Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:2900

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
09-04-2021
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5451
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douane. Voorwaarden vergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 12-04-2021
NTFR 2021/1291
FutD 2021-1265
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/5451

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 1 april 2021 in de zaak tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr.ing B.J.B. Boersma RB en mr. L. Hoekstra)

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Groningen, verweerder

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 19 mei 2017 aan eiseres een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt ten bedrage van € [$] aan douanerechten op industriële producten en € [$] aan rente op achterstallen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de utb gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2020 te Alkmaar. Namens eiseres zijn verschenen gemachtigden voornoemd. Namens verweerders zijn verschenen mr. [A] (Eindhoven), mr. [B] (Arnhem/Nijmegen), mr. [C] (Groningen) en mr. [D] (Groningen).

De zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaken HAA 18/4813 en HAA 19/4605 van [F] B.V., HAA 17/5661 van [G] B.V., HAA 17/5662 van [H] B.V. en HAA 19/1092 van [I] B.V.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres exploiteert een groothandel in vis en schaal- en weekdieren. De activiteiten van eiseres bestaan uit de handel in en het bewerken van vis en visproducten.

2. In de periode van 22 december 2010 tot 22 december 2013 beschikte eiseres over een vergunning bijzondere bestemming voor de verwerking van diverse soorten vis. In deze vergunning waren hoeveelheden per vissoort op jaarbasis opgenomen. Op verzoek van eiseres heeft verweerder deze vergunning per 31 juli 2012 gewijzigd, waarbij - voor zover van belang - de hoeveelheid en waarde van Alaska koolvis filet zijn verhoogd.

3. Op 1 november 2013 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een vergunning bijzondere bestemming (hierna: de vergunning). Op 18 december 2013 is de vergunning verleend. In de vergunning is onder meer het volgende vermeld:

“(…)

6. Geldigheidsduur van de vergunning

a. Ingangsdatum 22 december 2013

b. Vervaldatum 22 december 2016

7 Onder de regeling te plaatsen goederen :

GN-code 1. 0304.7500.10 2. 03048390.21

3. 0304.9490.10 4. 0304.9525.10

5. 0304.7190.10 6. 0304.795010

Omschrijving 1. Alaska koolvis filet ( Theragra chalcogramrnain de vorm van industriële blokken .

2. Platvis filet ( Limanda aspera, Lepidopsetta bilineata, Pleuronectes Quadrituberculatus, Limanda ferruginea, Lepidopsetta polyxystra )

3. Alaska koolvis visviees ( Theragra chalcogramma in de vorm van industriële blokken ,

4. Kabeljauw mmce ( visviees Gadus Morhua

5. Kabeljauw filet ( Gadus Morhua

6. Hoki filet ( macruronus novaezelandiea

Hoeveelheid / waarde ( op jaarbasis) [#] kg € [$] ,-

2. 50.000 kg € 200.000

3. 350.000 kg € 600.000 ,-

4. 60.000 kg € 125.000 ,-

5. 100.000kg € 400.000

6. 200.000 kg € 650.000 ,-

(…)”

4.1.

Verweerder heeft een administratieve controle ingesteld naar de naleving van de voorwaarden van de vergunning en een initieel onderzoek naar de administratieve organisatie en de maatregelen van interne beheersing (AO/IB). De bevindingen zijn opgenomen in het controlerapport van 8 mei 2017. In het controlerapport is - voor zover van belang - het volgende vermeld:

“(…)

7.3.4.

Hoeveelheden en waarden

Op 28 september 2014 is aan [X] een brief gestuurd waarin de formaliteiten met betrekking tot de vergunning voorwaarden zijn uitgelegd. Met name zijn de volgende onderwerpen genoemd:

- Voor welke goederen de vergunning is afgegeven;

- De hoeveelheid goederen, die onder de regeling mag worden gebracht;

- De termijn, waarbinnen de goederen de voorgeschreven bestemming moeten hebben bereikt;

- De plaatsen, waar aan de goederen de voorgeschreven bestemming moet worden gegeven;

- De geldigheidsduur van de vergunning.

Deze en eventueel andere voorwaarden en gegevens vinden hun basis in het Communautair Douane Wetboek (CDW) en de Toepassingsverordening CDW. De vergunninghouder moet alle gebeurtenissen die gevolgen kunnen hebben voor de vergunning aan de bevoegde douaneautoriteiten meedelen. Ook bij overdracht van goederen, waarvoor een bijzondere bestemming geldt, moet aan diverse voorwaarden worden voldaan.

