Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:2902

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
09-04-2021
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5662
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douane. Voorwaarden vergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 12-04-2021
NTFR 2021/1292
FutD 2021-1265
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/5662

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 1 april 2021 in de zaak tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr.ing B.J.B. Boersma RB en mr. L. Hoekstra),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Arnhem, verweerder

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 21 september 2017 aan eiseres een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt voor een bedrag van € [$] aan invoerrechten en € [$] aan rente op achterstallen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de utb gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2020 te Alkmaar. Namens eiseres zijn verschenen gemachtigden voornoemd. Namens verweerders zijn verschenen mr. [A] (Eindhoven), mr. [B] (Arnhem/Nijmegen), mr. [C] (Groningen) en mr. [D] (Groningen).

De zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaken HAA 18/4813 en HAA 19/4605 van [E] B.V., HAA 17/5451 van [F] B.V., HAA 17/5661 van [G] B.V. en HAA 19/1092 van [H] B.V.

Op 8 juli 2020 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder verzocht enkele nog op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen. Verweerder heeft op 6 augustus 2020 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift aan eiseres verstrekt. Eiseres heeft hierop niet gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 27 november 2020.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres exploiteert onder meer een groothandel in vis, schaal- en weekdieren. De activiteiten van eiseres bestaan uit het fabriceren en conserveren van en de handel in levensmiddelen in het bijzonder docht niet uitsluitend op het gebied van vis.

2. Op 5 april 2013 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een vergunning bijzondere bestemming (hierna: de vergunning). Verweerder heeft daarop een initieel onderzoek uitgevoerd. In het rapport van dit onderzoek van 16 mei 2013 is onder meer vermeld:

“(…)

4. Zekerheid

(…)

Voor de Alaska Pollack heeft [X] op het aanvraagformulier aangegeven jaarlijks [#] kg te betrekken. Op basis van de omzet van het jaar 2012 is [#] kg een reëlere hoeveelheid. In overleg met de heer [I] is besloten van deze omzet uit te gaan.

(…)”

3. Op 16 mei 2013 is de vergunning verleend. In de vergunning is onder meer het volgende vermeld:

“(…)

6. Geldigheidsduur van de vergunning

a. Ingangsdatum 1 juni 2013

b. Vervaldatum 1 juni 2016

7 Onder de regeling te plaatsen goederen :

GN-code 1. 0302.5110.20

2. 0302.5190.10

3. 0303.6310.10

4. 0303.6330.10

5. 0303.6390.10

6. 0304.7500.10

7. 0304.5950.10

8. 0304.9923.10

Omschrijving 1. Verse of gekoelde kabeljauw (Gadus Morhua)

2. Verse of gekoelde kabeljauw (andere)

3. Bevroren kabeljauw (Gadus Morhua)

4. Bevroren kabeljauw (Gadus Ogac)

5. Bevroren kabeljauw (Gadus Macrocephalus)

6. Bevoren Alaska koolvis (Pollack)

7. Verse of gekoelde haringlappen > 80 gram

8. Bevroren haringlappen > 800 gram 1

Hoeveelheid 1. 10.000kg

2. 10.000kg

3. 10.000 kg

4. 10.000 kg

5. 10.000 kg

6. 700.000 kg

7. 5.000 kg

8. 5.000kg

Waarde 1. € 3,00 per kg

2. € 3,00 per kg

3. € 3,00 per kg

4. € 3,00 per kg

5. € 3,00 per kg

6. € 3,00 per kg

7. € 2,10 per kg

8. € 2,10 per kg

(…)”

4. Tot de stukken van het geding behoort een memo van eiseres van “25 juli 2017 & 7 augustus 2017” met de titel ‘Inkeer vergunning bijzondere bestemming’. Eiseres heeft daarin onder meer gemeld dat sprake is van een overschrijding van de vergunning met [#] kilogram verse of gekoelde Gadus Morhua met een waarde van € [$] in de periode 1 juni 2014 tot en met 31 mei 2016 en in dezelfde periode een overschrijding van de vergunning met [#] kilogram bevroren Alaska Koolvis (Pollak) met een waarde van € [$] .

5. Met dagtekening 21 september 2017 is, onder verwijzing naar bovengenoemd memo, de utb uitgereikt waarin onder meer het volgende is vermeld:

“(…)

In bovengenoemd schrijven verzoekt [J] namens [X] B.V. om een bijbetaling van de invoerrechten als gevolg van het overschrijden van de hoeveelheden zoals opgenomen in de vergunning bijzonder bestemming, vergunningnummer [##] .

