Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:2808

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-03-2021
Datum publicatie
03-05-2021
Zaaknummer
7998788 CV EXPL 19-12737
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Opzegging overeenkomst aanneming van werk. Vergoeding ex artikel 7:764 lid 2 BW, besparingen komen in mindering op aanneemsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 7998788 CV EXPL 19-12737

Uitspraakdatum: 31 maart 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser] , h.o.d.n. [handelsnaam]

wonende te [woonplaats]

eiser in conventie

verweerder in reconventie

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. O.J. Boeder

tegen

1 [gedaagde sub 1]

2. [gedaagde sub 2]

beiden wonende te [woonplaats]

gedaagden in conventie

eisers in reconventie

verder te noemen: [gedaagde sub 1] c.s.

gemachtigde: mr. M. Stokvis

Gedaagden zullen afzonderlijk worden aangeduid als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie

- de conclusie van repliek in conventie benevens conclusie van antwoord in reconventie

- de conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie, tevens akte wijziging eis in reconventie

- de akte uitlating producties conventie benevens conclusie van dupliek in reconventie benevens antwoord akte in verband met wijziging eis in reconventie

- de akte uitlating productie in reconventie van de zijde van [gedaagde sub 1] c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft een aannemingsbedrijf. [gedaagde sub 1] c.s. zijn particulieren die [eiser] hebben benaderd voor het verrichten van verbouwingswerkzaamheden aan hun woning.

2.2.

Op 27 juli 2018 hebben [gedaagde sub 1] c.s. met alle bij de verbouwing betrokken partijen, waaronder ook [eiser] , de woning opgenomen en aan de hand van een verbouwplan hun wensen besproken.

2.3.

Op 6 augustus 2018 is tussen partijen een aannemingsovereenkomst tot stand gekomen op grond waarvan [eiser] diverse werkzaamheden zou verrichten, waaronder – maar niet uitsluitend – stuc-, gevel- en keukenwerkzaamheden. Verder diende [eiser] onder meer kozijnen, deuren en plinten te leveren en aan te brengen voor een totale aanneemsom van € 20.977,30 inclusief btw (hierna: de overeenkomst).

2.4.

Op 29 augustus 2018 heeft [eiser] de eerste termijn van de werkzaamheden gefactureerd. Deze factuur is door [gedaagde sub 1] c.s. betaald.

2.5.

Gedurende de uitvoering van de werkzaamheden zijn via WhatsApp meerwerkopdrachten verstrekt aan [eiser] voor het egaliseren van de vloeren op de begane grond en de eerste verdieping, het verhelpen van houtrot in de kozijnen van de dakkoepel en het leveren en monteren van nieuwe garagedeuren en eenzelfde deur aan de voorzijde van het huis ten behoeve van een fietsenhok.

2.6.

Bij factuur van 20 september 2018 is de eerste termijn voor het egaliseren van de vloeren in rekening gebracht. Deze factuur is eveneens door [gedaagde sub 1] c.s. betaald.

2.7.

[gedaagde sub 1] c.s. hebben in WhatsApp een groeps-chat aangemaakt om de communicatie tussen alle bij de verbouwing betrokken personen en bedrijven makkelijker te maken. Ook [eiser] maakte deel uit van deze groeps-chat. Bij WhatsApp bericht van 10 oktober 2018 heeft [gedaagde sub 1] in deze groeps-chat gewezen op de vertraging die is ontstaan in de uitvoering van de werkzaamheden met het volgende bericht:

‘We zijn ontevreden over zowel de voortgang en de kwaliteit van het werk. Ik stel voor: morgen spoedoverleg op de [adres] . Laten we 16:00 uur afspreken.’

2.8.

Op 16 oktober 2018 heeft [gedaagde sub 2] het volgende bericht in de groeps-chat geplaatst:

(…) Voor een goed overzicht van welke werkzaamheden er nog verricht moeten worden som ik deze hierbij op. Graag aanvullen als ik iets vergeten ben:

  1. Kozijnen achter + voor (gepland in week van 5 november)

  2. Laatste stuk keralit (gepland in de week van 5 november)

  3. Plinten (gepland in de week van 5 november)

  4. Deuren en deurbeslag boven (gepland op 25 oktober)

  5. Deuren en deurbeslag beneden (gepland op 3 november)

  6. Houtrot (voor november)

  7. Aanzetten vloer bij nieuwe kozijnen (voor 22 oktober)

  8. Pamelle met duveltje voor toiletdeur (voor 1 november)

  9. Internet contacten – graag ontvang ik wat ik daarvan moet halen in een link of screenshot (voor 1 november)

  10. Dichtmaken vloer / keuken (voor 23 oktober)

  11. Drempel voordeur (zo spoedig mogelijk en in overleg met [naam] de vloerenlegger)’

2.9.

[eiser] reageert op dit bericht van [gedaagde sub 2] als volgt:

‘Hoi [gedaagde sub 2]

Als de kozijnen op tijd zijn klopt het hele verhaal

Op houtrot na dit is deze week al klaar drempel bij voordeur kunnen we pas doen als vloer legt’

2.10.

Op 1 november 2018 hebben [eiser] en [gedaagde sub 1] c.s. de volgende WhatsApp berichten gestuurd:

[gedaagde sub 2] : ‘ [eiser] , de plinten zijn ook niet helemaal goed geplaatst en daar komen we nog op terug. Mijn grootste zorg op dit moment: kan je echt de openslaande deuren plaatsen zonder fouten en problemen? Ga je ze plaatsen en zijn we dan klaar of moet iemand (weer) constateren dat het niet goed is. Vandaag is in principe de opleverdatum. We moeten nu wachten tot de 14e voor de openslaande deuren en kozijnen. Kun je mij toezeggen dat dat probleemloos gaat verlopen?’

[eiser] : Ja dit is al opgelost volgende week komen de kozijnen en wat is er niet goed aan de plinten?

[gedaagde sub 2] : ‘ [eiser] : je behandelt ons super slecht. Je luistert niet. ontkent alles. Qua werkzaamheden wordt er niet gecommuniceerd, moeten we steeds aangeven dat het niet goed gaat. Krijgen we van alle andere partijen facturen met meerwerk omdat jullie dingen verzaakt hebben. Moet [gedaagde sub 1] in maatpak met dingen sjouwen omdat jullie dat nalaten. We hebben voor 400 euro machines moeten huren en vervolgens nog kachels moeten kopen. Nu jij ook nog eens de hoorn ophangt is het wel klaar. We zullen een andere aannemer inschakelen.’