Daarnaast is vermeld, dat naar aanleiding van een recente rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat de voorwaarden, die gelden voor onder douanetoezicht staande goederen, strikt moeten worden nageleefd. Indien niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, kan er een douaneschuld ontstaan, ook al hebben de goederen bijvoorbeeld een toegestane bestemming bereikt.

De in de tabel in paragraaf 7.1 vermelde hoeveelheden zijn de maximale hoeveelheden die per jaar in het vrije verkeer mogen worden gebracht met een bijzondere bestemming. De vergunning is ingegaan op 22 december 2013. Jaar 1 loopt dan van 22 december 2013 tot en met 21 december 2014. Jaar 2 loopt van 22 december 2014 tot en met 21 december 2015 en jaar 3 loopt van 22 december 2015 tot en met 21 december 2016. Op basis van de DSI en AGS aangiften is de hoeveelheid en waarde per vissoort voor alle jaren in beeld gebracht. Ook heeft [X] nog vis op T5 overgedragen gekregen van andere vergunninghouders.

(…)

Jaar 1:

Vastgesteld is dat in het eerste jaar de hoeveelheid en de waarde van Alaska koolvis is overschreden.

Na interne afstemming is gekozen voor een correctie op de waarde-overschrijding. De vergunning is verleend voor een bepaalde hoeveelheid goederen tegen een bepaalde waarde. Het fiscale risico wordt gelopen over het verschil in douanerechten dat wordt berekend als percentage van de waarde. Een sterke waardestijging is een element dat van invloed is op de vergunning en dat gemeld had moeten worden

(…)

Jaar 2:

(…)

Vastgesteld is dat in jaar 2 de hoeveelheid en de waarde van Alaska koolvis is overschreden.

Zoals in de vorige paragraaf beschreven wordt de correctie berekend over de waarde-overschrijding.

(…)

Jaar 3:

In jaar 3 wordt van de Alaska koolvis de waarde en hoeveelheid overschreden.

(…)

Naast de Alaska koolvis is de waarde van de kabeljauw filet in 2016 overschreden.

(…)”

4.2.

In bijlage 5 bij het controlerapport is opgenomen dat eiseres in 2016 een hoeveelheid van [#] kg kabeljauwfilet onder haar vergunning heeft gebracht.

5. Op 19 mei 2017 is de onderhavige utb uitgereikt. In deze utb is - voor zover van belang - het volgende vermeld:

“(…)

Uit mijn gegevens blijkt dat u € [$] aan belasting verschuldigd bent. U bent dit bedrag verschuldigd op grond van artikel 79 van de Verordening (EU) nr. 952/2013, voor 1 mei 2016 op grond van 204 CDW Verordening (EEG) 2913/92. Voor deze boeking achteraf wordt een uitnodiging tot betaling verzonden. Deze is gebaseerd op artikel 102 lid 1 DWU en artikel 7:6 Algemene douanewet, voor de schuld ontstaan voor 1 mei 2016 op grond van artikel 221 CDW. Over het deel van de correctie wat na 1 mei 2016 is ontstaan zal op grond van artikel 114 lid 2 DWU rente op achterstallen in rekening worden gebracht. Over het deel van de correctie wat voor 1 mei 2016 is ontstaan wordt rente op achterstallen in rekening gebracht vanaf 1 mei 2016.

(…)”

Geschil
6.In geschil is of de utb terecht en tot het juiste bedrag is uitgereikt. Meer in het bijzonder is in geschil:

- of sprake is van een schending van de voorwaarden van de vergunning;

- welk criterium bepalend is voor de vaststelling of sprake is van een overschrijding;

- of een douaneschuld is ontstaan en zo ja, op welke grondslag;

- of artikel 212bis van het CDW van toepassing is;

- of de voorwaarden van artikel 220, tweede lid, aanhef en sub b, van het CDW zijn vervuld;

- of de douaneschuld tenietgaat op grond van artikel 124 van het DWU respectievelijk niet is ontstaan op grond van artikel 859 van de UCDW;

- of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden;

- of de rente op achterstallen terecht en op juiste wijze is berekend; en

- of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 239 van het CDW respectievelijk de artikelen 119 of 120 van het DWU.

7. Eiseres stelt primair dat geen sprake is van een schending van de voorwaarden van de vergunning. Eiseres kan de in haar vergunning vermelde hoeveelheden niet overschrijden, omdat de in de vergunning vermelde hoeveelheden niet als maximale hoeveelheden kunnen worden gelezen. Eiseres meent dat de hoeveelheden te verwerken vis slechts worden beperkt door de actuele ruimte binnen de geldende contingenten. Subsidiair stelt zij dat als de hoeveelheden in de vergunning al maximale hoeveelheden zijn, deze hoeveelheden dan per maand, of hooguit per jaar gelden. Nog meer subsidiair stelt eiseres dat een eventuele overschrijding van de vergunning alleen kan worden bepaald aan de hand van de vergunde hoeveelheid en niet aan de hand van de waarde.