Naar aanleiding van dat verzoek ontvangt [X] B.V. deze uitnodiging tot betaling.

Aan [X] B.V. is een vergunning bijzondere bestemming verleend met ingang van 1 januari 2013 onder nummer [##] . In deze vergunning staat als eis dat de ingevoerde goederen waarvoor de vergunning is afgegeven hun bestemming bereikt hebben.

[J] heeft in haar schrijven aangegeven dat er meer goederen zijn ingevoerd onder de regeling bijzondere bestemming dan waarvoor de vergunning is afgegeven.

Het betreft de soorten:

- Kabeljauw Gadus Morhua (zie bijlage 1);

- Alaska koolvis Theragra Chalcogramma (zie bijiage 2).

Deze vaststelling leidt tot een verschuldigdheid van invoerrechten op grond van artikel 79 lid 1 letter c Verordening (EU) nr. 952/2013 (hierna DWU).

[X] B.V.wordt op grond van artikel 79 lid 1 letter c DWU juncto artikel 79 lid 4 DWU als schuldenaar aangemerkt.

Ik nodig [X] B.V. uit het bedrag van € [$] aan invoerrechten te betalen. Hierbij baseer ik mij op artikel 101 tot en met 105 DWU. Tevens is [X] B.V. ingevolge artikel 114 lid 2 DWU rente op achterstallen verschuldigd.

(…)”

6. In bijlage 1 bij de utb is de berekening van de verschuldigde douanerechten opgenomen over de teveel onder de vergunning gebrachte Kabeljauw Gadus Morhua. In de periode van 22 september 2015 tot en met 11 mei 2016 is [#] kg onder de vergunning gebracht, hetgeen volgens de berekening opgenomen in de bijlage [#] kg meer is dan de toegestane hoeveelheid.

In bijlage 2 bij de utb is de berekening van de verschuldigde douanerechten opgenomen over de teveel onder de vergunning gebrachte Alaska Koolvis Pollack. In de periode van 3 juni 2015 tot en met 31 mei 2016 is [#] onder de vergunning gebracht, hetgeen volgens de berekening in de bijlage vanaf 17 maart 2016 [#] kg meer is dan de toegestane hoeveelheid.

7. Tot de stukken van het geding behoort een brief van verweerder van 13 november 2017. In deze brief is - voor zover van belang - het volgende vermeld:

“(…)

Dat er sprake is van wat verwarring bij belanghebbende omdat een eerder vastgestelde overschrijding van een hoeveelheid vis toen niet heeft geleid tot een UTB kan ik evenwel begrijpen. In dat geval is gekozen voor een aanpassing van de vergunning, maar dat blijft zeker niet zo voortduren bij dergelijke hoeveelheidsoverschrijdingen zonder meldingen. Ik merk op dat recent beleidsmatig is gekozen voor financiële handhaving bij deze soort overschrijdingen en verder kan belanghebbende zich niet — al dan niet contra legem- beroepen op een oudere controlerapportage.

(…)”

Geschil
8. In geschil is of de utb terecht en tot het juiste bedrag is uitgereikt. Meer in het bijzonder is in geschil:

- of sprake is van een schending van de voorwaarden van de vergunning;

- of een douaneschuld is ontstaan en zo ja, op welke grondslag;

- of artikel 212bis van het CDW van toepassing is;

- of de voorwaarden van artikel 220, tweede lid, aanhef en sub b, van het CDW zijn vervuld;

- of de douaneschuld tenietgaat op grond van artikel 124 van het DWU dan wel niet is ontstaan op grond van artikel 859 UCDW;

- of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden;

- of de rente op achterstallen terecht en op juiste wijze is berekend; en

- of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 239 van het CDW dan wel artikel 119 of artikel 120 DWU.

9. Eiseres stelt primair dat geen sprake kan zijn van een schending van de voorwaarden van de vergunning. Eiseres kan de in haar vergunning vermelde hoeveelheden niet overschrijden, omdat de in de vergunning vermelde hoeveelheden niet als maximale hoeveelheden kunnen worden gelezen. Eiseres meent dat de hoeveelheden te verwerken vis slechts worden beperkt door de actuele ruimte binnen de geldende contingenten. Subsidiair stelt zij dat als de hoeveelheden in de vergunning al maximale hoeveelheden zijn, deze hoeveelheden dan per maand, of hooguit per jaar gelden.