2.11.

In reactie op deze berichten heeft [eiser] diezelfde dag gereageerd met: ‘hier ga ik niet mee akkoord’.

2.12.

Partijen zijn vervolgens in overleg getreden over de samenwerking. Bij e-mail van 16 november 2018 heeft [eiser] in een daarbij gevoegde brief laten weten bereid te zijn mee te werken met een schikking. Daarbij heeft hij benadrukt nog steeds graag zelf de volledige werkzaamheden te willen verrichten. [eiser] heeft een herberekening bijgevoegd waaruit volgt dat [gedaagde sub 1] c.s. nog een bedrag van € 26.483,87 inclusief btw moeten voldoen.

2.13.

Op 2 december 2018 heeft [eiser] in het kader van een minnelijke regeling een factuur aan [gedaagde sub 1] c.s. gestuurd voor een bedrag van € 13.019,60 exclusief btw. [gedaagde sub 1] c.s. hebben verzocht om een aangepaste factuur, omdat dit niet overeenkwam met hun eerdere schikkingsvoorstel dat inclusief btw was. [eiser] heeft dit geweigerd en is overgegaan tot het opstellen van de eindafrekening.

2.14.

Op 18 december 2018 heeft [eiser] een eindfactuur aan [gedaagde sub 1] c.s. gestuurd, waarbij het restant van de overeenkomst én het restant van het meerwerk in rekening is gebracht. Het totaalbedrag van deze factuur inclusief btw bedraagt € 30.328,32. Deze eindfactuur is onbetaald gebleven.

2.15.

[gedaagde sub 1] c.s. hebben op 23 mei 2019 een bedrag van € 10.841,60 aan de gemachtigde van [eiser] betaald met als betaalomschrijving ‘betaling onder protest – dossier [nummer] ’.

2.16.

De resterende werkzaamheden die door [eiser] verricht zouden worden, zijn door derden uitgevoerd.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 20.911,30, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding en met veroordeling van [gedaagde sub 1] c.s. in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde sub 1] c.s. tekort zijn geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, omdat de eindfactuur niet volledig is betaald.

4 Het verweer en de tegenvordering

4.1.

[gedaagde sub 1] c.s. betwisten de vordering. Zij voeren aan – samengevat – dat [eiser] de werkzaamheden niet tijdig en deugdelijk heeft opgeleverd. Nu [eiser] de overeengekomen datum van oplevering van 1 november 2018 niet heeft gehaald, verkeert hij vanaf die datum in verzuim. [eiser] is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen tegenover [gedaagde sub 1] c.s. Daarnaast zijn de verrichte werkzaamheden veelal niet naar de eisen van goed en deugdelijk werk uitgevoerd.

4.2.

[gedaagde sub 1] c.s. vorderen – na wijziging eis ten aanzien van de vordering onder III – bij wijze van tegenvordering, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

I. te verklaren voor recht dat tussen partijen in november 2018 ter fine van het geschil een bindende overeenkomst tot stand is gekomen, inhoudende ontbinding van de overeenkomst en meerwerkopdrachten met wederzijds goedvinden, en betaling door [gedaagde sub 1] c.s. aan [eiser] van € 13.019,60 inclusief btw;

subsidiair

II. de overeenkomst te ontbinden voor zover het gaat om nog niet uitgevoerde werkzaamheden en geleverde zaken, te weten het leveren en plaatsen van de deuren/kozijnen in de woonkamer en het vervangen van de eterniet schoten (keralit) en de meerwerkopdrachten tot het leveren en plaatsen van de deuren/kozijnen ten behoeve van de garage en het fietsenhok;

III. [eiser] te veroordelen tot betaling van € 14.038,38, zijnde de herstelkosten van de plinten conform de offerte van Prévoo Totaalonderhoud d.d. 14 augustus 2020, althans [eiser] te veroordelen om aan [gedaagde sub 1] c.s. de kosten van het verwijderen en opnieuw aanbrengen van de plinten op de begane vloer en de eerste etage en van het herstel van het vliesbehang en de muren indien deze als gevolg van het verwijderen van de plinten worden beschadigd en hersteld dienen te worden, op eerste vertoon van de factuur van de onderneming die deze werkzaamheden heeft uitgevoerd, aan [gedaagde sub 1] c.s. te vergoeden;

IV. [eiser] te veroordelen om aan [gedaagde sub 1] c.s. te betalen € 899,64 ter zake van de factuur van [naam] en € 447,15 ter zake van onverschuldigde betaling van [gedaagde sub 1] c.s. aan [eiser] ;

Tot slot vorderen [gedaagde sub 1] c.s. [eiser] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van het vonnis tot de dag van volledige betaling.

4.3.

[gedaagde sub 1] c.s. leggen aan hun vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat partijen wilsovereenstemming hebben bereikt ten aanzien van de beëindiging van de overeenkomst en de financiële gevolgen daarvan. Voor zover de kantonrechter meent dat de overeenkomst niet met wederzijds goedvinden is beëindigd, vorderen zij ontbinding van de overeenkomst, omdat [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen en geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid tot herstel. Ten titel van schadevergoeding vorderen [gedaagde sub 1] c.s. vergoeding van de herstelkosten. Nu [gedaagde sub 1] c.s. € 447,15 aan [eiser] teveel hebben betaald vorderen zij dit bedrag als onverschuldigd betaald van [eiser] terug.

4.4.

[eiser] voert verweer tegen de tegenvordering.

5 De beoordeling

5.1.

[gedaagde sub 1] c.s. hebben hun eis vermeerderd bij conclusie van repliek in reconventie. [eiser] heeft daar bezwaar tegen gemaakt omdat volgens hem sprake is van strijd met de goede procesorde. De kantonrechter verwerpt dit bezwaar en laat de eiswijziging toe. [eiser] is in de gelegenheid geweest op de eiswijziging te reageren in zijn conclusie van dupliek in reconventie en daarom valt niet in te zien dat sprake is van strijd met de goede procesorde.

5.2.

De vordering en de tegenvordering lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Bindende overeenkomst?

5.3.

