Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:2758

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-03-2021
Datum publicatie
02-04-2021
Zaaknummer
20.011157
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Rekestprocedure
Beschikking
Inhoudsindicatie

Klaagschrift art. 552a Sv. Beklag sieraden niet-ontvankelijk, omdat het pad ter zitting mondeling is gedaan. Beklag deel geldbedrag van een ander ongegrond. Beklag resterend deel geldbedrag ongegrond, want niet hoogst onaannemelijk dat de strafrechter later bedrag verbeurd zal verklaren.

Beklag tegen conservatoir loonbeslag gegrond. De rechter dient ook de proportionaliteit en subsidiariteit van het (voortzetten van het) gelegde beslag te beoordelen, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen. Omstandigheden meegewogen. O.a. feit dat na 4 jaar nog geen concreet zicht is op een inhoudelijke behandeling van de strafzaak.

De beklagprocedure mag naar het oordeel van de rechtbank niet verworden tot een in de praktijk kansloze procedure, want dat levert een schending op van artikel 13 EVRM, vanwege het ontbreken van een daadwerkelijk rechtsmiddel (“effective remedy”) voor klager om zijn recht te halen. Onder de geschetste omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het in dit geval niet proportioneel is om het conservatoir beslag onder de werkgever van klager te laten voortduren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Enkelvoudige raadkamer

Registratienummer: 20.011157

Parketnummer: 15.860169.17

Uitspraakdatum: 31 maart 2021

Beschikking (art. 552a Sv.)

1 Ontstaan en loop van de procedure

Op 22 december 2020 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland ingekomen een klaagschrift van mr. P.H. Visser, gemachtigde van

[E] , klager,

geboren op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

domicilie kiezende te (1521 DL) Wormerveer, Zaanweg 48,

ten kantore van mr. P.H. Visser, advocaat.

Het klaagschrift strekt tot opheffing van het daarop gelegde beslag, met last tot teruggave aan klager van:

- € 12.000,-;

- € 5.000,-;

- ingehouden en onder het (loon)beslag afgedragen gelden bij de werkgever van klager.

Op 8 maart 2021 is dit klaagschrift op een openbare zitting in raadkamer behandeld. Toen bleek dat de voor belanghebbende Bal opgeroepen tolk door een fout van de rechtbank op de locatie Haarlem was opgeroepen. De behandeling van het klaagschrift is vervolgens aangehouden.

Op 17 maart 2021 is het klaagschrift opnieuw op een openbare zitting in raadkamer behandeld. Klager is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P.H. Visser voornoemd.

Tevens zijn aanwezig [B], opgeroepen als belanghebbende, [M], tolk in de Turkse taal, en de officier van justitie, mr. C. van Venrooij.

2 Feiten en standpunten

2.1.

Uit het procesdossier en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Tegen klager bestaat een verdenking van witwassen die ontstond in het kader van het strafrechtelijk onderzoek tegen zijn neef [S]. De verdenking luidt dat [S] als werknemer van Joh. Enschede in januari 2017 voor ongeveer € 2.000.000,- aan bankbiljetten heeft gestolen/verduisterd. Een groot deel van die buit werd meteen teruggevonden, maar een gedeelte, groot € 375.000,-, is tot op heden onvindbaar. Het onderzoek richtte zich dan ook mede op het terugvinden van dat geld.

2.2.

In juli 2017 bleek dat klager op het punt stond met [S] per auto te vertrekken naar Turkije en dat een deel van de buit mogelijk mee zou gaan. Vervolgens zijn op 27 juli 2017 klagers woning en auto doorzocht. In klagers auto werd in meerdere verstopplaatsen in totaal € 30.000,- aan vijftig eurobiljetten aangetroffen. Die biljetten bleken afkomstig van de diefstal bij Joh. Enschede.

In klagers woning werd een geldbedrag van € 12.000,- aan contanten inbeslaggenomen dat werd aangetroffen in een zak in een afgesloten koof van de afzuigunit in de keuken (200 x € 50,- en 4 x € 500,-).

In de broekzak van klager werd nog eens een geldbedrag van € 5.215,- (8 x € 500, 20 x € 50,-, 7 x € 20,-, 7 x € 10,- en 1 x € 5,-) aangetroffen en inbeslaggenomen. Daarnaast werden verschillende in de woning van klager aangetroffen sieraden inbeslaggenomen.

2.3.

Op 5 november 2020 is conservatoir (loon)beslag gelegd onder de werkgever van klager, gericht op het loon van klager.

Het standpunt van klager

2.4.

Namens klager heeft zijn advocaat, onder overlegging van een pleitnota en onderbouwd met bescheiden, opheffing en teruggave van de conservatoire beslagen bepleit, omdat:

  • -

    bij gebreke van een verband tussen het in beslag genomen geld en de verdenking van witwassen ook het strafvorderlijk belang ontbreekt;

  • -

    een deel (€ 7.000,-) van het in de woning aangetroffen geldbedrag (€ 12.000,-) toebehoort aan de neef van klager, [B], en klager zich ten aanzien van dit bedrag verantwoordelijk acht dit bedrag aan zijn neef uit te betalen;

  • -

    het onder klager aangetroffen geldbedrag (€ 5.000,-) spaargeld betrof van klager en zijn echtgenote;

  • -

    het leggen van loonbeslag na vier jaar en het handhaven van het reeds gelegde beslag na meer dan vier jaar onredelijk en buitengewoon disproportioneel is te noemen.

2.5.

Ter zitting heeft de raadsman in raadkamer mondeling verzocht de in beslag genomen sieraden te retourneren aan klager dan wel zijn echtgenote, omdat de meeste sieraden afkomstig zijn van hun huwelijksfeest in 1999 dan wel voor 2017 ten behoeve van zijn echtgenote en dochter zijn aangeschaft en de voortduring van het beslag geen strafvorderlijk doelt dient.

Standpunt officier van justitie

2.6.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard. Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat mede in aanmerking nemend het summiere karakter van de beklagprocedure, de beklagrechter niet ten grond mag treden in de mogelijke uitkomst van de strafzaak, en dat het gelet op de aard van het delict en de omstandigheden in deze zaak het in de rede ligt dat verbeurdverklaring van de geldbedragen en (mede) een geldboete zal worden gevorderd, dan wel een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden ingediend, terwijl het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat deze vorderingen zullen worden toegewezen. Het conservatoir beslag inclusief het loonbeslag dient ter voldoening daarvan te worden aangewend.

3 Beoordeling en toetsingskader

Ontvankelijkheid beklag sieraden

3.1.

Ingevolge art. 552a, eerste lid, Sv kunnen belanghebbenden zich schriftelijk beklagen. In het derde lid van voornoemd artikel is bepaald dat het klaagschrift moet worden ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg. De wet kent niet de mogelijkheid dat een verzoek tot teruggave mondeling wordt gedaan, ook niet in aanvulling op het klaagschrift. Dat betekent dat klager niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het mondeling gedane beklag ten aanzien van de sieraden.

Ontvankelijkheid geldbedrag C. Bal

3.2.

De wet kent niet de mogelijkheid van een last tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen aan een ander dan degene die een klaagschrift strekkende tot teruggave heeft ingediend. Het klaagschrift moet daarom ongegrond worden verklaard, voor zover het betrekking heeft op het geldbedrag van € 7.000,- dat volgens klager toebehoort aan belanghebbende [B]. Overigens merkt de rechtbank op dat een door [B] ingediend klaagschrift over hetzelfde bedrag bij beschikking van 22 juni 2020 ongegrond is verklaard.

Inhoudelijk over het strafvorderlijk beslag

3.3.

De beoordeling van het klaagschrift dient te gebeuren volgens de maatstaf, zoals opgenomen in het door de Hoge Raad op 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, gewezen overzichtsarrest. Daarin heeft de Hoge Raad overwogen dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofdzaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofdzaak te geven oordeel.

3.4.

In deze procedure dient de rechtbank allereerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor - in dit geval - artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Concreet dient de rechtbank in dit geval te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de in beslag genomen gelden (€ 5.000,- en € 5.000,- van € 12.000,-) zal bevelen.

3.5.

Uit de zich op dit moment in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de inbeslaggenomen gelden verbeurd zal verklaren. Immers, uit de stukken in het dossier blijkt dat klager wordt verdacht van witwassen van verduisterd geld. De in beslag genomen gelden zouden dan door middel van of uit de baten van witwassen zijn verkregen. De wisselende verklaringen die klager heeft afgelegd over de herkomst van het geld versterken dit oordeel.

Het beklag dient daarom ongegrond te worden verklaard.

Inhoudelijk over het conservatoire beslag op het loon van klager

3.6.

Bij exploot van 5 november 2020 heeft de deurwaarder op verzoek van de officier van justitie conservatoir derdenbeslag gelegd onder de werkgever van klager. Het beslag is gegrond op de machtiging van de rechter-commissaris en in zoverre rechtmatig gelegd.1

Ten tijde van deze beslissing gaat het om een verdenking van witwassen. Dat is een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Gelet op het marginale onderzoek dat de rechtbank dient uit te voeren, is het oordeel dat het op dit moment niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later inhoudelijk oordelend, de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete of de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.2 Dat oordeel wordt nog versterkt door de inhoud van een memo van 1 maart 2021 dat de officier van justitie heeft opgesteld als reactie op het klaagschrift.

3.7.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de rechter ook de proportionaliteit en subsidiariteit van het (voortzetten van het) gelegde beslag te beoordelen, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen.3 Daarbij kan het gaan om de verhouding tussen de waarde van de in beslag genomen voorwerpen en de hoogte van het te ontnemen bedrag, maar ook om de belangen van strafvordering aan de ene kant en de persoonlijke belangen van de verdachte aan de andere kant.4 Op die omstandigheden is door klager een beroep gedaan.

3.8.

In dit geval houdt de rechtbank rekening met de volgende omstandigheden.

3.8.1.

Uit de ter beschikking staande stukken volgt dat de verdenking ziet op een bedrag van ongeveer € 375.000,- dat van Johan Enschedé is gestolen/verduisterd in dienstbetrekking en dat vervolgens zou zijn witgewassen. Klager is niet de hoofdverdachte, maar de medeverdachte in het lopende onderzoek. Dat onderzoek is voor klager begonnen met de doorzoekingen op 27 juli 2017. Er is sinds die tijd ten aanzien van klager nog geen rapport wederrechtelijk voordeel opgemaakt.5 Het is zeer de vraag of klager voor het gehele bedrag zal kunnen worden aangesproken, gelet op zijn rol, die op dit moment uit het onderzoek blijkt. Tijdens de raadkamerzitting kon de officier van justitie niet aangeven welk deel van het gestolen bedrag aan klager wordt toegerekend; vooralsnog wordt hij van medeplegen van witwassen van het gehele bedrag verdacht en is er geen onderscheid gemaakt.

3.8.2.

Onder klager is in totaal € 47.215,- in beslag genomen, dat nog onder beslag zal blijven liggen.

3.8.3.

De verdenking en de strafrechtelijke vervolging hebben voor klager tot grote spanningen binnen zijn huwelijk geleid. Daarbij moet bedacht worden dat de hoofdverdachte familie van de vrouw van klager is. In maart 2020 is klager gescheiden. Uit de stukken in het dossier blijkt dat sinds 5 november 2020 maandelijks van zijn netto-salaris van € 2.750,- een bedrag van ongeveer € 1.700,- wordt ingehouden. Klager leeft sindsdien van de beslagvrije voet van € 1.048,-. Klager woont nu op een gehuurde kamer en is financieel niet in staat om alimentatie voor zijn dochter en zoon te betalen.

3.8.4.

Tijdens de raadkamerzitting deelde de officier van justitie mee dat de inhoudelijke behandeling van de zaak waarschijnlijk na de zomer 2021 zal plaatsvinden en dat samen met de rechtbank wordt gezocht naar een geschikte datum.

In overleg met de advocaat en de officier van justitie heeft de rechtbank na afloop van de mondelinge behandeling van het klaagschrift contact opgenomen met de planningsadministratie. Meegedeeld werd dat er door het OM nog geen dossier was aangeleverd en dat er nog niet gepland kon worden. De verwachting werd uitgesproken dat het onwaarschijnlijk is dat er in 2021 een inhoudelijke behandeling zal kunnen plaatsvinden. De rechtbank laat in het midden of het een gebrek aan zittingsmogelijkheden aan de kant van de rechtbank is, of dat er op dit moment om andere redenen nog niet daadwerkelijk gepland kan worden. Feit is dat er geen zittingsdatum bekend is en dat het vooralsnog dus niet mogelijk is gebleken om deze zaak binnen een termijn van vier jaar op zitting te brengen.

3.8.5.

Al helemaal niet duidelijk is of een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen klager zal worden ingediend en zo ja, voor welk bedrag en wanneer dat is te verwachten.

3.8.6.

Ten slotte staat op grond van de overgelegde stukken en de verklaring van klager ter zitting vast dat hij meer dan 20 jaar voor deze werkgever werkt. Het is niet te verwachten dat hij daar niet meer zal werken of dat klager geen inkomsten meer zal hebben, mocht het in de toekomst tot een veroordeling komen, waarbij een bedrag verhaald moet worden.

3.9.

Zoals hiervoor omschreven is de toetsingsmaatstaf dat een beklag uitsluitend gegrond is, indien het hoogst onaannemelijk is dat de strafrechter later oordelend, aan de verdachte (klager) een verplichting tot betaling van een geldboete of de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Dat is een - voor klager - strenge maatstaf. Dat is te billijken, als de strafzaak binnen enige tijd na het beslag zal worden behandeld. Maar op dat punt is er geen “equality of arms”. Klager kan namelijk op geen enkele manier daadwerkelijke invloed uitoefenen op het moment, waarop zijn strafzaak inhoudelijk aan de strafrechter zal worden voorgelegd. Hij heeft wel recht op de behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn volgens artikel 6 EVRM, maar voorafgaand daaraan staat een klager over een gelegd beslag feitelijk met lege handen.

En hoewel het gaat om een conservatoir beslag waarop de regels van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering van toepassing zijn, heeft klager ook geen mogelijkheid om zijn verzoek tot opheffing van het beslag in kort geding aan de burgerlijke rechter voor te leggen. De beklagprocedure van artikel 552a Sv wordt immers geacht een procedure te zijn die met voldoende waarborgen is omkleed. De beklagprocedure mag naar het oordeel van de rechtbank echter niet verworden tot een in de praktijk kansloze procedure, want dat levert een schending op van artikel 13 EVRM, vanwege het ontbreken van een daadwerkelijk rechtsmiddel (“effective remedy”) voor klager om zijn recht te halen.

3.10.

Onder de hiervoor onder 3.8.1 t/m 3.8.6 omschreven omstandigheden en de in 3.9 weergegeven uitgangspunten, is de rechtbank van oordeel dat het in dit geval niet proportioneel is om het conservatoir beslag onder de werkgever van klager te laten voortduren. De belangen van klager wegen in dit geval zwaarder dan die van strafvordering. In zoverre is het klaagschrift daarom gegrond en zal worden beslist dat het beslag met ingang van 1 maart 2021 moet worden opgeheven. Indien de inhouding voor de maand maart 2021 al heeft plaatsgevonden, dient de officier van justitie het ontvangen bedrag van die inhouding aan klager over te maken.

4 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn mondeling beklag dat betrekking heeft op het beslag op de sieraden;

- verklaart het klaagschrift deels gegrond voor zover het betrekking heeft op het conservatoir loonbeslag,

- heft op het daarop gelegde beslag met ingang van 1 maart 2021,

- gelast de teruggave aan klager van de reeds geinde loonbedragen vanaf 1 maart 2021;

- verklaart het klaagschrift voor het overige ongegrond.

5 Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven door

mr. L.J. Saaarloos, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.P. van Os, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2021.

Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.

Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na dagtekening van deze beschikking.

1 Art. 94a en art. 103 Sv

2 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823

3 Sinds HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB9890, recent nog in: HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:915

4 Af te leiden uit HR 24 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS9296

5 Wel voor de hoofdverdachte, voor een bedrag van € 375.000,-