Verder stelt eiseres dat als al een overschrijding van de hoeveelheid vis uit de vergunning heeft plaatsgevonden, dit niet leidt tot een douaneschuld, omdat een overschrijding van de hoeveelheid geen schending van de vergunningvoorschriften inhoudt.

Als de vis wegens een hoeveelheidsoverschrijding niet onder de regeling bijzondere bestemmingen gebracht had mogen worden dan is de douaneschuld ontstaan op grond van artikel 201 van het CDW respectievelijk artikel 77 van het DWU. Nu de utb is opgelegd op grond van artikel 204 van het CDW, respectievelijk artikel 79 van het DWU, kan deze niet in stand blijven.

Voorts stelt eiseres dat de utb niet in stand kan blijven, omdat op grond van artikel 212bis van het CDW voor de koolvis en de kabeljauwfilet een gunstige tariefbehandeling krachtens artikel 21 van het CDW gold die ook van toepassing is wanneer een douaneschuld is ontstaan op grond van artikel 204 van het CDW.

Eiseres stelt nog meer subsidiair dat de utb niet in stand kan blijven, omdat sprake is van een vergissing in de zin van artikel 220, tweede lid, onder b, van het CDW nu verweerder in het verleden geen gevolgen heeft verbonden aan overschrijding van vergunningen.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat de douaneschuld voor de periode na 1 mei 2016 teniet is gegaan in de zin van artikel 124 van het DWU, omdat het eventuele verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven.

Eiseres stelt voorts dat de utb niet in stand kan blijven, omdat deze is uitgereikt in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Onduidelijkheden in vergunningen worden in andere douaneregio’s uitgelegd in het voordeel van de vergunninghouder en dat hoort ook voor eiseres te gelden.

Eiseres stelt voorts dat rente op achterstallen in de zin van artikel 114, tweede lid, van het DWU uitsluitend kan worden berekend over douaneschulden die zijn ontstaan vanaf 1 mei 2016. Verweerder brengt ten onrechte vanaf 1 mei 2016 rente op achterstallen in rekening voor douaneschulden die zijn ontstaan vóór 1 mei 2016. Verweerder heeft voorts in zijn voornemen tot het vaststellen van de utb niet het bedrag en de berekening van de rente op achterstallen opgenomen, zodat op dit punt het verdedigingsbeginsel is geschonden.

Tot slot stelt eiseres dat de douaneschulden moeten worden kwijtgescholden in de zin van artikel 239 van het CDW respectievelijk artikel 119 dan wel artikel 120 van het DWU, omdat verweerder geen landelijk uniform beleid hanteerde, onvoldoende vooraf heeft duidelijk gemaakt dat zij vergunningen strenger dan voorheen zou gaan controleren en de financiële belangen van de EU niet zijn geraakt.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de utb. Voorts verzoekt eiseres om veroordeling van verweerder tot een integrale proceskostenvergoeding en om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de vergunning is overschreden met de waardes en hoeveelheden zoals in het controlerapport vermeld. Er moet immers worden uitgegaan van het financiële risico voor de EU van het overschrijden van de vergunning. Voor de koolvis en de kabeljauwfilet is een douaneschuld ontstaan op grond van artikel 204, eerste lid, aanhef en onder b, van het CDW respectievelijk artikel 79 van het DWU, omdat eiseres voor een hogere waarde aan goederen onder haar vergunning heeft gebracht dan waarvoor deze was verleend.

Verweerder voert aan dat artikel 212bis van het CDW niet kan worden toegepast, omdat de koolvis en de kabeljauwfilet met een bijzondere bestemming in het vrije verkeer zijn gebracht zonder een daartoe vereiste vergunning.

Verder stelt verweerder dat de douaneschuld niet teniet is gegaan, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 124, eerste lid, onder h, van het DWU en, voor zover de douaneschuld is ontstaan onder het CDW, een situatie als de onderhavige niet is opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 859 van de UCDW.

De verschuldigdheid van rente op achterstallen is een formele bepaling, die is ingegaan op

1 mei 2016 dus ook over douaneschulden die onder het CDW zijn ontstaan.

Tot slot voert verweerder aan dat de artikelen 119 en 120 van het DWU de mogelijkheid bieden een verzoek om terugbetaling wegens een vergissing van de douaneautoriteiten respectievelijk wegens bijzondere omstandigheden in te dienen maar dit kan enkel door het indienen van een separaat verzoek en kan niet worden beoordeeld in de bezwaarprocedure tegen de utb.