[gedaagde sub 1] c.s. stellen dat in november 2018 overeenstemming is bereikt over de beëindiging van de overeenkomst met wederzijds goedvinden en de financiële gevolgen daarvan. In reactie op de herberekening van [eiser] (r.o. 2.12) hebben [gedaagde sub 1] c.s. bij brief van 23 november 2018 een tegenvoorstel gedaan dat door [eiser] is aanvaard. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. heeft [eiser] ook daadwerkelijk uitvoering gegeven aan de in november 2018 tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben [gedaagde sub 1] c.s. daarvoor een e-mail van 2 december 2018 van [eiser] overgelegd met bijgesloten een factuur voor een bedrag van € 13.019,60 exclusief btw, respectievelijk € 15.753,71 inclusief btw (r.o. 2.13). Hieruit kan volgens [gedaagde sub 1] c.s. slechts de conclusie worden getrokken dat [eiser] het voorstel heeft aanvaard. [eiser] betwist dat sprake is van beëindiging van de overeenkomst met wederzijds goedvinden en voert aan dat de factuur op 2 december 2018 is verstuurd in het kader van een schikkingsaanbod bij wijze van tegenvoorstel. Bij gebreke van een tijdige betaling van deze factuur door [gedaagde sub 1] c.s. is zijn aanbod daarmee komen te vervallen. De primaire tegenvordering moet volgens [eiser] dan ook worden afgewezen.

5.4.

De kantonrechter overweegt als volgt. Als uitgangspunt geldt dat een overeenkomst tot stand komt door aanbod en de aanvaarding daarvan. Of hiervan sprake is dient te worden beoordeeld aan de hand van de artikelen 3:33 en 3:35 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Van belang is hetgeen partijen hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen.

5.5.

Aangezien [gedaagde sub 1] c.s. zich beroepen op de rechtsgevolgen van het bestaan van een bindende overeenkomst ter beëindiging van het geschil, rusten op [gedaagde sub 1] c.s. ex artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) de stelplicht en, zo nodig, de bewijslast, dat partijen een minnelijke regeling hebben getroffen. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [eiser] had het op de weg van [gedaagde sub 1] c.s. gelegen om voldoende concrete feiten en omstandigheden aan te dragen waaruit volgt dat er wilsovereenstemming bestond over de financiële afwikkeling van de onderhavige kwestie. [gedaagde sub 1] c.s. hebben echter in dat verband onvoldoende gesteld. Vanaf 16 november 2018 (r.o. 2.12) hebben partijen overlegd over een regeling. Naar aanleiding van het aanbod van [eiser] om de zaak af te doen tegen betaling van € 26.438,87 inclusief btw hebben [gedaagde sub 1] c.s. bij brief van 23 november 2018, verstuurd per e-mail van die dag met als onderwerp “Onze reactie op je e-mail van 16 november”, gereageerd met een gemotiveerd tegenbod van € 13.019,60. Daarbij zijn in de berekening die [gedaagde sub 1] c.s. daaraan ten grondslag hebben gelegd de bedragen expliciet vermeld inclusief btw. De kantonrechter gaat voorbij aan het verweer van [eiser] dat hij de e-mail met als bijlage de brief van [gedaagde sub 1] c.s. van 23 november 2018 niet heeft ontvangen. Uit het onderwerp van de door [eiser] op 2 december 2018 aan [gedaagde sub 1] c.s. verstuurde e-mail volgt namelijk dat zijn e-mail een reactie is op voornoemde e-mail van [gedaagde sub 1] c.s. van 23 november 2018 te weten: “Onderwerp: Re: Onze reactie op je e-mail van 16 november”. Bovendien heeft [eiser] in zijn factuur van 2 december 2019 exact het bedrag opgenomen zoals door [gedaagde sub 1] c.s. in hun brief van 23 november 2018 staat vermeld, waarbij [eiser] over dit bedrag nog btw heeft berekend.

5.6.

Volgens [gedaagde sub 1] c.s. heeft [eiser] in de factuur van 2 december 2018 een onjuist bedrag opgenomen, omdat het door hen voorgestelde schikkingsbedrag inclusief btw was maar blijkt uit het feit dat [eiser] in die factuur is uitgegaan van het door hen genoemde bedrag wel dat sprake was van overeenstemming. Er kan echter pas wilsovereenstemming worden aangenomen als er sprake is van een gedraging of verklaring van [eiser] waaruit zijn wil blijkt tot het sluiten van een overeenkomst conform het aanbod van [gedaagde sub 1] c.s. of wanneer zij redelijkerwijs mochten begrijpen dat [eiser] dat wilde. Juist omdat het door [eiser] opgenomen bedrag in de factuur van 2 december 2018 gebaseerd is op het voorstel van [gedaagde sub 1] c.s. maar dan nog vermeerderd met btw, kan dit echter niet anders worden opgevat dan als een nieuw tegenbod. Deze factuur kan dan ook niet worden gezien als verklaring of gedraging waaruit de wil van [eiser] blijkt tot het sluiten van een overeenkomst conform het voorstel van [gedaagde sub 1] c.s. Andere aanknopingspunten daarvoor ontbreken. Bovendien volgt uit de brief van [gedaagde sub 1] c.s. van 23 november 2018 dat hun voorstel bij het uitblijven van een reactie voor 30 november 2018 zou vervallen. Nu [eiser] pas bij e-mail van 2 december 2018 heeft gereageerd kan ook daarom niet worden geconcludeerd dat partijen een minnelijke regeling zijn overeengekomen.

5.7.

Op grond van het voorgaande geldt dat het bestaan van een bindende overeenkomst niet is komen vast te staan, zodat de primaire vordering in reconventie zal worden afgewezen.

Ontbinding

5.8.

Ingevolge artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding en haar gevolgen niet rechtvaardigt. Daarbij geldt op grond van artikel 6:265 lid 2 BW dat, voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, de bevoegdheid tot ontbinding pas ontstaat, wanneer de schuldenaar in verzuim is. Is voor de nakoming geen termijn bepaald, dan treedt volgens artikel 6:82 lid 1 BW het verzuim in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarin hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft. De functie van de ingebrekestelling is om de schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven en aldus te bepalen tot welk tijdstip nakoming nog mogelijk is zonder dat van een tekortkoming sprake is, bij gebreke van welke nakoming de schuldenaar vanaf dat tijdstip in verzuim is. De lengte van de termijn voor nakoming die aan de schuldenaar moet worden gegeven hangt van de omstandigheden af. Op grond van artikel 6:82 lid 2 BW kan, indien de schuldenaar tijdelijk niet kan nakomen of uit zijn houding blijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn, de ingebrekestelling plaatsvinden door een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat hij voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld. Verzuim kan ook zonder ingebrekestelling intreden. Artikel 6:83 BW noemt drie gevallen waarin het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt, maar dit is geen limitatieve opsomming.