Verder stelt eiseres dat als al een overschrijding van de hoeveelheden kabeljauw en koolvis uit de vergunning heeft plaatsgevonden, dit niet leidt tot een douaneschuld, omdat een overschrijding van de hoeveelheden geen schending van de vergunningvoorschriften inhoudt.

Als de kabeljauw en de koolvis wegens een hoeveelheidsoverschrijding niet onder de regeling bijzondere bestemmingen gebracht hadden mogen worden dan is de douaneschuld ontstaan op grond van artikel 201 van het CDW respectievelijk artikel 77 van het DWU. Nu de uitnodiging tot betaling is opgelegd op grond van artikel 204 van het CDW, respectievelijk artikel 79 van het DWU, kan de utb niet in stand blijven.

Voorts stelt eiseres dat de utb niet in stand kan blijven, omdat op grond van artikel 212bis van het CDW voor de kabeljauw en de koolvis een gunstige tariefbehandeling krachtens artikel 21 van het CDW gold die ook van toepassing is wanneer een douaneschuld is ontstaan op grond van artikel 204 van het CDW.

Eiseres stelt nog meer subsidiair dat de utb niet in stand kan blijven omdat sprake is van een vergissing in de zin van artikel 220, tweede lid, onder b, van het CDW nu verweerder in het verleden geen gevolgen heeft verbonden aan overschrijding van vergunningen.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat de douaneschuld teniet is gegaan in de zin van artikel 124 van het DWU, omdat het eventuele verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven.

Eiseres stelt voorts dat de utb niet in stand kan blijven, omdat deze is uitgereikt in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Onduidelijkheden in vergunningen worden in andere douaneregio’s uitgelegd in het voordeel van de vergunninghouder en dat hoort ook voor eiseres te gelden.

Eiseres stelt voorts dat rente op achterstallen in de zin van artikel 114, tweede lid, van het DWU uitsluitend kan worden berekend over douaneschulden die zijn ontstaan vanaf 1 mei 2016. Verweerder brengt ten onrechte vanaf 1 mei 2016 rente op achterstallen in rekening voor douaneschulden die zijn ontstaan vóór 1 mei 2016. Eiseres stelt dat verweerder bovendien geen voornemen tot het opleggen van de utb heeft verzonden en stelt enkel voor de rente op achterstallen dat het verdedigingsbeginsel is geschonden.

Tot slot stelt eiseres dat de douaneschulden moeten worden kwijtgescholden op grond van artikel 239 van het CDW respectievelijk artikel 120 van het DWU, omdat verweerder geen landelijk uniform beleid hanteerde, onvoldoende vooraf heeft duidelijk gemaakt dat zij vergunningen strenger dan voorheen zou gaan controleren en de financiële belangen van de EU niet zijn geraakt.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de utb. Voorts verzoekt eiseres om veroordeling van verweerder tot een integrale proceskostenvergoeding en om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de vergunning is overschreden met de hoeveelheden die in de utb zijn vermeld. Als gevolg hiervan is een douaneschuld ontstaan op grond van artikel 204, eerste lid, aanhef en onder b, van het CDW, respectievelijk artikel 79, van het DWU, omdat eiseres meer goederen onder haar vergunning heeft gebracht dan waarvoor deze was verleend.

Verweerder voert aan dat artikel 212bis van het CDW niet kan worden toegepast omdat de koolvis en koolvisfilets met een bijzondere bestemming in het vrije verkeer zijn gebracht zonder een daartoe vereiste vergunning.

Verder stelt verweerder dat de douaneschuld niet teniet is gegaan, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 124, eerste lid, onder h, van het DWU en, voor zover de douaneschuld is ontstaan onder het CDW, een situatie als de onderhavige niet is opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 859 van de UCDW.

De verschuldigdheid van rente op achterstallen is een formele bepaling, die is ingegaan op

1 mei 2016 dus ook over douaneschulden die onder het CDW zijn ontstaan.