Van een actieve gedraging van verweerder jegens eiseres, bijvoorbeeld in de afhandeling van de aangiften, in de vergunning of in de vergunningen van derden, is geen sprake, zodat artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, van het CDW niet van toepassing is. Voorts kunnen nationale algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet worden getoetst in een zaak over de navordering van douanerechten.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Horen van getuigen

10. Het als getuigen horen van medewerkers van verweerder, zoals eiseres de rechtbank heeft voorgesteld, acht de rechtbank, mede gelet op de hierna in overweging 20 opgenomen arresten van het HvJ, niet van belang voor enig te nemen beslissing, zodat de rechtbank geen gevolg zal geven aan dit voorstel (vgl. HR 15 november 2019, nr. 18/04315, ECLI:NL:HR:2019:1786, r.o. 2.4.3).

Stukken van het geding

11.1.

Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb dient het bestuursorgaan in beginsel alle op de zaak betrekking hebbende stukken die aan dat orgaan ter beschikking staan of hebben gestaan aan de rechter over te leggen. Tot de op grond van die bepaling over te leggen stukken behoren alle stukken die het bestuursorgaan ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten.

11.2.

Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb strekt ertoe dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit van het bestuursorgaan aan de rechter -en de wederpartij -beschikbaar worden gesteld. De in die bepaling neergelegde verplichting heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door het bestuursorgaan genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking staan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden (zie de arresten van de HR van 10 april 2015, nr. 14/01189, ECLI:NL:HR:2015:874, 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672 en 23 oktober 2020, nr.19/04499, ECLI:NL:HR:2020:1670).

11.3.

Indien een partij verzuimt te voldoen aan de verplichting om stukken over te leggen is het op grond van artikel 8:31 van de Awb aan de rechter om daaruit de gevolgtrekkingen te maken die hem geraden voorkomen. Dit voorschrift staat toe dat de rechter onder omstandigheden de gevolgtrekking maakt dat voorbijgegaan moet worden aan dit verzuim (zie het arrest van de HR van 14 november 2014, nr. 12/05832, ECLI:NL:HR:2014:3041, BNB 2015/46).

11.4.

Eiseres heeft verweerder gevraagd om inzage in stukken van de coördinatiegroep. Deze stukken heeft verweerder ter zitting overgelegd, zodat verweerder voor deze stukken heeft voldaan aan zijn verplichting van artikel 8:42 van de Awb.

Verder stelt eiseres dat verweerder beschikt over al dan niet nog geldige vergunningen bijzondere bestemmingen van onbenoemde vergunninghouders die wellicht zijn afgegeven voor andere hoeveelheden en over andere tijdvakken dan de vergunning die aan eiseres is verstrekt. Het gaat volgens eiseres dan vooral over vergunningen die niet tot bezwaar- en beroepsprocedures hebben geleid. De rechtbank acht deze beschrijving te algemeen om te kunnen spreken van stukken van het geding in de zin van artikel 8:42 van de Awb.

11.5.

De rechtbank stelt vast dat de aanvraag voor de vergunning zich niet in het dossier bevindt. Dit betreft een op de zaak betrekking hebbend stuk in de zin van artikel 8:42 van de Awb en moet door verweerder worden ingediend. Verweerder heeft verzuimd dit stuk te overleggen en heeft desgevraagd verklaard niet meer over dit stuk te beschikken. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:31 van de Awb voorbijgaan aan dit verzuim omdat de rechtbank zich, gelet op de overige tussen partijen gewisselde stukken en hetgeen ter zitting is besproken, voldoende voorgelicht acht om over het geschil te oordelen.

Schending voorwaarden vergunning

12. In de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015 gold op grond van Verordening (EU) nr. 1220/2012 een contingent voor Alaska koolvis van GN-code 0304 7500, bestemd om te worden verwerkt, met een jaarlijks volume van 350.000 ton. Tevens gold een contingent voor kabeljauw van GN-code 0304 7190, bestemd om te worden verwerkt, met een jaarlijks volume van 30.000 ton. De rechten bij invoer voor deze koolvis en kabeljauw werden in deze periode geschorst. In de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018 gold op grond van Verordening (EU) nr. 2015/2265 een contingent voor Alaska koolvis van GN-code 0304 7500, bestemd om te worden verwerkt, met een jaarlijks volume van 300.000 ton. Tevens gold een contingent voor kabeljauw van GN-code 0304 7190, bestemd om te worden verwerkt, met een jaarlijks volume van 38.000 ton. De rechten bij invoer voor deze koolvis en kabeljauw werden in deze periode geschorst.