5.9.

Tussen partijen is in geschil of 1 november 2018 is overeengekomen als uiterste opleverdatum en daarmee heeft te gelden als een fatale termijn in de zin van artikel 6:83 BW. [gedaagde sub 1] c.s. stellen dat 1 november 2018 een fatale termijn was. [eiser] betwist dat het werk uiterlijk 1 november 2018 zou worden opgeleverd en voert aan dat [gedaagde sub 1] c.s. slechts de wens hebben uitsproken op die datum de woning te kunnen betrekken. Van een fatale termijn is zijns inziens dan ook geen sprake.

5.10.

De kantonrechter stelt vast dat de overeenkomst tot stand is gekomen doordat [gedaagde sub 1] c.s. de offerte van [eiser] hebben geaccepteerd en dat daarin niet staat dat op 1 november 2018 moest worden opgeleverd. [gedaagde sub 1] c.s. hebben weliswaar verwezen naar overlegde WhatsApp correspondentie, maar anders dan zij menen bevat deze geen afspraken tussen hen en [eiser] voor oplevering op 1 november 2018. Ook uit de door [gedaagde sub 1] c.s. overgelegde verklaringen van [betrokkene] van Prevoo Totaalonderhoud B.V. en [betrokkene 2] van TH Totaalonderhoud blijkt niet dat tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] c.s. is afgesproken dat op 1 november 2018 zou worden opgeleverd. Zij verklaren beiden dat tijdens de bijeenkomst van 27 juli 2018 is besproken wat er moest gebeuren, met als uitgangspunt dat de werkzaamheden op 1 november 2018 klaar moesten zijn. Op die dag was er echter nog geen sprake van enige overeenkomst tussen partijen. Het enkele feit dat [gedaagde sub 1] c.s. op 27 juli 2018 een streefdatum van 1 november 2018 hebben uitgesproken, dat erkent [eiser] wel, is dan ook onvoldoende voor het oordeel dat tussen partijen is afgesproken dat 1 november 2018 zou worden opgeleverd. De kantonrechter gaat voorbij aan het aanbod van [gedaagde sub 1] c.s. om getuigenbewijs te leveren door het horen van anderen die aanwezig waren op 27 juli 2018 nu gesteld noch gebleken is dat zij meer of anders kunnen verklaren dan [betrokkene] en [betrokkene 2] . Er is ook niet gesteld of gebleken dat [eiser] harde toezeggingen heeft gedaan omtrent oplevering op 1 november 2018. Hoewel [gedaagde sub 2] op 1 november 2018 aan [eiser] heeft geschreven dat die dag in principe de opleverdatum is, heeft zij eerder op 16 oktober 2018 in de groeps-chat een overzicht gezet van de werkzaamheden die nog uitgevoerd dienden te worden (r.o. 2.8). Volgens dit overzicht zou de uitvoering van diverse werkzaamheden pas na 1 november 2018 plaatsvinden. Gelet op het voorgaande is van een fatale termijn op 1 november 2018 in de zin van artikel 6:83 BW dan ook geen sprake, zodat verzuim pas intreedt wanneer [eiser] schriftelijk in gebreke is gesteld waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming is geboden.

5.11.

Vervolgens ligt de vraag voor of [gedaagde sub 1] c.s. deugdelijke ingebrekestellingen hebben verstuurd voor zover het gaat om de door hen genoemde nog niet uitgevoerde werkzaamheden en geleverde zaken. In het kader van de tijdigheid van de prestatie heeft een ingebrekestelling als functie om te bepalen tot welk moment de schuldenaar uiterlijk nog kan presteren, zonder dat kan worden gezegd dat hij daarmee te laat is. Bij gebrek aan duidelijkheid over dat moment valt niet te rechtvaardigen dat de schuldeiser door ontbinding de schuldenaar de mogelijkheid van nakoming respectievelijk zijn aanspraak op de tegenprestatie ontneemt. Van een deugdelijke ingebrekestelling is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake, nu [gedaagde sub 2] alleen per WhatsApp bericht van 1 november 2018 heeft bericht dat ‘het klaar is’ en zij een andere aannemer zullen inschakelen. [gedaagde sub 1] c.s. hebben daarmee uitdrukkelijk geen termijn gesteld waarbinnen nakoming alsnog kon plaatsvinden. Dat aanmaning nutteloos zou zijn is niet gebleken, nu [eiser] bij e-mail van 16 november 2018 juist heeft benadrukt de volledige werkzaamheden te willen verrichten. Dit betekent dat – nu een deugdelijke ingebrekestelling ontbreekt – [eiser] niet in verzuim is. De subsidiaire vordering in reconventie tot ontbinding van de overeenkomst voor zover het gaat om de door [gedaagde sub 1] c.s. genoemde nog niet uitgevoerde werkzaamheden en geleverde zaken zal om die reden worden afgewezen.

Betaling € 20.911,30

5.12.

[eiser] vordert [gedaagde sub 1] c.s. te veroordelen tot betaling van € 20.911,30, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding. Dit bedrag bestaat uit een hoofdsom van € 30.328,32 (eindfactuur), incassokosten van € 1.078,28 en rente van € 346,30, waarop in mindering is gebracht de betaling van [gedaagde sub 1] c.s. van 23 mei 2019 van € 10.841,60. Deze betaling heeft [eiser] eerst in mindering gebracht op de rente en buitengerechtelijke incassokosten en voor het overige op het resterende deel van de verschuldigde hoofdsom. [eiser] voert aan dat [gedaagde sub 1] c.s. tekort zijn geschoten in de nakoming van de overeenkomst, omdat de eindfactuur niet volledig is betaald.

5.13.

Vast staat dat sprake is van een overeenkomst van aanneming van werk als bedoeld in artikel 7:750 BW. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit het WhatsAppbericht van [gedaagde sub 2] van 1 november 2018 dat [gedaagde sub 1] c.s. [eiser] niet meer in de gelegenheid wenste te stellen om het werk te voltooien. Dit bericht kwalificeert dan ook als een opzegging in de zin van artikel 7:764 BW. De opzegging van een aannemingsovereenkomst door de opdrachtgever laat diens verbintenis tot betaling van de aanneemsom onverlet, zij het dat daarop in mindering komen de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien.

5.14.

