediend voor het plaatsen van goederen onder de douaneregeling “in het vrije verkeer brengen met bijzondere bestemming” (zie bijlage 1). Hierbij merk ik op dat in 21 van de 112 aangiften een andere goederencode is vermeld dan goederencode 0304 7190 10, namelijk 0304 7110 10. In haar brief van 10 november 2017 geeft [I] B.V. aan dat goederencode 0304 7110 10 niet juist is en dat feitelijk kabeljauw van de soort Gadus morhua is ingevoerd. In haar brief van 10 november 2017 verzoekt ze ook om op

grond van artikel 173, derde lid, DWU de goederencode te wijzigen in 0304 7190 10. Op dit verzoek is nog niet beslist. Voor de berekening van de totale douaneschuld en de motivering van de UTB neem ik als uitgangspunt dat “bevroren filets van kabeljauw van de soort Gadus morhua” zijn ingevoerd in plaats van “bevroren filets van kabeljauw van de soort ‘Gadus macrocephalus”. Met de 112 aangiften is in totaal [#] kilo ingevoerd met een douanewaarde van € [$] . Deze hoeveelheden en waarden zijn als volgt over de jaren aangegeven:

Jaar Hoeveelheid (kg) Waarde

2013 [#] € [$]

2014 [#] € [$]

2015 [#] € [$]

[#] € [$]

Overschrijding hoeveelheden

De douane heeft een vergunning verleend voor het plaatsen van een hoeveelheid van [#] kilo bevroren filets van kabeljauw van de soort Gadus morhua met goederencode 0304 7190 10. Met de aanvaarding van de aangifte met nummer [##] op 5 september 2014 is deze hoeveelheid overschreden met [#] kilo (zie nummer 67 van bijlage 1 bij deze UTB). Vanaf 5 september 2014 is de vergunde hoeveelheid dus overschreden en is er is geen vergunning meer aanwezig voor het plaatsen van bevroren filets van kabeljauw van de soort Gadus morhua met goederencode 0304 7190 10 onder de douaneregeling “in het vrije verkeer brengen met bijzondere bestemming”.

In het jaar 2015 is in totaal voor [#] kg bevroren filets van kabeljauw van de soort Gadus morhua met goederencode 0304 7190 10 ingevoerd terwijl hiervoor geen vergunning was. De totale douanewaarde van deze hoeveelheid bedraagt € [$] . Het normale tarief aan douanerechten is 7,5%. De berekende douanerechten bedragen € [$] . Voor een specificatie hiervan verwijs ik u naar de nummers 70 tot en met 112 van bijlage 1 bij deze UTB.

Geschil
9. In geschil is of het verzoek om terugbetaling terecht is afgewezen. Meer in het bijzonder is in geschil of op grond van de artikelen 119 en 120 van het DWU moet worden overgegaan tot terugbetaling.

10. Eiseres stelt dat de in de utb opgenomen rechten bij invoer moeten worden terugbetaald, omdat sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten, die in het verleden geen gevolgen verbonden aan overschrijdingen van vergunningen. Ook is sprake van bijzondere omstandigheden, omdat verweerder geen landelijk uniform beleid hanteerde, onvoldoende vooraf heeft duidelijk gemaakt dat zij vergunningen strenger dan voorheen zou gaan controleren en de financiële belangen van de EU niet zijn geraakt.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en toewijzing van het verzoek om terugbetaling. Voorts verzoekt zij om veroordeling van verweerder tot een integrale proceskostenvergoeding en om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

11. Verweerder stelt dat niet getoetst moet worden aan de terugbetalingsgronden van de artikelen 119 en 120 van het DWU, maar aan die van artikel 220 en 236 van het CDW, omdat de douaneschuld is ontstaan vóór 1 mei 2016. Van een vergissing van de douaneautoriteiten is geen sprake, een eventuele vergissing had eiseres bovendien redelijkerwijs kunnen ontdekken. Verder is geen sprake van bijzondere omstandigheden en is sprake van klaarblijkelijke nalatigheid door eiseres. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

12. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

13. De onderhavige utb is ook onderwerp van het geschil in zaak HAA 18/4813. In die zaak heeft de rechtbank in haar uitspraak van heden de utb in zijn geheel vernietigd, omdat naar het oordeel van de rechtbank geen douaneschuld is ontstaan en de utb derhalve ten onrechte is uitgereikt.

14. Voor terugbetaling van rechten bij invoer geldt het bestaan van een douaneschuld waarvoor terugbetaling kan worden verleend als eerste voorwaarde. Nu naar het oordeel van de rechtbank geen douaneschuld bestaat, kan van terugbetaling geen sprake zijn.

Slotsom

15. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Vergoeding van immateriële schade

16. Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de zaken moeten worden behandeld.

17. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie HR 19 februari 2016, 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252) kan in belastingzaken aanspraak bestaan op schadevergoeding met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), indien het belastinggeschil niet binnen een redelijke termijn wordt beslecht. De redelijke termijn is overschreden als na indiening van het bezwaar meer dan twee jaren zijn verstreken voordat op dat bezwaar en, indien vervolgens beroep is ingesteld, op dat beroep is beslist. Er kunnen zich bijzondere omstandigheden voordoen die aanleiding geven tot verkorting of verlenging van die termijnen. Als de bezwaar- en beroepsfase samen te lang hebben geduurd, vindt de toerekening als volgt plaats. De bezwaarfase heeft onredelijk lang geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een bedrag van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

18. Op grond van voornoemd arrest vangt de redelijke termijn aan met het indienen van het bezwaarschrift op 17 april 2019 en eindigt deze met de datum van de uitspraak van de rechtbank (1 april 2021). Dat is een tijdsverloop van minder dan 24 maanden, hetgeen betekent dat de redelijke termijn niet is overschreden en eiseres geen vergoeding van immateriële schade toekomt.

Proceskosten

Gelet op het vorenoverwogene bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Kleefmann, voorzitter, mr. M.C.A. Onderwater en mr. W.M.C. Schipper, leden, in aanwezigheid van mr. S. Plesman-Jalink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2021.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.