In voetnoot 2 bij de beschrijvingen van de goederen waarop de contingenten van toepassing zijn, is bepaald dat het contingent afhankelijk is van de in de artikelen 291 tot en met 300 van de UCDW bepaalde voorwaarden. Dit betreft de voorwaarden voor het toepassen van een nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van goederen. Dergelijke goederen bevinden zich op grond van artikel 82 van het CDW in het vrije verkeer onder douanetoezicht totdat zij hun bestemming hebben gevolgd. Artikel 292 van de UCDW bepaalt vervolgens, dat de toekenning van het nulrecht afhankelijk is van een schriftelijke vergunning. Deze vergunning wordt afgegeven overeenkomstig het model in bijlage 67 bij de UCDW. Volgens dat model worden van de goederen die onder de douaneregeling in het vrije verkeer brengen met een bijzondere bestemming mogen worden geplaatst, de GN-code, de omschrijving, de hoeveelheid en de waarde in de vergunning opgenomen.

13. Uit bovenstaande bepalingen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat slechts voor de hoeveelheden koolvis en kabeljauw waarvoor een vergunning bijzondere bestemmingen is afgegeven de rechten bij invoer kunnen worden geschorst in het kader van eerdergenoemde contingenten. De stelling van eiseres dat de hoeveelheden vis die onder de vergunning kunnen worden verwerkt slechts worden beperkt door de actuele ruimte binnen de tariefcontingenten, kan niet worden aanvaard. Het afhankelijk maken van een contingent zou het wettelijk voorgeschreven vergunningensysteem immers betekenisloos maken en bovendien een nuttige werking ervan te zeer beperken. Uit de toepasselijke wetgeving is niet af te leiden dat een dergelijke beperking, als door eiseres voorgestaan, is beoogd. De rechtbank volgt ook niet de stelling van verweerder dat de overschrijding van de vergunning moet worden vastgesteld aan de hand van de waarde van de vis, aangezien een vergunning noodzakelijk is in het kader van (de beheersing van en het toezicht op) contingenten en de onderhavige contingenten zijn opengesteld voor tevoren vastgestelde hoeveelheden en niet voor waardes. Uit de toelichting van verweerder dat de zekerheid wordt berekend over de waarde volgt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat de waarde maatgevend wordt voor de omvang van de vergunning. De rechtbank zal uitgaan van overschrijdingen van de hoeveelheid.

14. Uit voorgaande volgt dat voor het bepalen of sprake is van een schending van de voorwaarden van de vergunning doorslaggevend is of de hoeveelheid, die eiseres met gebruikmaking van haar vergunning mocht invoeren, is overschreden. Niet in geschil is dat eiseres in de desbetreffende jaren op grond van de aan haar verleende vergunning jaarlijks [#] kg Alaska koolvis en [#] kg kabeljauwfilet onder de regeling bijzondere bestemming mocht invoeren. De rechtbank stelt vast dat eiseres ten aanzien van de kabeljauwfilet de voorwaarden van haar vergunning niet heeft overschreden, nu vaststaat dat de hoeveelheid die zij in jaar 3 met toepassing van de vergunning bijzondere bestemmingen heeft ingevoerd (bijlage 5 bij het controlerapport) lager is dan de in de vergunning vermelde jaarlijks toegestane hoeveelheid van [#] kg kabeljauwfilet .

De rechtbank leidt uit het controlerapport en de daarbij behorende bijlagen evenwel af dat eiseres in de desbetreffende jaren steeds de vergunde hoeveelheden Alaska koolvis heeft overschreden. De hoogte van de jaarlijkse overschrijdingen is niet in geschil. Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat eiseres de voorwaarden van de vergunning heeft geschonden voor wat betreft de met toepassing van de regeling bijzondere bestemmingen ingevoerde Alaska koolvis . De rechtbank zal hierna ingaan op de gevolgen van deze vaststelling.