Op grond van het bovenstaande zijn [gedaagde sub 1] c.s. in beginsel de totale aanneemsom verschuldigd aan [eiser] , maar daarop komt in mindering hetgeen reeds is betaald alsmede de besparingen van [eiser] en eventuele andere posten naar aanleiding van het verweer van [gedaagde sub 1] c.s. [gedaagde sub 1] c.s. hebben de volgende door [eiser] gevorderde posten betwist: i) het leveren en installeren van kozijnen voor de woonkamer en aan de voorzijde; ii) het leveren en installeren van tien deuren; iii) het verrichten van extra stucwerkzaamheden; iv) de plaatsing van zes wandcontactdozen; v) de gevelwerkzaamheden. Deze posten zullen hieronder worden besproken.

Kozijnen

5.15.

Onderdeel van de overeenkomst was de plaatsing van kozijnen in de woonkamer. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. voldoen deze kozijnen niet aan de overeenkomst, omdat ze niet geheel van glas zijn, maar een borstwering hebben. Dat was niet de bedoeling. Bovendien zijn de kozijnen nooit geleverd. [eiser] komt dan ook geen vordering toe voor deze kozijnen.

5.16.

Volgens [eiser] zijn partijen overeengekomen dat de kozijnen voor de woonkamer borstwering zouden hebben. Hij heeft aangevoerd dat de kozijnen klaarstaan en alsnog geleverd kunnen worden.

5.17.

De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde sub 1] c.s. betogen dat sprake is van besparingen als bedoeld in artikel 7:764 lid 2 BW. Vast staat dat [eiser] in eerste instantie de kozijnen voor de woonkamer in de verkeerde kleur heeft besteld. Volgens [eiser] heeft hij daarna de kozijnen voor de woonkamer in de juiste kleur besteld en konden deze worden geleverd. Zo heeft [eiser] in een WhatsAppbericht van 1 november 2018 om 14:36 (productie E4) geschreven: “…volgende week komen de kozijnen..”. [gedaagde sub 1] c.s. hebben onder verwijzing naar een foto van 6 november 2018 van de bestelde kozijnen aangevoerd dat ze deze toen pas voor het eerst gezien hebben en dat deze niet voldoen aan hetgeen is overeengekomen. [eiser] heeft niet betwist dat [gedaagde sub 1] c.s. pas ná de opzegging van 1 november 2018 de kozijnen voor het eerst hebben gezien, zodat ze daarover niet eerder hebben kunnen klagen. Nu in elk geval vast staat dat de kozijnen nooit geleverd zijn en [gedaagde sub 1] c.s. daar dus geen profijt van hebben, had van [eiser] mogen worden verwacht dat hij gemotiveerd zou toelichten dat partijen kozijnen met borstwering zijn overeengekomen, dat deze in zoverre voldoen aan de overeenkomst en dat om die reden geen sprake is van een besparing omdat het enkel aan de opzegging is te wijten dat [gedaagde sub 1] c.s. daar geen profijt van hebben. [eiser] heeft dat nagelaten. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat [eiser] de kosten van deze kozijnen en de kosten voor het plaatsen daarvan heeft bespaard. Deze kosten van € 2.497,50 exclusief btw (€ 3.021,96 inclusief btw) zullen op de vordering in mindering worden gebracht.

5.18.

Daarnaast hebben [gedaagde sub 1] c.s. [eiser] een meerwerkopdracht verstrekt voor het leveren van kozijnen in de vorm van deuren voor de garage en het fietsenhok. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. zijn deze kozijnen uiteindelijk nooit geplaatst en geleverd en heeft [eiser] ook in zoverre geen toewijsbare vordering.

5.19.

De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde sub 1] c.s. ook ten aanzien van deze kozijnen betogen dat sprake is van besparingen als bedoeld in artikel 7:764 lid 2 BW. [eiser] heeft aangevoerd dat hij deze kozijnen besteld heeft en dat hij deze alsnog kan leveren. [gedaagde sub 1] c.s. heeft onder verwijzing naar WhatsAppberichten gemotiveerd betwist dat deze kozijnen zijn besteld. Op 1 november 2018 heeft [eiser] in een WhatsAppbericht van 18:11:15 uur (productie G3) geschreven: “Ps graag antwoord over kozijnen zo snel mogelijk anders worden de kozijnen voor garage en fietsenhok besteld met horizontale lijnen waar al goed keuring voor is gegeven per app wij zijn bevrijd om die te laten veranderen in lijnen die wij hebben aangegeven”. Daarop heeft [gedaagde sub 1] als volgt gereageerd: “Waar praat je over. We hebben nooit horizontale lijnen goedgekeurd. Ook de openslaande deuren hebben we nooit mogen zien. (…) En je hoeft verder niks te bestellen.” Op 8 november 2018 om 18:49 uur heeft [eiser] vervolgens nog het volgende WhatsAppbericht gestuurd: “Hey [gedaagde sub 1] ik heb begrepen dat je niet de kozijnen wilde die ik je verstuurd heb… Terwijl ik het met jou heb besproken en laten zien en je heb een ja woord opgegeven dus ze zijn al besteld en in de maak (kozijn van garage en fietsenhok)...” Uit het bericht van [eiser] van 1 november 2018 volgt dat de kozijnen op dat moment nog niet besteld waren terwijl uit zijn bericht van 8 november lijkt te volgen dat hij de kozijnen toen wel besteld had. Gezien de opzegging van de overeenkomst op 1 november 2018 en de mededeling van [gedaagde sub 1] c.s. op diezelfde dag dat er niks meer besteld moest worden, lag het echter niet meer in de rede om nadien alsnog de kozijnen te bestellen. Voor zover [eiser] heeft bedoeld te betogen dat hij deze kozijnen al vóór 1 november 2018 had besteld had het op zijn weg gelegen om die stelling nader te onderbouwen, bijvoorbeeld met een bestelformulier of een bevestiging van de leverancier. [eiser] heeft dat nagelaten. De door [eiser] gevorderde kosten voor deze kozijnen en de plaatsing daarvan heeft [eiser] aldus bespaard en komen niet voor vergoeding in aanmerking. Dit betreft een bedrag van € 5.500,00 exclusief btw (€ 6.655,00 inclusief btw).

Leveren en installeren van tien deuren

5.20.

