Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:2760

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-04-2021
Datum publicatie
02-04-2021
Zaaknummer
15.164721.20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar wegens medeplegen poging tot moord. Verdachte was bestuurder van een scooter waar vanaf door zijn passagier, medeverdachte, met een vuurwapen op het slachtoffer werd geschoten, waarbij het slachtoffer levensgevaarlijk gewond raakte.

Motiveringen voorbedachte raad/opzet en medeplegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0304
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15.164721.20 (P)

Uitspraakdatum: 2 april 2021

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 en 19 maart 2021 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Lelystad, Larserdreef 300, 8233 HB Lelystad.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. B.J.G. Leeuw en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. Bouwman, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de slachtofferverklaring van [slachtoffer], alsmede zijn vordering benadeelde partij en de toelichting hierop door mr. N. Hoogenboom, advocaat te Amsterdam.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 14 juni 2020 te Purmerend tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meer kogel(s) in de hals en/of het bovenbeen, althans in het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte] op of omstreeks 14 juni 2020 te Purmerend ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen een of meer kogel(s) in de hals en/of het bovenbeen, althans in het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten bij en/of tot welk feit verdachte op of omstreeks 14 juni 2020 te Purmerend opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft door
- die [medeverdachte] met een scooter naar de plaats des misdrijfs te brengen en/of
- (direct na het gepleegde misdrijf) die [medeverdachte] met die scooter weg te vervoeren van de plaats delict, ten einde de vlucht van die [medeverdachte] mogelijk te maken

2.
hij op of omstreeks 29 juni 2020 te [plaats], gemeente Alkmaar een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een nabootsing van een pistool welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoond met een echt vuurwapen, voorhanden heeft gehad;

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. De verdachte was de bestuurder van de scooter, maar hij wist niet dat de medeverdachte [medeverdachte] een wapen bij zich had en op aangever zou gaan schieten. Uit angst heeft hij zich in eerste instantie op zijn zwijgrecht beroepen. Later heeft hij toch besloten de waarheid te gaan vertellen.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van voorbedachte raad, nu op grond van het dossier niet is vast te stellen of sprake is geweest van een vooropgezet plan en/of een moment van kalm beraad en rustig overleg. Wel zijn er een groot aantal contra-indicaties uit het dossier af te leiden waaruit volgt dat het er geen sprake was van een vooropgezet plan.

Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm is er wel sprake van poging tot doodslag, aldus de raadsman, maar de verdachte kan, gelet op zijn rol daarbij niet als medepleger worden aangemerkt. De rol van verdachte is beperkt gebleven tot het besturen van de scooter. Er is dan ook geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking. Bij de verdachte ontbrak de wetenschap dat de medeverdachte zou gaan schieten. Niet is vast te stellen dat hij (voorwaardelijk) opzet had op de dood van de aangever.

De raadsman stelt zich ten aanzien van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid op het standpunt dat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken nu niet is voldaan aan het vereiste van dubbel opzet.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.2

Nadere bewijsoverwegingen feit 1 primair

De feitelijke gang van zaken

Uit het proces-verbaal waarin de bewegingen van de scooter, waarop de verdachte en zijn mededader zaten, worden beschreven, leidt de rechtbank af dat de scooter, met de verdachte als bestuurder en de medeverdachte [medeverdachte] als passagier achterop, de aangever en de getuige [getuige] voor het eerst passeerde op de Melkweg om 15.17 uur en daarbij langzaam reed. De aangever heeft daarover verklaard dat de jongens op de scooter op dat moment uitdagend keken, alsof ze ruzie wilden. Uit voornoemd proces-verbaal blijkt dat de scooter, nadat hij de aangever en de getuige passeerde, met verhoogde snelheid de Melkwegbrug over reed. Vervolgens reed de scooter de Nieuwgracht in, maar keerde daar, en verscheen, op het moment dat de aangever en de getuige op het Tramplein waren, weer ten tonele. Vervolgens nam de scooter de binnenbocht naar de Gouw. Hij positioneerde zich zodoende naast de aangever en niet naast de getuige [getuige], die naast de aangever liep. De aangever heeft verklaard dat de scooter snel kwam aanrijden, maar op een manier remde dat hij wist dat er iets ging gebeuren. De getuige [getuige] bevestigt dat de aangever op dat moment zei: “Ik ben benieuwd wat ze nu weer gaan zeggen”. De aangever zag dat de passagier een pistool uit een zijtasje haalde. Uit de verklaring van de verdachte blijkt voorts dat de medeverdachte [medeverdachte] hem, toen hij na het schieten wegreed, vertelde om naar [betrokkene] te rijden, waar de verdachte en de medeverdachte de scooter in de schuur zetten en zich omkleedden dan wel een andere jas aantrokken. De rechtbank is van oordeel dat de rijbewegingen van de scooter zoals hiervoor beschreven duiden op een bepaalde gedeelde gerichtheid van een zekere duur van de personen op de scooter op de aangever.

Verklaring van de verdachte

De verdachte heeft bij diverse gelegenheden, laatstelijk ter terechtzitting, een toelichting gegeven op de gereden rijroute en op de wijze waarop is gereden.

Zo heeft de verdachte bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij inderdaad heeft geremd voordat hij de Gouw opreed, omdat hij een wiebel voelde en dacht dat hij zijn band lek had gereden op een aldaar aanwezige stoeprand. Deze verklaring is in strijd met de aangifte en vindt ook geen steun in de situatie ter plaatse. De rechtbank heeft met het oog op dat laatste, met instemming van de raadsman, ter terechtzitting op een getoonde foto van streetview behorend bij Google Maps waargenomen en vastgesteld dat ter plaatse geen stoeprand of ander niveauverschil op het wegdek aanwezig is. Dit maakt de verklaring niet aannemelijk.

Daarnaast heeft de verdachte ter terechtzitting als verklaring voor het feit dat de scooter aan de overzijde van de brug de aangever en zijn vriendin langzaam van achteren naderde gezegd dat hij dit deed om te kijken of er geen opsporingsambtenaren in de buurt van de brug aanwezig waren, omdat hij weet dat hij met zijn scooter met geel kenteken niet over de brug mag rijden. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte op dit punt ook niet aannemelijk, nu hij enkele minuten later wel de Gouw is ingereden zonder, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, eerst te (kunnen) bekijken of zich daar opsporingsambtenaren bevonden, terwijl daar blijkens de stukken van het dossier een bord is geplaatst dat een zelfde verbod impliceert (pagina 768, foto 1). De verklaring van de verdachte ter zitting dat hij altijd met zijn scooter door de Gouw rijdt, versterkt die onaannemelijkheid. Kennelijk is de verdachte normaal gesproken niet zo voorzichtig.

Ook de verklaring van de verdachte over de gereden route is naar het oordeel van de rechtbank een onaannemelijke. De verdachte heeft verklaard dat hij is gekeerd op de Nieuwegracht omdat de medeverdachte naar coffeeshop Anna wilde en zei dat de stad “heet” (inhoudend veel politie op de been) was. Dit zou een probleem zijn omdat de verdachte zonder rijbewijs op zijn scooter reed. De route die de verdachte vervolgens wilde rijden via de Gouw is in dat licht dan echter geen logische route omdat de Gouw weer even verderop op dezelfde straat uitkomt, in diezelfde stad, die “heet” was. Zoals hiervoor overwogen is de Gouw een fietspad en niet toegankelijk voor bromfietsen met een geel kenteken. Bovendien blijkt uit camerabeelden dat de verdachte eerder die dag ook al in de stad was zonder zich er kennelijk om te bekommeren dat de stad “heet” zou zijn. Tot slot valt op geen enkele wijze in te zien hoe [medeverdachte] als passagier op de Nieuwegracht ineens de ontdekking zou kunnen hebben gedaan dat de stad “heet” was.

Dit betekent dat de door de verdachte gegeven toelichting op elk onderdeel van de route onaannemelijk is.

De opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken doen verder afbreuk aan de aannemelijkheid van de hiervoor weergegeven verklaringen van de verdachte over zijn gedrag op de scooter. In deze afgeluisterde telefoongesprekken heeft de verdachte vanuit het huis van bewaring met verschillende mensen gesproken over de inhoud van de verklaring die hij bij de politie zou gaan afleggen. Hij heeft daarin verschillende opties voor deze verklaring besproken en gezegd dat hij overwoog details weg te laten in die verklaring. Deze opties hadden onder meer betrekking op de momenten waarop hij wetenschap zou hebben gekregen van de intenties van [medeverdachte]. Ter terechtzitting heeft de verdachte slechts verklaard dat het ging om de keuze tussen de verklaring zoals hij die uiteindelijk (naar waarheid, volgens zijn zeggen) heeft afgelegd of zwijgen. Dit verdraagt zich niet met de uiteenlopende varianten waarover de verdachte blijkens de inhoud van de tapgesprekken kennelijk heeft gesproken. De door de verdachte ter terechtzitting hierover afgelegde verklaringen doen aldus nog verder afbreuk aan de aannemelijkheid van de verklaringen van de verdachte over het rijgedrag, zodanig dat hieraan geen waarde kan worden toegekend.

Conclusies met betrekking tot wetenschap

Aan de hiervoor besproken onaannemelijke verklaringen van de verdachte over zijn gedrag op de scooter en de hiervoor besproken tapgesprekken komt betekenis toe in het kader van de weging en waardering van het bewijs voor wetenschap bij de verdachte over het doel van het handelen ten aanzien van de aangever.

De rechtbank is van oordeel dat de rijbewegingen van de scooter zoals hiervoor beschreven duiden op een bepaalde, met de schutter gedeelde, gerichtheid van een zekere duur op de aangever. Van de zijde van de verdachte zijn, in het licht van hetgeen hiervoor is besproken, geen verklaringen gekomen op basis waarvan tot een andere conclusie moet worden gekomen noch die tot enige relativering daarvan aanleiding geven.

Dit leidt tot de slotsom dat een vooropgezet plan bij hem en de medeverdachte heeft bestaan om de aangever met een vuurwapen te beschieten. Dat plan moet, mede bezien in het licht van het uiteindelijke resultaat, hebben bestaan voorafgaand aan het eerste moment waarop de scooter de aangever op de Melkweg langzaam passeerde.

Opzet

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden en de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het bewijs dat de verdachte en zijn medeverdachte het volle opzet hadden om [slachtoffer] van het leven te beroven. Nu medeverdachte [medeverdachte] op korte afstand, naar moet worden aangenomen, gericht, twee kogels op aangever heeft afgevuurd, die aangever onder meer, in een vitaal deel van zijn lichaam hebben geraakt, acht de rechtbank bewezen dat ook verdachte, bij wie zoals hiervoor overwogen de voorafgaande wetenschap over het gezamenlijk doel bestond, het opzet heeft gehad op de dood van aangever.

Voorbedachte raad

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of er sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

De vaststelling dat de verdachte voldoende had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Bij dat laatste kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) uiteindelijk tot de conclusie leiden dat niet met voorbedachte raad is gehandeld.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat, ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan ook rekenschap heeft gegeven. Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.

Van de door de raadsman in zijn pleidooi genoemde contra-indicaties voor een vooropgezet plan waaruit zou moeten worden afgeleid dat de verdachte heeft gehandeld in een gemoedsopwelling is niet gebleken. Over die aspecten kan hoogstens worden gezegd dat daaruit onvoldoende alertheid blijkt.

Alles overziende acht de rechtbank bewezen dat verdachte heeft gehandeld met de voor bewezenverklaring van moord vereiste voorbedachte raad.

Medeplegen

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verdachte als medepleger van poging tot moord op de aangever kan worden aangemerkt. Zoals hierboven reeds is overwogen onder het kopje voorbedachte raad volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte en zijn medeverdachte beiden het plan hadden opgevat om de aangever te doden. De verdachte heeft de medeverdachte [medeverdachte] als passagier op zijn scooter in een dusdanige positie gebracht dat deze van korte afstand twee keer met een vuurwapen op de aangever kon schieten. De medeverdachte heeft vervolgens twee keer gericht geschoten op de aangever, waarbij de aangever beide keren werd getroffen, één maal in de hals en één maal in zijn been.

Na het schieten zijn de verdachte en zijn medeverdachte direct doorgereden naar het adres van een vriend van de medeverdachte [medeverdachte], [betrokkene].

Het bovenstaande kan niet anders worden aangemerkt dan als een gezamenlijk optreden, waaraan de verdachte bewust heeft deelgenomen.

De verdachte heeft aan het uitgeoefende geweld, dat voor de aangever tot de dood had kunnen leiden, in de fase van de uitvoering ervan direct als de bestuurder van de scooter een wezenlijke bijdrage geleverd. Aldus is sprake van een voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De rechtbank acht dit dan ook bewezen.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1.
hij op of omstreeks 14 juni 2020 te Purmerend tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een kogel in de hals en een kogel in het bovenbeen van die [slachtoffer] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op 29 juni 2020 te [plaats], gemeente Alkmaar een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een nabootsing van een pistool welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een echt vuurwapen, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 primair:

Medeplegen van poging tot moord.

Feit 2:

Overtreding van artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor feit 1 primair en feit 2 zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij het bepalen van de straf rekening moet worden gehouden met het feit dat de verdachte hoogstens medeplichtig is geweest bij het onder 1 ten laste gelegde en daarbij een ondergeschikte rol heeft gespeeld. Voorts moet in het voordeel van de verdachte worden meegewogen zijn jeugdige leeftijd en het feit dat hij geen relevante documentatie heeft. Tenslotte moet in zijn voordeel meewegen dat de verdachte inzicht heeft gegeven in zijn handelen.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan poging tot moord. Vanaf de scooter die door de verdachte werd bestuurd is door de opzittende, zonder enige kenbare aanleiding op dat moment, op klaarlichte dag in het centrum van Purmerend op korte afstand met een vuurwapen twee keer gericht op de aangever geschoten. De zestienjarige vriendin van de aangever, die naast de aangever liep, en nietsvermoedende voorbijgangers, waren hiervan getuige. De aangever werd hierbij, onder meer, levensgevaarlijk in zijn hals getroffen. Slechts door kordaat ingrijpen van de vriendin van de aangever en een passerende motoragent en door adequaat medisch ingrijpen is voorkomen dat de aangever is overleden.

Door zijn handelen heeft de verdachte het slachtoffer niet alleen pijn en letsel toegebracht, maar heeft hij ook gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer en zijn vriendin in het bijzonder en de samenleving in het algemeen, veroorzaakt of versterkt. Zoals blijkt uit de vordering benadeelde partij, de toelichting hierop en de slachtofferverklaring die hij ter zitting heeft afgelegd, kampt het slachtoffer tot op de dag van vandaag met de ernstige lichamelijke en geestelijke gevolgen van het handelen van de verdachte.

De verdachte heeft op geen enkel moment, noch tijdens het afleggen van zijn verklaring van 19 augustus 2020 bij de politie, noch ter terechtzitting, berouw getoond voor of compassie geuit met het leed dat hij aangever heeft aangedaan.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 14 maart 2021, waaruit blijkt dat de verdachte, onder meer, in 2016 door de kinderrechter is veroordeeld terzake van openlijke geweldpleging tegen goederen en poging diefstal in vereniging van een bromfiets;

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 17 september 2020 van [reclasseringswerker] als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland.

De reclassering adviseert de toepassing van het volwassenenstrafrecht. Met de beschikbare informatie kan de reclassering niet adviseren of interventies en/of toezicht nodig zijn.

De verdachte heeft niet eerder hulpverlening ontvangen en geeft te kennen dat hij met de steun van zijn gezin in staat is om zijn leven op orde te krijgen. Hij geeft aan met softdrugsgebruik te willen stoppen. De reclassering adviseert dan ook niet het opleggen van bijzondere voorwaarden. Indien de verdachte schuldig wordt bevonden en een gevangenisstraf opgelegd krijgt, kan de reclassering in het kader van Detentie & Re-integratie wederom onderzoek doen om te bezien of er sprake is van risico’s en een noodzaak voor interventies.

De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij tijdens detentie is afgekickt van het gebruik van wiet.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder nog het volgende overwogen:

Hoewel aannemelijk is dat het initiatief tot de poging tot moord niet van de verdachte is uitgegaan, neemt de rechtbank ten bezware van de verdachte wel in aanmerking dat hij als bestuurder van de scooter van waaraf door zijn medeverdachte is geschoten, als medepleger voor deze poging tot moord kan worden aangemerkt.

Tenslotte heeft de rechtbank bij het bepalen van de straf ten nadele van de verdachte in aanmerking genomen dat hij zowel tijdens het onderzoek door de politie als tijdens het onderzoek op de terechtzitting een berekenende proceshouding heeft aangenomen en heeft getracht zijn rol bij het onder 1 ten laste gelegde zo klein mogelijk te laten zijn. Door deze proceshouding heeft de verdachte niet de volledige verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.

Alles afwegende en rekening houdende met de nog jonge leeftijd van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van vier jaren moet worden opgelegd.

7 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een bromfiets, merk Piaggio, een windscherm, een beenhoes en een helm dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 1 primair bewezen verklaarde feit met behulp van die voorwerpen, die aan de verdachte toebehoren, is begaan.

8 Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven imitatiewapen dient te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 2 bewezen verklaarde met betrekking tot dat imitatiewapen is begaan.

9. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een mes, een jas, een capuchon, een joggingbroek, een schoudertas en een paar sportschoenen, vermeld onder de nummers 6 tot en met 11 op de beslaglijst, dienen te worden teruggegeven aan de verdachte. De rechtbank leidt uit het dossier niet af dat ten aanzien van het mes is voldaan aan de vereisten van artikel 36c of 36d Sr, zodat de door de officier van justitie gevorderde onttrekking aan het verkeer afstuit op een ontbrekende wettelijke grondslag.

10 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft, door tussenkomst van zijn advocaat mr. N. Hoogenboom, een vordering tot schadevergoeding van € 32.502,86 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit de volgende posten:

1. medische kosten € 330,13

2. reiskosten tbv medische behandeling € 73,98

3. ziekenhuis daggeldvergoeding € 330,-

4. beschadigde broek en schoenen € 768,75

5. bijwerken tatoeage € 3.000,-

6. toekomstige reis en parkeerkosten tbv medische behandeling € 1.000,-

7. toekomstige medische kosten € 2.000,-

8. immateriële schade € 25.000,-

Daarnaast heeft de benadeelde partij vergoeding gevraagd voor de proceskosten in verband met de volgende posten:

- reis- en parkeerkosten t.b.v. de strafprocedure € 125,99

- buitengerechtelijke kosten (opvragen gegevens fysiotherapeut) € 75,-

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering moet worden toegewezen tot een bedrag van € 29.502,86, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de gevorderde toekomstige kosten tot een bedrag van € 3.000,- (post 6 en 7), die zijn gevorderd in het licht van een eventueel hoger beroep, heeft de officier van justitie betoogd dat de benadeelde partij thans niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering.

Ten aanzien van de gevorderde proceskosten heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze kunnen worden toegewezen.

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, gelet op de door hem bepleitte vrijspraak.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu, gelet op de rol van de verdachte, het zeer lastig is vast te stellen voor welk deel van de schade de verdachte verantwoordelijk is.

Meer subsidiair heeft de raadsman, na een toelichting van de raadsvrouw van de benadeelde partij, zich gerefereerd met betrekking het gevorderde onder de posten 1 tot en met 3. Ten aanzien van post 4 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat uit het dossier geen causaal verband voortvloeit tussen het delict en de beschadiging van de schoenen.

Ten aanzien van de toekomstige reis- en parkeerkosten, toekomstige medische kosten, toekomstige kosten bijwerken tatoeage heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering omdat deze kosten nog niet zijn gemaakt.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat, rekening houdend met de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van het te maken verwijt, de ernst en duur van het geconstateerde letsel en rekening houdend met vergelijkbare gevallen in de jurisprudentie, het gevorderde bedrag moet worden gematigd. Het reeds door het schadefonds geweldsmisdrijven uitgekeerde bedrag van € 5.000,- lijkt een redelijk bedrag, aldus de raadsman.

Ten aanzien van de proceskosten heeft de raadsman zich ter terechtzitting, anders dan in zijn pleitnota, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de onbetwist gebleven materiële schade met betrekking tot de posten 1, 2 en 3 kan worden toegewezen.

Met betrekking tot de beschadigde broek en schoenen (post 4) overweegt de rechtbank dat de getuige [getuige] in haar verklaring bij de politie van 14 juni 2020 heeft vermeld welke schoenen aangever/benadeelde partij die dag, ten tijde van het tenlastegelegde droeg. Ter zitting heeft de benadeelde partij toegelicht dat hij de schoenen pas enkele dagen in zijn bezit had, dat hij ze via internet heeft gekocht voor een bedrag dat hoger is dan het bedrag dat op de in de bijlage bijgevoegde uitdraai staat vermeld en dat hij in de vordering al een afschrijving heeft verwerkt van 25%. In tegenstelling tot hetgeen de advocaat heeft betoogd acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat aangever deze schoenen, gelet op het type, op internet heeft gekocht. Gelet op het toegebrachte letsel acht de rechtbank het aannemelijk dat die witte schoenen door het bloed van aangever onherstelbaar zijn beschadigd.

Met betrekking tot de schade in verband met het bijwerken van de tatoeage (post 5) zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.250,-.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard met betrekking tot de toekomstige schade (posten 6 en 7).

De gevorderde proceskosten met betrekking tot het opvragen van medische gegevens bij de fysiotherapeut merkt de rechtbank aan als materiële schade. Nu deze post niet is betwist zal de rechtbank de vordering op dit punt toewijzen. De rechtbank is van oordeel dat de overig gevorderde proceskosten moeten worden afgewezen, omdat de advocaat als gemachtigde van de benadeelde partij procedeert. Het civiele procesrecht biedt in zodanig geval geen ruimte voor een veroordeling in proceskosten die zijn gemaakt door de benadeelde zelf.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 2.827,86 rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit.

Tevens komt de rechtbank vergoeding van de gestelde immateriële schade tot een bedrag van € 25.000,- billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De rechtbank vindt de grondslag voor toekenning van de immateriële schade in het opgelopen letsel, zoals genoemd in artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek. De benadeelde partij is door twee kogels getroffen met levensgevaarlijke verwondingen tot gevolg. De benadeelde partij is in het ziekenhuis direct geopereerd en verbleef daarna zes dagen in coma op de intensive care. Een slagader in de hals moest worden vervangen door een ader uit zijn lies. Deze is smaller dan de halsslagader waardoor de benadeelde de rest van zijn leven bloedverdunners moet slikken om het bloed goed door deze ader te laten stromen. Na ontslag uit het ziekenhuis volgde een lang revalidatieproces. De benadeelde heeft als gevolg van de kogel in zijn been opnieuw moeten leren lopen.

Uit een bericht van de psycholoog [deskundige] is gebleken dat de benadeelde partij last heeft van herbelevingen, hyperalertheid en affectvervlakking, klachten die het meest passen bij een posttraumatische stress stoornis.

Dit resulteert er in dat de vordering dan ook deels zal worden toegewezen tot een bedrag van € 27.827,86, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank, gelet op artikel 6:166 BW, bepalen dat indien de medeverdachte [medeverdachte] dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

De benadeelde partij kan het deel van de vordering dat tot niet-ontvankelijkheid heeft geleid desgewenst bij de civiele rechter aanbrengen.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen poging tot moord] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 45, 47, 57, 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

12 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 3.4 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

  • -

    1 STK Bromfiets (1157138)

  • -

    1 STK Windscherm (1157152)

  • -

    1 STK Beenhoes (1157154)

  • -

    1 STK Helm (1157158

Onttrekt aan het verkeer:

1 STK Imitatiewapen (1160799)

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 27.827,86 (zevenentwintigduizend achthonderdzevenentwintig euro en zesentachtig cent), bestaande uit € 2.827,86 (achtentwintighonderd zevenentwintig euro en zesentachtig cent) als vergoeding voor de materiële en € 25.000,- (vijfentwintigduizend euro) als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Wijst af de gevorderde proceskosten.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 27.827,86 (zevenentwintigduizend achthonderdzevenentwintig euro en zesentachtig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 174 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen onder 6 tot en met 11 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

  • -

    1 STK Mes (1157156)

  • -

    1 STK Jas (1160785)

  • -

    1 STK Capuchon (1168950)

  • -

    1 STK Joggingbroek (1160790)

  • -

    1 STK Schoudertas (1160794)

  • -

    1 PR Sportschoenen (1160766).

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.M. Steinhaus, voorzitter,

mr. S.J. Riem en mr. N.M.L. Rogmans, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier G.A.M. Delis,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 april 2021.

Mr. S.J. Riem is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.