Grondslag douaneschuld

15. Uit bovenstaande volgt dat eiseres jaarlijks de hoeveelheden Alaska koolvis zoals opgenomen in haar vergunning heeft overschreden. Voor deze overschrijdingen is naar het oordeel van de rechtbank een douaneschuld ontstaan op grond van artikel 204, eerste lid, aanhef en onder b, van het CDW respectievelijk artikel 79, eerste lid, onder c, van het DWU, omdat de voorwaarden voor de toekenning van een nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van de goederen niet in acht zijn genomen. Voor de toekenning van het nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van de goederen had eiseres immers over een - toereikende - vergunning moeten beschikken. Nu dit niet het geval is, heeft eiseres deze hoeveelheden derhalve ten onrechte onder de vergunning bijzondere bestemming in het vrije verkeer gebracht. Daarmee is voldaan aan het bepaalde in artikel 204 CDW respectievelijk artikel 79, eerste lid, onder c, van het DWU. De stelling van eiseres dat de douaneschuld is ontstaan op grond van artikel 201 van het CDW berust op een onjuiste interpretatie van artikel 204 van het CDW (vgl. Gerechtshof Amsterdam, 11 februari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:980, r.o. 5.4). Hetzelfde geldt voor de douaneschuld die vanaf 1 mei 2016 is ontstaan op grond van artikel 79, eerste lid, aanhef en onder c, van het DWU en niet op grond van artikel 77 van het DWU.

Toepassing van artikel 212bis van het CDW

16. Op grond van artikel 212bis, in samenhang met artikel 21 van het CDW, wordt onder omstandigheden een schorsing van rechten bij invoer ook toegepast wanneer voor de betrokken goederen een douaneschuld ontstaat overeenkomstig artikel 204 van het CDW. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat artikel 212bis van het CDW in het onderhavige geval toepassing mist. Een van de voorwaarden is immers dat ‘aan de overige voorwaarden voor de toekenning van de gunstige tariefbehandeling of de vrijstelling is voldaan’. Voor de onderhavige hoeveelheden vis was de vergunning van eiseres echter steeds niet toereikend. De toepassing van de vastgestelde contingenten is afhankelijk gesteld van de in de artikelen 291 tot en met 300 van de UCDW bepaalde voorwaarden, waaronder het hebben van een schriftelijke vergunning ‘bijzondere bestemmingen’. Toepassing van artikel 212bis van het CDW in een geval als het onderhavige waarin eiseres niet heeft voldaan aan de voorwaarde van het hebben van een vergunning, zou er op neerkomen dat het afhankelijk stellen van de contingenten van schriftelijke vergunningen iedere nuttige betekenis verliest (vgl. Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) 29 juli 2010, Isaac International Ltd, C-371/09, r.o. 41 en 42).

Toepassing van artikel 220, tweede lid, onder b, van het CDW

17. Voor het deel van de douaneschuld dat is ontstaan vóór 1 mei 2016 stelt eiseres dat de boeking achteraf achterwege had moeten blijven vanwege een vergissing van de douaneautoriteiten in de zin van artikel 220, tweede lid, onder b, van het CDW. Ten aanzien van de onderhavige vergunning heeft eiseres geen actieve gedraging van verweerder gesteld. Ook heeft zij geen eerdere gedragingen van verweerder jegens eiseres gesteld, die haar in een verkeerde veronderstelling kunnen hebben gebracht. Algemene stellingen over het vermeende gedogen van overschrijdingen door andere vergunninghouders in hetzelfde of in andere douaneregio’s zijn hiertoe onvoldoende. Bovendien is niet gebleken dat eiseres zich hierdoor heeft laten leiden bij de uitvoering en toepassing van de regeling. Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat sprake is van een dergelijke vergissing.

Verzuim zonder werkelijke gevolgen

18. Eiseres stelt dat de douaneschuld teniet is gegaan omdat het verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven in de zin van artikel 124, eerste lid, aanhef en onder h, van het DWU. Vormen van verzuim zonder werkelijke gevolgen zijn op grond van artikel 126 van het DWU opgenomen in artikel 103 van de GVo. Artikel 103 van de GVo noemt niet een situatie als de onderhavige, zodat geen sprake kan zijn van een verzuim zonder werkelijke gevolgen in de zin van artikel 124 van het DWU. Een situatie als de onderhavige wordt ook niet genoemd in de limitatieve opsomming van artikel 859 van het TCDW, zodat voor zover de douaneschuld is ontstaan vóór 1 mei 2016 geen sprake kan zijn van een verzuim zonder werkelijke gevolgen in de zin van artikel 204 van het CDW (vgl. HvJ 11 november 1999, nr. C-48/98, Söhl & Söhlke). Deze grief faalt derhalve.

Schending van het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur

19. Volgens de vaste jurisprudentie van het HvJ moet de eerbiediging van de algemene Unierechtelijke rechtsbeginselen worden verzekerd (vgl. HvJ 18 december 2008, nr. C-349/07, Sopropé, r.o. 33, HvJ 6 maart 2001, nr. C274/99 P. Connolly/Commissie, r.o. 37 en HvJ 8 oktober 2020, nr. C-330/19, Exter B.V., r.o. 24). Met al hetgeen eiseres hierover naar voren heeft gebracht, heeft zij echter niet aannemelijk gemaakt dat verweerder het Unierechtelijke gelijkheidsbeginsel of een daarvan te onderscheiden Unierechtelijk verbod van willekeur heeft geschonden.