Overeengekomen is de levering van een niet nader gespecificeerd aantal deuren voor een prijs van € 255,00 per stuk exclusief 21% btw. In de eindfactuur heeft [eiser] tien deuren opgenomen voor een totaalprijs van € 2.550,00 exclusief 21% btw. [gedaagde sub 1] c.s. hebben niet betwist dat [eiser] tien deuren heeft geplaatst en dat dit de overeengekomen prijs is, zodat deze in beginsel moeten worden betaald. [gedaagde sub 1] c.s. hebben zich er over beklaagd dat de deuren niet goed zijn gesteld en dat het beslag scheef zit en te strak. [eiser] heeft daar tegenover gesteld dat eventuele klachten van [gedaagde sub 1] c.s. het gevolg zijn van hun eigen wensen en dat hij heeft aangeboden de deuren opnieuw af te hangen, maar dat hij daartoe niet meer in de gelegenheid is gesteld. Voor zover [gedaagde sub 1] c.s. hebben bedoeld een beroep te doen op opschorting van hun betalingsverplichting vanwege wanprestatie geldt dat zij niet hebben gesteld dat zij [eiser] in gebreke hebben gesteld ten aanzien van de deuren. [eiser] is dan ook niet in verzuim zodat geen sprake is van een opeisbare vordering en [gedaagde sub 1] c.s. in zoverre geen geslaagd beroep op opschorting toekomt. Voor zover [gedaagde sub 1] c.s. hebben bedoeld een beroep te doen op artikel 6:262 BW gaat dat beroep ook niet op. [gedaagde sub 1] c.s. hebben immers niet gesteld dat zij bereid zijn tot betaling als [eiser] alsnog nakomt.

Meerwerk stucen

5.21.

Op de eindfactuur heeft [eiser] € 875,00 exclusief btw in rekening gebracht voor 35 m² meerwerk aan stucwerkzaamheden. Deze werkzaamheden zijn niet in de overeenkomst opgenomen. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. hoeven zij daarvoor niet te betalen omdat [eiser] deze werkzaamheden per abuis niet in de offerte had opgenomen en daarom had toegezegd dat hij deze werkzaamheden voor eigen rekening zou uitvoeren. Er is geen opdracht gegeven, en er is, anders dan voor het andere meerwerk, geen offerte uitgebracht of een bevestiging van de opdracht door [eiser] gevraagd, aldus [gedaagde sub 1] c.s. [eiser] betwist dat deze werkzaamheden voor zijn rekening komen en heeft toegelicht dat de opdracht telefonisch door [gedaagde sub 1] c.s. is verstrekt toen hij op vakantie was en dat [gedaagde sub 1] c.s. boos waren omdat de wanden niet gestuct waren. Vast staat dat deze werkzaamheden zijn verricht. Als [gedaagde sub 1] c.s. daar geen opdracht voor gegeven zouden hebben dan had het voor de hand gelegen dat zij bezwaar hadden gemaakt tegen het uitvoeren van deze stucwerkzaamheden. Daarvan is niet gebleken. Het verweer van [gedaagde sub 1] c.s. dat [eiser] heeft toegezegd deze werkzaamheden voor niets uit te voeren is een bevrijdend verweer zodat de stelplicht en de bewijslast daarvan op [gedaagde sub 1] c.s. rusten. Gelet op de gemotiveerde betwisting van dit verweer door [eiser] had het op de weg van [gedaagde sub 1] c.s. gelegen om met concrete feiten en omstandigheden aan te tonen dat is afgesproken dat voor de meerwerk stucwerkzaamheden niet betaald hoefde te worden. Zij hebben dat nagelaten. Aangezien [gedaagde sub 1] c.s. geen feiten en omstandigheden hebben aangevoerd waaruit blijkt dat [eiser] dit werk gratis heeft verricht, zullen zij de kosten voor het meerwerk aan stucwerkzaamheden moeten dragen.

Plaatsing wandcontactdozen

5.22.

In de overeenkomst is een post opgenomen genaamd Internetkabel met daaronder onder meer “aan brengen van wandcontact dozen opbouw voor kat 5 kabels” en “wcd in bouw per stuk kost 50€ ex btw meer werk”. In de eindfactuur is voor deze post onder meer opgenomen zes keer wandcontactdoos á € 50,00, exclusief 21% btw. [gedaagde sub 1] c.s. hebben deze post betwist, omdat het aanbrengen van wandcontactdozen al onderdeel uitmaakte van de overeenkomst en er geen opdracht is verstrekt voor meer wandcontactdozen. [eiser] heeft daar tegenin gebracht dat partijen in de offerte zijn overeengekomen dat een wandcontactdoos € 50,00 exclusief btw per wandcontactdoos extra kost en dat er in totaal zes wandcontactdozen in de keuken zijn ingebouwd. [gedaagde sub 1] c.s. hebben dat niet meer betwist. Deze post dient dan ook door [gedaagde sub 1] c.s. te worden betaald.

Gevelwerkzaamheden

5.23.

[gedaagde sub 1] c.s. menen dat op de vordering van [eiser] € 400,00 in mindering dient te worden gebracht voor niet aangebrachte gevelbekleding en herstel van ondermaatse afwerking van de wel aangebrachte bekleding. [eiser] heeft daar tegenin gebracht dat alle oude schoten zijn vervangen door eternietschoten, behalve het eterniet bij het raamkozijn maar dat dat ook nog niet kon omdat dat kozijn op 1 november 2018 nog niet geplaatst was, en dat deze werkzaamheden deugdelijk zijn verricht. Voor zover [gedaagde sub 1] c.s. hebben bedoeld te betogen dat [eiser] kosten heeft bespaard doordat hij niet alle eternietschoten heeft geleverd slaagt dat betoog alleen ten aanzien van de erkenning door [eiser] dat er één eternietschot nog niet was geplaatst bij het raamkozijn. In zoverre is immers sprake van besparing. Geen van partijen heeft aangevoerd welk bedrag gemoeid is met dit ene schot, zodat de kantonrechter dat bedrag schat op € 150,00 exclusief btw (€ 181,50 inclusief btw). Dat zal in mindering worden gebracht op de vordering. Voor het overige hebben [gedaagde sub 1] c.s. tegenover de betwisting door [eiser] niet onderbouwd dat sprake zou zijn van meer ontbrekende schoten. Voor zover [gedaagde sub 1] c.s. hebben bedoeld schadevergoeding te vorderen wegens wanprestatie geldt dat zij niet hebben gesteld dat zij [eiser] in gebreke hebben gesteld ten aanzien van de uitvoering van de vervanging van de schoten. [eiser] is dan ook niet in verzuim zodat geen sprake is van wanprestatie en [gedaagde sub 1] c.s. geen schadevergoeding toekomt.

Overige besparingen

5.24.