Tot slot voert verweerder aan dat de artikelen 119 en 120 van het DWU de mogelijkheid bieden een verzoek om terugbetaling wegens een vergissing van de douaneautoriteiten respectievelijk wegens bijzondere omstandigheden in te dienen maar dit kan enkel door het indienen van een separaat verzoek en kan niet worden beoordeeld in de bezwaarprocedure tegen de utb.

Van een actieve gedraging van verweerder jegens eiseres, bijvoorbeeld in de afhandeling van de aangiften, in de vergunning of in de vergunningen van derden, is geen sprake, zodat artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, van het CDW niet van toepassing is. Voorts kunnen nationale algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet worden getoetst in een zaak over de navordering van douanerechten.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

11. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Horen van getuigen

12. Het als getuigen horen van medewerkers van verweerder, zoals eiseres de rechtbank heeft voorgesteld, acht de rechtbank, mede gelet op de hierna in overweging 22 aangehaalde arresten van het HvJ, niet van belang voor enig te nemen beslissing, zodat de rechtbank geen gevolg zal geven aan dit voorstel (vgl. HR 15 november 2019, nr. 18/04315, ECLI:NL:HR:2019:1786, r.o. 2.4.3).

Stukken van het geding

13.1.

Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb dient het bestuursorgaan in beginsel alle op de zaak betrekking hebbende stukken die aan dat orgaan ter beschikking staan of hebben gestaan aan de rechter over te leggen. Tot de op grond van die bepaling over te leggen stukken behoren alle stukken die het bestuursorgaan ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten.

13.2.

Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb strekt ertoe dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit van het bestuursorgaan aan de rechter -en de wederpartij -beschikbaar worden gesteld. De in die bepaling neergelegde verplichting heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door het bestuursorgaan genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking staan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden (zie de arresten van de HR van 10 april 2015, nr. 14/01189, ECLI:NL:HR:2015:874, 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672 en 23 oktober 2020, nr.19/04499, ECLI:NL:HR:2020:1670).

13.3.

Indien een partij verzuimt te voldoen aan de verplichting om stukken over te leggen is het op grond van artikel 8:31 van de Awb aan de rechter om daaruit de gevolgtrekkingen te maken die hem geraden voorkomen. Dit voorschrift staat toe dat de rechter onder omstandigheden de gevolgtrekking maakt dat voorbijgegaan moet worden aan dit verzuim (zie het arrest van de HR van 14 november 2014, nr. 12/05832, ECLI:NL:HR:2014:3041, BNB 2015/46).

13.4.

Eiseres heeft verweerder gevraagd om inzage in stukken van de coördinatiegroep. Deze stukken heeft verweerder ter zitting overgelegd, zodat verweerder voor deze stukken heeft voldaan aan zijn verplichting van artikel 8:42 van de Awb.

Verder stelt eiseres dat verweerder beschikt over al dan niet nog geldige vergunningen bijzondere bestemmingen van onbenoemde vergunninghouders die wellicht zijn afgegeven voor andere hoeveelheden en over andere tijdvakken dan de vergunning die aan eiseres is verstrekt. Het gaat volgens eiseres dan vooral over vergunningen die niet tot bezwaar- en beroepsprocedures hebben geleid. De rechtbank acht deze beschrijving te algemeen om te kunnen spreken van stukken van het geding in de zin van artikel 8:42 van de Awb.

13.5.

De rechtbank stelt vast dat de aanvraag voor de vergunning zich niet in het dossier bevindt. Dit betreft een op de zaak betrekking hebbend stuk in de zin van artikel 8:42 van de Awb en moet door verweerder worden ingediend. Verweerder heeft verzuimd dit stuk te overleggen en heeft desgevraagd verklaard niet meer over dit stuk te beschikken. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:31 van de Awb voorbijgaan aan dit verzuim omdat de rechtbank zich, gelet op de overige tussen partijen gewisselde stukken en hetgeen ter zitting is besproken, voldoende voorgelicht acht om over het geschil te oordelen.

Schending voorwaarden vergunning

14. In de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015 gold op grond van Verordening (EU) nr. 1220/2012 een contingent voor kabeljauw van GN-code 0302 5110, bestemd om te worden verwerkt, met een jaarlijks volume van 30.000 ton. Tevens gold een continent voor bevroren Alaska koolvis van GN-code 0304 7500, bestemd om te worden verwerkt, met een jaarlijks volume van 350.000 ton. De rechten bij invoer voor deze kabeljauw en koolvis werden in deze periode geschorst. In de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018 gold op grond van Verordening (EU) nr. 2015/2265 een contingent voor kabeljauw van GN-code 0302 5110, bestemd om te worden verwerkt, met een jaarlijks volume van 75.000 ton. Tevens gold een contingent voor bevroren Alaska koolvis van GN-code 0304 7500, bestemd om te worden verwerkt, met een jaarlijks volume van 300.000 ton. De rechten bij invoer voor deze kabeljauw en koolvis werden in deze periode geschorst.