Controle vergunningen

20. Voor wat betreft het argument van eiseres dat verweerder niet zonder te waarschuwen had mogen overgaan tot het strenger controleren van vergunningen, wijst de rechtbank erop dat het de verantwoordelijkheid van eiseres is om zich aan de voorwaarden van haar vergunningen te houden, ongeacht de mate van controle door verweerder. Dat vergunninghouders zich strikt dienen te houden aan de voorwaarden van hun vergunningen heeft het HvJ benadrukt in zijn arresten van 6 september 2012, nrs. C-262/10, Döhler Neukirchen GmbH, r.o. 40 en C-28/11, Eurogate Distribution GmbH, ro 31, 32.

Conclusie

21.1

Uit al het hiervoor overwogene volgt dat ten aanzien van de door eiseres ingevoerde hoeveelheid Alaska koolvis waarvoor eiseres niet beschikte over een vergunning bijzondere bestemming een douaneschuld is ontstaan, zodat verweerder daarvoor in beginsel terecht een utb heeft uitgereikt. Bij de vaststelling van de douaneschuld heeft verweerder, blijkens het controlerapport, berekend dat een overschrijding van de in de vergunning genoemde waardes leidt tot een (totale) douaneschuld van € [$] . Vast is komen te staan dat een berekening van de douaneschuld op basis van de overschreden hoeveelheden leidt tot een lagere totale douaneschuld. De rechtbank leidt hieruit af dat de utb tot een te hoog bedrag is vastgesteld, zodat deze in ieder geval verlaagd dient te worden tot het bedrag aan douaneschuld op basis van overschrijdingen van de hoeveelheden. De rechtbank zal verweerder opdragen het verschuldigde bedrag aan douanerechten ten aanzien van de Alaska koolvis opnieuw vast te stellen met inachtneming van het bepaalde in deze uitspraak en de utb dienovereenkomstig te verminderen.

21.2.

Op grond van het onder 14 hiervoor overwogene stelt de rechtbank vast dat voor de met de vergunning bijzondere bestemming ingevoerde kabeljauwfilet geen douaneschuld is ontstaan. De utb dient derhalve te worden verminderd met het als gevolg daarvan geboekte bedrag aan douanerechten van € [$] .

Rente op achterstallen.

22. In de utb heeft verweerder vanaf 1 mei 2016 rente op achterstallen in de zin van artikel 114, tweede lid, van het DWU berekend, ook over de douaneschulden die vóór 1 mei 2016 zijn ontstaan. Het vóór 1 mei 2016 geldende recht op grond van het CDW kende geen rente op achterstallen. De rechtbank is van oordeel dat rente op achterstallen in de zin van artikel 114, tweede lid, van het DWU uitsluitend kan worden berekend over douaneschulden die onder het DWU, dat wil zeggen vanaf 1 mei 2016, zijn ontstaan en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank kwalificeert de verschuldigdheid van rente op achterstallen over een douaneschuld als een materiële bepaling, omdat hiermee een aan de douaneschuld gekoppelde betalingsverplichting ontstaat. Volgens de rechtspraak van het HvJ gelden procedureregels voor alle bij de inwerkingtreding ervan aanhangige geschillen, in tegenstelling tot materiële regels, die doorgaans worden geacht niet te gelden met betrekking tot vóór de inwerkingtreding ervan verworven rechtsposities (HvJ 23 februari 2006, nr. C-201/04, Molenbergnatie N.V., r.o. 31). Daarbij komt dat artikel 114, tweede lid, van het DWU, verwijst naar - voor zover hier relevant - douaneschulden die zijn ontstaan op basis van artikel 79 van het DWU. Deze verwijzing kan niet worden gelezen als een verwijzing naar artikel 204 van het CDW, reeds omdat belastbare feiten bij uitstek materiële regels zijn die niet in elkaars plaats kunnen worden gelezen. In zoverre is het beroep van eiseres gegrond.

23. Gelet op het onder 21 overwogene dient de utb te worden verminderd voor zover deze ziet op rente op achterstallen over de douaneschuld die is ontstaan vóór 1 mei 2016. Daarnaast dient het bedrag van de rente op achterstallen in de utb te worden verminderd als gevolg van de vermindering van het bedrag aan verschuldigde douanerechten zoals hiervoor onder 21 is overwogen en voor zover dit ziet op de herberekening van de verschuldigde douanerechten ten aanzien van de Alaska koolvis en de kabeljauwfilet .