[gedaagde sub 1] c.s. stellen recht te hebben op compensatie ter hoogte van € 4.000,00 exclusief btw omdat [eiser] zelf heeft aangegeven dat hij deze kosten heeft bespaard. Ter onderbouwing verwijzen zij naar de door [eiser] opgestelde herberekening die als productie G12 is overgelegd ( r.o. 2.12). [eiser] stelt dat dit bedrag in het kader van schikkingsonderhandelingen is genoemd, maar niet langer aan de orde is.

5.25.

In de herberekening heeft [eiser] een aantal posten met bedragen opgenomen als compensatie voor niet uitgevoerde werkzaamheden, te weten: plaatsen keralit, internet kabels, plinten nakijken, deuren stellen en plaatsen kozijnen. De post plinten nakijken komt niet in aanmerking als besparing vanwege hetgeen hierna zal worden overwogen ten aanzien van de plinten. De posten deuren stellen en plaatsen kozijnen komen evenmin in aanmerking voor besparing vanwege hetgeen daarover hiervoor is overwogen. Ten aanzien van de posten plaatsen keralit en internet kabels geldt kennelijk dat [eiser] deze werkzaamheden niet heeft uitgevoerd zodat in zoverre sprake is van een besparing. Beide posten van respectievelijk € 400,00 en € 300,00 zullen dan ook in mindering worden gebracht op de vordering van [eiser] .

Conclusie

5.26.

De kantonrechter zal de door [gedaagde sub 1] c.s. verschuldigde aanneemsom begroten aan de hand van de hiervoor genoemde overwegingen. Het totale bedrag van de eindfactuur bedraagt € 30.328,32 en daarop komen in mindering € 3.021,96, € 6.655,00, € 181,50, € 400,00 en € 300,00, zodat resteert € 19.769,86.

5.27.

Op 23 mei 2019 hebben [gedaagde sub 1] c.s. een bedrag van € 10.841,60 betaald. Aangezien [eiser] dit bedrag ex artikel 6:44 BW eerst in mindering heeft gebracht op de kosten en de verschenen rente en daarna op de hoofdsom, zal de kantonrechter hierna eerst beoordelen of [gedaagde sub 1] c.s. wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, en zo ja, wat de hoogte van de totale vordering op 23 mei 2019 was.

5.28.

Wat betreft de wettelijke rente hebben [gedaagde sub 1] c.s. terecht betoogd dat partijen geen betalingstermijn zijn overeengekomen, zodat de kantonrechter van oordeel is dat wettelijke rente verschuldigd is vanaf de datum van verzuim. De gemachtigde van [eiser] heeft op 16 januari 2019 voor het eerst [gedaagde sub 1] c.s. gesommeerd te betalen binnen 14 dagen, zodat de datum van verzuim is 31 januari 2019 en de wettelijke rente verschuldigd is over € 19.769,86 vanaf die datum tot 23 mei 2019. Deze wettelijke rente bedraagt € 121,33.

5.29.

[eiser] maakt ook aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De buitengerechtelijke kosten zijn op de juiste wijze bij brief van 16 januari 2019 aangezegd. [gedaagde sub 1] c.s. zijn dan ook buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd over de toegewezen hoofdsom van € 19.769,86. Dit betekent dat [gedaagde sub 1] c.s. € 972,70 aan buitengerechtelijke incassokosten moeten betalen.

5.30.

Op 23 mei 2019 bedroeg de totale vordering inclusief kosten € 20.863,89 (€ 19.769,86 + € 121,33 + € 972,70). Daarop komt in mindering het reeds door [gedaagde sub 1] c.s. betaalde bedrag van € 10.841,60 zodat resteert een vordering van € 10.022,29.

5.31.

Vanaf 23 mei 2019 zijn [gedaagde sub 1] c.s. wettelijke rente verschuldigd over de resterende hoofdsom van € 10.022,29.

Plinten

5.32.

[gedaagde sub 1] c.s. vorderen in reconventie veroordeling van [eiser] in de kosten van het verwijderen en opnieuw aanbrengen van de plinten op de begane grond en de eerste verdieping, alsmede het herstel van de muren en het vliesbehang indien hier schade aan optreedt door verwijdering van de plinten. [gedaagde sub 1] c.s. stellen dat zij schade hebben geleden doordat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst, omdat de plinten gebrekkig zijn aangebracht. Dientengevolge moet [eiser] deze schade volgens [gedaagde sub 1] c.s. vergoeden.

5.33.

Vast staat dat [eiser] de plinten niet verstek heeft aangebracht. [gedaagde sub 1] c.s. stellen dat aan [eiser] is aangegeven dat de plinten verstek gezaagd moesten worden, dat de plinten tegen de houten afdekplinten gelegd moesten worden en dat de plinten moesten doorlopen tot aan de deuren. [eiser] meent de plinten aangebracht te hebben zoals met [gedaagde sub 1] c.s. overeengekomen, er is niets met [gedaagde sub 1] c.s. afgesproken over het wel of niet verstek plaatsen van de plinten.

5.34.

De kantonrechter overweegt dat, los van de vraag of [gedaagde sub 1] c.s. bij het verstrekken van de opdracht specifiek heeft medegedeeld dat de plinten verstek gezaagd moesten worden, de plinten zoals nu door [eiser] zijn aangebracht niet conform kunnen worden geacht. Uit de door [gedaagde sub 1] c.s. overgelegde foto’s en de daarbij gegeven toelichting blijkt dat de plinten niet aansluiten en sommige deuren door de dikte van de plinten niet geheel open kunnen. Nu [eiser] dit niet betwist, is daarmee komen vast te staan dat sprake is van een tekortkoming.

5.35.

Voor zover nakoming niet blijvend onmogelijk is, diende [eiser] echter eerst in gebreke gesteld te worden voordat verzuim zou intreden. Bij brief van 23 november 2018 hebben [gedaagde sub 1] c.s. [eiser] gewezen op de tekortkoming en hem de gelegenheid geboden tot herstel over te gaan door vóór 20 december 2018 de plinten te verwijderen, de muur te laten herstellen en de plinten in verstek te plaatsen onder toezicht van een professional. [eiser] voert aan dat hij begin december 2018 bij [gedaagde sub 1] c.s. voor de deur heeft gestaan om tot herstel over te gaan, maar dat hij door [gedaagde sub 1] c.s. niet is toegelaten. [gedaagde sub 1] c.s. hebben dat betwist. Dit verweer van [eiser] is in reactie daarop onvoldoende concreet met feiten en omstandigheden onderbouwd, zodat de kantonrechter daaraan voorbij gaat. Vast staat dat geen herstel heeft plaatsgevonden en dus dat [eiser] in verzuim verkeert.