In voetnoot 2 bij de beschrijvingen van de goederen waarop de contingenten van toepassing zijn, is bepaald dat het contingent afhankelijk is van de in de artikelen 291 tot en met 300 van de UCDW bepaalde voorwaarden. Dit betreft de voorwaarden voor het toepassen van een nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van goederen. Dergelijke goederen bevinden zich op grond van artikel 82 van het CDW in het vrije verkeer onder douanetoezicht totdat zij hun bestemming hebben gevolgd. Artikel 292 van de UCDW bepaalt vervolgens, dat de toekenning van het nulrecht afhankelijk is van een schriftelijke vergunning. Deze vergunning wordt afgegeven overeenkomstig het model in bijlage 67 bij de UCDW. Volgens dat model worden van de goederen die onder de douaneregeling in het vrije verkeer brengen met een bijzondere bestemming mogen worden geplaatst, de GN-code, de omschrijving, de hoeveelheid en de waarde in de vergunning opgenomen..

15. Uit bovenstaande bepalingen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat slechts voor de hoeveelheden kabeljauw en koolvis waarvoor een vergunning bijzondere bestemmingen is afgegeven de rechten bij invoer kunnen worden geschorst in het kader van eerdergenoemde contingenten. De stelling van eiseres, dat de hoeveelheden vis die onder de vergunning kunnen worden verwerkt slechts worden beperkt door de actuele ruimte binnen de tariefcontingenten, kan niet worden aanvaard. Het afhankelijk maken van een contingent zou het wettelijk voorgeschreven vergunningensysteem betekenisloos maken en bovendien een nuttige werking ervan te zeer beperken. Uit de toepasselijke wetgeving is niet af te leiden dat een dergelijke beperking, als door eiseres voorgestaan, is beoogd.

16. Wanneer uitsluitend zou worden uitgegaan van de tekst van de vergunning van eiseres dan mocht zij onder de vergunning, van 1 juni 2013 tot 1 juni 2016, een hoeveelheid van in totaal [#] kg kabeljauw Gadus Morhua en een hoeveelheid van in totaal [#] kg Alaska koolvis verwerken. In het rapport van het initieel onderzoek staat echter vermeld dat zou worden uitgegaan van [#] kg koolvis per jaar. Uit de bijlagen bij de utb blijkt dat verweerder voor de berekening van de douaneschuld ook is uitgegaan van de hoeveelheden per jaar, voor zowel de koolvis als voor de kabeljauw. Met deze berekening bevoordeelt verweerder eiseres ten opzichte van de tekst van de vergunning, zodat de rechtbank verweerder op dit punt zal volgen.

Grondslag douaneschuld

17. Uit bovenstaande volgt dat eiseres de hoeveelheden zoals opgenomen in haar vergunning heeft overschreden met [#] kg kabeljauw en [#] kg koolvis. Voor deze hoeveelheden is naar het oordeel van de rechtbank een douaneschuld ontstaan op grond van artikel 204, eerste lid, aanhef en onder b, van het CDW en na 1 mei 2016 op grond van artikel 79, eerste lid, onder c, van het DWU, omdat een van de voorwaarden voor de toekenning van een nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van de goederen niet in acht is genomen. Voor de toekenning van het nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van de goederen had eiseres immers over een - toereikende - vergunning moeten beschikken. Nu dit niet het geval is heeft eiseres deze hoeveelheden derhalve ten onrechte met toepassing van de vergunning bijzondere bestemmingen in het vrije verkeer gebracht. Daarmee is voldaan aan het bepaalde in artikel 204 CDW respectievelijk artikel 79, eerste lid, onder c, van het DWU. De stelling van eiseres dat de douaneschuld is ontstaan op grond van artikel 201 van het CDW berust op een onjuiste interpretatie van artikel 204 van het CDW (vgl. Gerechtshof Amsterdam, 11 februari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:980, r.o. 5.4) . Hetzelfde geldt voor de douaneschuld die vanaf 1 mei 2016 is ontstaan op grond van artikel 79, eerste lid, aanhef en onder c, van het DWU en niet op grond van artikel 77 van het DWU.