Beroep op artikel 239 van het CDW en de artikelen 119 en 120 van het DWU

24. Eiseres stelt dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 239 van het CDW (voor zover de douaneschuld is ontstaan vóór 1 mei 2016) en voor zover de douaneschuld is ontstaan vanaf 1 mei 2016, een vergissing in de zin van artikel 119 van het DWU dan wel bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 120 van het DWU.

25. Gronden voor terugbetaling of kwijtschelding worden getoetst aan de hand van een verzoek dat daartoe wordt ingediend en vervolgens wordt behandeld volgens de procedure van artikel 121 van het DWU. Deze gronden kunnen niet worden getoetst in een beroepsprocedure als de onderhavige, die is gestart met een bezwaar tegen een utb (zie rechtbank Noord-Holland 10 februari 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:722, r.o. 24 tot en met 26). Voor een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding staat voor eiseres de procedure van artikel 121 van het DWU open.

Slotsom

26. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard. De rechtbank zal verweerder opdragen de utb te verminderen voor wat betreft de in overweging 21 genoemde rechten bij invoer en de in overweging 23 genoemde rente op achterstallen.

Vergoeding van immateriële schade

27. Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen zaken moeten worden behandeld.

28. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie HR 19 februari 2016, 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252) kan in belastingzaken aanspraak bestaan op schadevergoeding met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 (oud) van de Awb, indien het belastinggeschil niet binnen een redelijke termijn wordt beslecht. De redelijke termijn is overschreden als na indiening van het bezwaar meer dan twee jaren zijn verstreken voordat op dat bezwaar en, indien vervolgens beroep is ingesteld, op dat beroep is beslist. Er kunnen zich bijzondere omstandigheden voordoen die aanleiding geven tot verkorting of verlenging van die termijnen. Als de bezwaar- en beroepsfase samen te lang hebben geduurd, vindt de toerekening als volgt plaats. De bezwaarfase heeft onredelijk lang geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een bedrag van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

29. Op grond van voornoemd arrest vangt de redelijke termijn aan met het indienen van het bezwaarschrift. De redelijke termijn is aangevangen op 19 mei 2017 en eindigt met de datum van de uitspraak van de rechtbank (1 april 2021). Dat is een tijdsverloop van afgerond 47 maanden. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van de redelijke termijn rechtvaardigen. In de bezwaarfase is door eiseres en verweerder wel gesproken over, maar niet overgegaan tot, opschorting van de behandeling van het bezwaar. De redelijke termijn is derhalve met 23 maanden overschreden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 2.000. Nu de uitspraak op bezwaar dateert van 28 november 2017 is de redelijke termijn voor de bezwaarprocedure overschreden met afgerond 1 maand. De redelijke termijn voor de beroepsprocedure is overschreden met afgerond 22 maanden. Verweerder zal worden veroordeeld tot betaling van € 87 (1/23 x € 2.000), de Minister van Justitie en Veiligheid zal worden veroordeeld tot betaling van € 1.913 (22/23 x € 2.000).

Proceskosten

30. De rechtbank ziet aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Eiseres heeft verzocht om een integrale proceskostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase.

31. Eiseres doet voor de berekening van de proceskostenvergoeding een beroep op artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Dit artikellid ziet, blijkens de wetgevingsgeschiedenis (TK 1999-2000, 27024, nr. 3, blz. 7.), op uitzonderlijke, schrijnende gevallen, waarbij strikte toepassing van het Besluit evident onrechtvaardig zou zijn. Voor toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit is grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een (de) daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (HR 13 april 2007, nr. 41.235, ECLI:NL:HR: 2007: BA2802 en herhaald in HR 6 februari 2009, 08/01915, ECLI:NL:HR:2009:BH1928) dan wel (HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975), indien verweerder in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat geen van de hiervoor in de arresten omschreven situaties zich voordoet.

32. Gelet hierop stelt de rechtbank de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.598 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het hoorgesprek met een waarde per punt van € 265, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de utb overeenkomstig het onder 21 overwogene en draagt verweerder op het bedrag aan douanerechten met inachtneming daarvan te herrekenen;

- vermindert de utb overeenkomstig het onder 23 overwogene voor wat betreft de rente op achterstallen en draagt verweerder op het bedrag aan rente op achterstallen met inachtneming daarvan te herrekenen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.598;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eiseres geleden immateriële schade tot een bedrag van € 87;

- veroordeelt de Minister tot vergoeding van de door eiseres geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.913;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Kleefmann, voorzitter, mr. M.C.A. Onderwater en mr. W.M.C. Schipper, leden, in aanwezigheid van mr. S. Plesman-Jalink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2021.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.