5.36.

Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of [gedaagde sub 1] c.s. schade hebben geleden door deze tekortkoming en of deze schade door [eiser] moet worden vergoed. [gedaagde sub 1] c.s. hebben als productie G22 een herstelofferte overgelegd. [eiser] heeft de hoogte van de offerte betwist, nu onzeker is of het verwijderen van de plinten tot schade aan de muren zal leiden. Daarnaast zijn de geoffreerde werkzaamheden onredelijk hoog en had het volgens [eiser] op de weg van [gedaagde sub 1] c.s. gelegen om dit nader te (laten) specificeren. Ook heeft [eiser] betwist dat het verwijderen van de plinten de enige optie is. [eiser] heeft dat laatste verweer echter verder niet toegelicht, zodat de kantonrechter daaraan voorbij gaat. Gezien het feit dat de plinten niet helemaal aansluiten en een aantal deuren niet helemaal open kan vanwege de dikte van de plinten is voorstelbaar dat dit alleen kan worden hersteld door de plinten te verwijderen en nieuwe plinten aan te brengen. De schade van [gedaagde sub 1] c.s. bestaat dan ook uit de daarmee gemoeide kosten zoals deze blijken uit de offerte, te weten € 900,00 + € 1.125,00 + € 1.008,00 + € 1.260,00 = € 4.293,00, te vermeerderen met € 450,00 aan afdekkosten voor de vloeren. De geoffreerde posten ten aanzien van het herstel en het sauswerk van de wanden maken geen deel uit van het te vergoeden herstel, nu de plinten al eerder zijn verwijderd zonder dat schade is ontstaan aan de wanden. Gesteld noch gebleken is dat dat nu anders zou zijn. De geoffreerde toegevoegde kosten zijn overigens niet nader toegelicht, zodat de kantonrechter die niet meeneemt bij de te vergoeden schade. Het bedrag voor herstel zal daarmee worden toegewezen voor € 4.743,00 exclusief 9% btw (€5.169,87 inclusief btw). Het verweer dat bij de herstelkosten geen rekening is gehouden met ‘nieuw voor oud’ kan [eiser] niet baten. Met schadevergoeding wordt beoogd om [gedaagde sub 1] c.s. in de situatie te brengen als had de schade zich niet voorgedaan.

5.37.

De subsidiaire vordering in reconventie onder III zal worden toegewezen tot een bedrag van € 4.743,00 exclusief btw (€ 5.169,87 inclusief btw).

Factuur [naam] Keukens

5.38.

[gedaagde sub 1] c.s. vorderen in reconventie [eiser] te veroordelen tot betaling van € 899,64 ter zake van een factuur van [naam] Keukens (productie G15). [gedaagde sub 1] c.s. stellen dat [eiser] de leidingen in de keuken niet volgens het aansluitplan heeft aangelegd en de aansluitpunten op de verkeerde plaats zijn aangebracht. Om stagnatie van de werkzaamheden te voorkomen is, in overleg met [eiser] , afgesproken dat [naam] Keukens de leidingen zou herstellen.

5.39.

[eiser] betwist dat de elektrawerkzaamheden onderdeel uitmaakten van de overeenkomst en dat hij de elektra volgens het aansluitplan van de keukenleverancier zou verzorgen. De in de overeenkomst opgenomen keukenwerkzaamheden zagen op het leveren en plaatsen van nieuwe leidingen en het plaatsen en leveren van nieuwe afvoeren. [eiser] meent deze werkzaamheden deugdelijk en naar behoren te hebben verricht.

5.40.

Aangezien [gedaagde sub 1] c.s. zich beroepen op de rechtsgevolgen van het bestaan van een overeenkomst tot het verrichten van elektrawerkzaamheden en het daaruit voortvloeiende recht op schadevergoeding, rusten op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv op [gedaagde sub 1] c.s. de stelplicht en, zo nodig, de bewijslast dat partijen zijn overeengekomen dat [eiser] deze werkzaamheden zou verrichten. In de overeenkomst is ten aanzien van de keuken opgenomen ‘het leveren en plaatsen van nieuwe leidingen en nieuwe afvoeren’, zonder verdere specificatie. Ter onderbouwing van hun stelling hebben [gedaagde sub 1] c.s. erop gewezen dat [naam] Keukens aan [eiser] de werktekeningen voor de keuken heeft toegezonden. [eiser] heeft echter aangevoerd dat hij die tekeningen toegestuurd heeft gekregen omdat hij het leidingwerk zou verzorgen. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [eiser] had het op de weg van [gedaagde sub 1] c.s. gelegen om voldoende (concrete) feiten en omstandigheden aan te dragen op grond waarvan kan worden aangenomen dat partijen zijn overeengekomen dat [eiser] het elektra in de keuken zou aanleggen. [gedaagde sub 1] c.s. hebben echter in zoverre niet voldaan aan hun stelplicht, zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen. De subsidiaire vordering onder IV ter zake de veroordeling tot betaling van de factuur van [naam] Keukens zal dan ook worden afgewezen.

5.41.

De toewijzing van de vordering in conventie brengt met zich mee dat de subsidiaire vordering in reconventie onder IV ten aanzien van de onverschuldigde betaling zal worden afgewezen. [gedaagde sub 1] c.s. hebben namelijk niet teveel betaald, aangezien zij juist nog geld verschuldigd zijn aan [eiser] .

5.42.

De proceskosten in conventie komen voor rekening van [gedaagde sub 1] c.s. en de proceskosten in reconventie voor rekening van [eiser] . De proceskosten zullen worden toegewezen zoals onder 6.2. en 6.4. vermeld.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

6.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk tot betaling aan [eiser] van € 10.022,29 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2019 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [eiser] tot en met vandaag worden begroot op de volgende bedragen:

dagvaarding € 88,53

griffierecht € 486,00

salaris gemachtigde € 932,50 (2.5 punten x tarief € 373,00)

€ 1.507,03

in reconventie

6.3.

veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde sub 1] c.s. van € 5.169,87 inclusief btw;

6.4.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde sub 1] c.s. tot en met vandaag worden begroot op € 777,50 (2,5 punten x € 311,00) aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na dagtekening van het vonnis tot de dag der algehele betaling;

in conventie en in reconventie

6.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter