Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:2729

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
01-04-2021
Zaaknummer
15/743219-13 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontneming in onderzoek Aisne

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar en locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/743219-13 (ontneming) (P)

Uitspraakdatum : 1 april 2021

vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie van 17 maart 2021 ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld 36e leden 2 en 3 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

(hierna ook te noemen [verdachte] of veroordeelde).

1.De vordering

De officier heeft bij vordering van 23 februari 2021 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, lid 5 Sr zal vaststellen op € 247.842,00 en dat aan veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De officier van justitie baseert de vordering op de strafbare feiten waarvoor [verdachte] is gedagvaard om op 16 maart 2021 te verschijnen voor de meervoudige strafkamer in deze rechtbank.

2.Het verloop van de procedure

De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van veroordeelde om te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank op 16 maart 2021. Vanwege de totale omvang van de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaken, die gelijktijdig zijn behandeld, is veroordeelde ook opgeroepen voor 17 en 18 maart 2021.

Het onderzoek (in de ontnemingszaak) heeft plaatsgevonden op 17 maart 2021. Daarbij zijn gehoord veroordeelde, zijn raadsman mr. J.H.S. Vogel, advocaat te Rotterdam, en de officier van justitie.

Vervolgens is het onderzoek op 18 maart 2021 gesloten en is de uitspraak bepaald op 1 april 2021.

3.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering naar beneden bijgesteld tot een bedrag van € 224.935,00. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat abusievelijk de ‘NIBUD kosten’ over het hele jaar 2013 zijn berekend terwijl de kasopstelling is gebaseerd op de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 juni 2013. Voorts is een bedrag van € 20.789,00 aan huurbetalingen voor het pand aan de [adres] ten onrechte en in het nadeel van veroordeelde, dubbel in de berekening opgenomen.

4.Het standpunt van veroordeelde en zijn raadsman

De verdediging heeft primair betoogd dat [verdachte] in de hoofdzaak moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde (hennephandel). Dit is het hoofdfeit waaraan de ontnemingsvordering is gekoppeld zodat in geval van een vrijspraak voor dit feit, de vordering moet worden afgewezen. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat [verdachte] zijn boekhouding/administratie niet goed op orde had en dat hij wel legaal inkomen uit zijn growshop heeft gegenereerd. De berekening van het (negatieve) inkomen zoals vermeld in de ontnemingsrapportage is dan ook niet juist. Tot slot heeft de verdediging naar voren gebracht dat [verdachte] al een schuld heeft van ruim € 220.000,00. Een eventuele verplichting tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel zal hij nooit kunnen nakomen. Om die reden verzoekt de verdediging subsidiair het te ontnemen bedrag te matigen.

5. De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel

5.1 Grondslag van de vordering

Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, en gelet op hetgeen de officier van justitie ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat het een vordering betreft als bedoeld in artikel 36e, derde lid, Sr. Dat betekent dat, uitgaand van een veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, is beoogd dat aan veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De wettelijke maatstaf daarvoor is dat aannemelijk is dat dit misdrijf of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft gekregen.

De vordering is gebaseerd op een onderzoek waarbij als onderzoeksperiode is gehanteerd de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 juni 2013.

Bij gelijktijdig gewezen vonnis van deze rechtbank van 1 april 2021 is [verdachte] onder meer veroordeeld voor – kort gezegd – hennephandel (grote hoeveelheid) (feit 1) en het aanwezig hebben van 12.984 gram hennep (feit 2).

De pleegperiode van de bewezenverklaarde feiten strekt zich wat betreft de handel in hennep uit over de periode 5 februari 2013 tot en met 19 september 2013. De pleegdatum van het aanwezig hebben van hennep is 19 september 2013. De bewezenverklaring heeft, voor zover het de feiten 1 en 2 betreft, betrekking op delicten die worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. Er is gelet op het voorgaande sprake van een vordering die, meer in het bijzonder, is gebaseerd op een berekening als bedoeld in artikel 36e, derde lid, onder a Sr.

5.2 De ontnemingsrapportage

Op 19 mei 2015 heeft de verbalisant [naam verbalisant] , financieel rechercheur bij de financiële recherche van de politie Noord-Holland, een rapport opgesteld betreffende het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit rapport zal hierna worden aangehaald als de ontnemingsrapportage.