Toepassing van artikel 212bis van het CDW

18. Op grond van artikel 212bis, in samenhang met artikel 21, van het CDW, wordt onder omstandigheden een schorsing van rechten bij invoer ook toegepast wanneer voor de betrokken goederen een douaneschuld ontstaat overeenkomstig artikel 204 van het CDW.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat artikel 212bis van het CDW in het onderhavige geval toepassing mist. Een van de voorwaarden is immers dat ‘aan de overige voorwaarden voor de toekenning van de gunstige tariefbehandeling of de vrijstelling is voldaan’. Voor de onderhavige hoeveelheden vis was de vergunning van eiseres echter niet toereikend. De toepassing van de vastgestelde contingenten is afhankelijk gesteld van de in de artikelen 291 tot en met 300 van de UCDW bepaalde voorwaarden, waaronder het hebben van een schriftelijke vergunning ‘bijzondere bestemmingen’. Toepassing van artikel 212bis van het CDW in een geval als het onderhavige, waarin eiseres niet heeft voldaan aan de voorwaarde van het hebben van een vergunning, zou er op neerkomen dat het afhankelijk stellen van de contingenten van schriftelijke vergunningen iedere nuttige betekenis verliest (vgl Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) 29 juli 2010 (Isaac International Ltd), C-371/09, r.o. 41 en 42).

Toepassing van artikel 220, tweede lid, onder b, van het CDW

19. Voor het deel van de douaneschuld dat is ontstaan vóór 1 mei 2016 stelt eiseres dat de boeking achteraf achterwege had moeten blijven vanwege een vergissing van de douaneautoriteiten in de zin van artikel 220, tweede lid, onder b, van het CDW. Ten aanzien van eiseres heeft verweerder in een controlerapport van 11 december 2014 het volgende vermeld: “Deze hoeveelheid is met ongeveer [#] kg overschreden. De vergunning zal op dit punt moeten worden aangepast en de zekerheid zal moeten worden aangepast”. Hierin leest de rechtbank geen gedogen of goedkeuren van overschrijding van de hoeveelheden van de vergunning. Met verweerder is de rechtbank van oordeel, dat eiseres juist door deze eerdere aanpassing van haar vergunning had kunnen weten dat overschrijdingen niet zonder gevolgen konden blijven voor de werking van haar vergunning. Door deze aanpassing heeft verweerder eiseres niet in een verkeerde veronderstelling gebracht ten aanzien van de daarna onder de vergunning te plaatsen hoeveelheden vis. Algemene stellingen over het vermeende gedogen van overschrijdingen door andere vergunninghouders in hetzelfde of in andere douaneregio’s zijn hiertoe ook onvoldoende. Bovendien is niet gebleken dat eiseres zich hierdoor heeft laten leiden bij de uitvoering en toepassing van de regeling. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een dergelijke vergissing.

Verzuim zonder werkelijke gevolgen

20. Eiseres stelt dat de douaneschulden teniet zijn gegaan op grond van artikel 124, eerste lid, aanhef en onder h, van het DWU, omdat het verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven in de zin van artikel 103, aanhef en onder e, GVo. Eén van de voorwaarden voor het tenietgaan van een douaneschuld op deze grond is dat alle formaliteiten die nodig zijn om de situatie van de goederen te regulariseren, naderhand worden vervuld (zie artikel 124, eerste lid, aanhef en onder h ii) van het DWU). Zoals verweerder terecht stelt, konden deze formaliteiten niet meer naderhand worden vervuld, omdat de vergunde hoeveelheden reeds waren uitgeput op het moment dat de aangiften tot plaatsing onder de vergunning werden gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank reikt de mogelijkheid tot het naderhand vervullen van formaliteiten niet zover dat hieronder moet worden begrepen het achteraf verhogen van vergunde hoeveelheden. Net zoals hiervoor is overwogen ten aanzien van artikel 212bis van het CDW zou de toepassing van artikel 124 van het DWU in een geval als het onderhavige, waarin eiseres niet beschikte over een toereikende vergunning, erop neerkomen dat het afhankelijk stellen van contingenten van schriftelijke vergunningen iedere nuttige betekenis verliest. Een situatie als de onderhavige valt ook niet onder de andere vormen van verzuim zonder werkelijke gevolgen van artikel 103 van de Gvo, zodat geen sprake kan zijn van het tenietgaan van de douaneschuld in de zin van artikel 124 van het DWU. Een situatie als de onderhavige wordt ook niet genoemd in de limitatieve opsomming van artikel 859 van de UCDW, zodat voor zover de douaneschuld is ontstaan vóór 1 mei 2016 geen sprake kan zijn van een verzuim zonder werkelijke gevolgen in de zin van artikel 204 van het CDW (vgl. HvJ 11 november 1999, nr. C-48/98, Söhl & Söhlke). Deze grief faalt derhalve.

Schending van het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur

21. Volgens de vaste jurisprudentie van het HvJ moet de eerbiediging van de algemene Unierechtelijke rechtsbeginselen worden verzekerd (vgl HvJ 18 december 2008, nr. C-349/07, Sopropé, r.o. 33, HvJ 6 maart 2001, nr. C274/99 P, Connolly/Commissie, r.o. 37 en HvJ 8 oktober 2020, nr. C-330/19,Exter B.V., r.o. 24. Met al hetgeen eiseres hierover naar voren heeft gebracht heeft zij echter niet aannemelijk gemaakt dat verweerder het Unierechtelijke gelijkheidsbeginsel of een daarvan te onderscheiden Unierechtelijk verbod van willekeur heeft geschonden.

Controle vergunningen

22. Voor wat betreft het argument van eiseres dat verweerder niet zonder te waarschuwen had mogen overgaan tot het strenger controleren van vergunningen wijst de rechtbank erop, dat het de verantwoordelijkheid van eiseres is om zich aan de voorwaarden van haar vergunningen te houden, ongeacht de mate van controle door verweerder. Dat vergunninghouders zich strikt dienen te houden aan de voorwaarden van hun vergunningen heeft het HvJ benadrukt in zijn arresten van 6 september 2012, nrs. C-262/10, Döhler Neukirchen GmbH, r.o. 40, en C-28/11, Eurogate Distribution GmbH, ro 31, 32.

Rente op achterstallen.

23. Blijkens de bijlagen bij de utb heeft verweerder vanaf 1 mei 2016 rente op achterstallen in de zin van artikel 114, tweede lid van het DWU berekend, ook over de douaneschulden die vóór 1 mei 2016 zijn ontstaan. Het vóór 1 mei 2016 geldende CDW kende geen rente op achterstallen. De rechtbank is van oordeel, dat rente op achterstallen in de zin van artikel 114, tweede lid, van het DWU uitsluitend kan worden berekend over douaneschulden die onder het DWU, dat wil zeggen vanaf 1 mei 2016, zijn ontstaan en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank kwalificeert de verschuldigdheid van rente op achterstallen over een douaneschuld als een materiële bepaling, omdat hiermee een aan de douaneschuld gekoppelde betalingsverplichting ontstaat. Volgens vaste rechtspraak van het HvJ gelden procedureregels voor alle bij de inwerkingtreding ervan aanhangige geschillen, in tegenstelling tot materiële regels, die doorgaans worden geacht niet te gelden met betrekking tot vóór de inwerkingtreding ervan verworven rechtsposities (HvJ nr. C-201/04, Molenbergnatie N.V., 23 februari 2006, r.o. 31). Daarbij komt, dat artikel 114, tweede lid, van het DWU, verwijst naar - voor zover hier relevant - douaneschulden die zijn ontstaan op basis van artikel 79 van het DWU. Deze verwijzing kan niet worden gelezen als een verwijzing naar artikel 204 van het CDW, reeds omdat belastbare feiten bij uitstek materiële regels zijn die niet in elkaars plaats kunnen worden gelezen. In zoverre is het beroep van eiseres gegrond.

24. Eiseres betoogt dat verweerder het verdedigingsbeginsel heeft geschonden door niet voorafgaand aan het uitreiken van de utb het bedrag aan rente op achterstallen (berekend over de douaneschuld die vanaf 1 mei 2016 is ontstaan) bekend te maken. Zij heeft evenwel niet gepreciseerd hoe een eerdere bekendmaking tot een andere uitkomst had kunnen leiden. De rechtbank merkt hierbij op dat eiseres geen afzonderlijke argumenten heeft ingebracht tegen de hoogte van deze rente.

Beroep op artikel 239 van het CDW en de artikelen 119 en 120 van het DWU

25. Eiseres stelt dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 239 van het CDW (voor zover de douaneschuld is ontstaan vóór 1 mei 2016) en, voor zover de douaneschuld is ontstaan vanaf 1 mei 2016, een vergissing in de zin van artikel 119 van het DWU dan wel bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 120 van het DWU.

26. Gronden voor terugbetaling of kwijtschelding worden getoetst aan de hand van een verzoek dat daartoe wordt ingediend en vervolgens wordt behandeld volgens de procedure van artikel 121 van het DWU. Deze gronden kunnen niet worden getoetst in een beroepsprocedure als de onderhavige, die is gestart met een bezwaar tegen een utb (zie rechtbank Noord-Holland 10 februari 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:722, r.o. 24 tot en met 26). Voor een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding staat voor eiseres de procedure van artikel 121 van het DWU open.

Slotsom

27. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep (uitsluitend) gegrond te worden verklaard voor wat betreft de rente op achterstallen die is berekend over douaneschulden die zijn ontstaan vóór 1 mei 2016 (overweging 23).

Vergoeding van immateriële schade

28. Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen zaken moeten worden behandeld.

29. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252) kan in belastingzaken aanspraak bestaan op schadevergoeding met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 (oud) van de Awb, indien het belastinggeschil niet binnen een redelijke termijn wordt beslecht. De redelijke termijn is overschreden als na indiening van het bezwaar meer dan twee jaren zijn verstreken voordat op dat bezwaar en, indien vervolgens beroep is ingesteld, op dat beroep is beslist. Er kunnen zich bijzondere omstandigheden voordoen die aanleiding geven tot verkorting of verlenging van die termijnen. Als de bezwaar- en beroepsfase samen te lang hebben geduurd, vindt de toerekening als volgt plaats. De bezwaarfase heeft onredelijk lang geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een bedrag van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

30. Op grond van voornoemd arrest vangt de redelijke termijn aan met het indienen van het bezwaarschrift. De redelijke termijn is aangevangen op 3 oktober 2017 en eindigt met de datum van de uitspraak van de rechtbank (1 april 2021). Dat is een tijdsverloop van afgerond 41 maanden. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van de redelijke termijn rechtvaardigen. In de bezwaarfase is door eiseres en verweerder wel gesproken over, maar niet overgegaan tot, opschorting van de behandeling van het bezwaar. De redelijke termijn is derhalve met 17 maanden overschreden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.500. Nu de uitspraak op bezwaar dateert van 14 december 2017 is de overschrijding van de redelijke termijn geheel toe te rekenen aan de beroepsfase. De Minister van Justitie en Veiligheid zal worden veroordeeld tot betaling van de gehele vergoeding.

Proceskosten

31. De rechtbank ziet aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Eiseres heeft verzocht om een integrale proceskostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase.

32. Eiseres doet voor de berekening van de proceskostenvergoeding een beroep op artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Dit artikellid ziet, blijkens de wetgevingsgeschiedenis (TK 1999-2000, 27024, nr. 3, blz. 7.), op uitzonderlijke, schrijnende gevallen, waarbij strikte toepassing van het Besluit evident onrechtvaardig zou zijn. Voor toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit is grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een (de) daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (HR 13 april 2007, nr. 41.235, ECLI:NL:HR: 2007: BA2802 en herhaald in HR 6 februari 2009, 08/01915, ECLI:NL:HR:2009:BH1928) dan wel (HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975), indien verweerder in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat geen van de hiervoor in de arresten omschreven situaties zich voordoet.

33. Gelet hierop stelt de rechtbank de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.333 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde van € 265, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar, uitsluitend voor wat betreft het onderdeel rente op achterstallen;

- bepaalt dat verweerder de utb vermindert met het bedrag aan rente op achterstallen dat is berekend over douaneschulden die zijn ontstaan vóór 1 mei 2016;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.333;

- veroordeelt de Minister tot vergoeding van de door eiseres geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.500;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Kleefmann, voorzitter, mr. M.C.A. Onderwater en mr. W.M.C. Schipper, leden, in aanwezigheid van mr. S. Plesman-Jalink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2021.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.