Bij het rapport zijn diverse bijlagen gevoegd, ontleend aan het dossier met betrekking tot de onderliggende strafzaak tegen veroordeelde. De rechtbank heeft bovendien de beschikking gehad over het volledige dossier van de strafzaak.

Bij het berekenen door de officier van justitie van het wederrechtelijk verkregen voordeel is de methode van de eenvoudige kasopstelling gebruikt. Dit betreft een abstracte berekeningsmethode, waarbij uit de vergelijking van de contante uitgaven met de legale contante ontvangsten wordt afgeleid tot welk bedrag veroordeelde onverklaarbare inkomsten heeft gekregen en waarbij geen directe relatie wordt gelegd tussen concreet aanwijsbare strafbare feiten en deze onverklaarbare inkomsten, maar wel een criminele herkomst wordt aangenomen.

5.3 De beoordeling

Naar aanleiding van de vordering en het onderzoek ter terechtzitting is voldoende aannemelijk dat [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen uit de baten van het onder 1 in de strafzaak bewezenverklaarde feit alsmede van andere strafbare feiten. Dit voordeel moet hem worden ontnomen.

De rechtbank grondt dit oordeel op de feiten en omstandigheden die in de ontnemingsrapportage zijn opgenomen en ontleent aan de inhoud daarvan, met inachtneming van het navolgende, tevens de schatting van bedoeld voordeel.

In de ontnemingsrapportage is het wederrechtelijk verkregen voordeel over de

onderzoeksperiode van 1 januari 2010 tot en met 30 juni 2013 als volgt berekend (eenvoudige kasopstelling zoals weergegeven op pagina 13 van het ontnemingsrapport).

Beginsaldo kas € -

Inkomen uit onderneming 2010-2013

2010 € 1.856-

2011 € 11.816-

2012 € 53.201-

2013 € 14.805-

€ 81.678-

Contante opnames bank [verdachte]

2010 € 4.890

2011 € 2.310

2012 € 3.060

2013 € -

€ 10.260

Contante opnames bank [ex-partner verdachte]

€ 325

€ 325

Totaal contant beschikbaar 2010-2013 71.093-

Contant geld aangetroffen per 20 januari 2014

€ 4.110

€ 4.110-

Contante stortingen

2010 € 13.895

2011 € 22.000

2012 € 18.400

2013 € 18.780

€ 73.075

Contante uitgaven

aangetroffen contante facturen € 40.369

NIBUD € 16,800

Aankoop Zhenua € 5.000

Aanschaf Ford Fiesta € 13.295

Aanschaf Volkswagen Caddy 1 € 8.500

Aanschaf en renovatie Quicksilver € 1.950

Huur [adres] Den Helder € 21.870

€ 107.784

Totaal contante uitgaven 2010-2013 176.749

Beschikbaar kassaldo 247.842-

Beoordeling kasopstelling en verweren

Het verweer dat de vordering moet worden afgewezen als [verdachte] van feit 1 in de strafzaak zou worden vrijgesproken vindt zijn weerlegging reeds in de veroordeling die de rechtbank heden voor dit feit heeft uitgesproken.

De onderhavige zaak kenmerkt zich verder door het volgende. Gedurende de periode waarop de ontnemingsrapportage ziet dreef [verdachte] een zogenoemde growshop ( [naam growshop] ), een destijds in beginsel legale bezigheid. In de ontnemingsrapportage wordt ervan uitgegaan dat [verdachte] uit deze growshop een ‘negatief inkomen’ genereerde. De schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel is in de ontnemingsrapportage voor een aanzienlijk deel gebaseerd op de omvang van dit gestelde negatieve inkomen.

Inkomen uit de growshop en huur [adres] Den Helder

Bij de berekening van het inkomen dat veroordeelde uit de growshop genoot, is voor de jaren 2010 en 2011 gebruik gemaakt van IB-aangiften en van de digitale administratie zoals die destijds is aangeleverd door de toenmalig accountant van veroordeelde. Uit het dossier blijkt dat er over de jaren 2012 en 2013 nog geen IB-aangiften bekend waren en dat ook de administratie van de growshop over die periode nog niet was verwerkt door de toenmalige accountant van [verdachte] . In de ontnemingsrapportage is het (negatieve) inkomen over 2012 en 2013 (tot 1 juli) daarom berekend aan de hand van de nog niet verwerkte administratie die bij de toenmalige accountant van [verdachte] is verkregen op basis van een vordering ex artikel 126nd Wetboek van Strafvordering (Sv).

Ter terechtzitting heeft de verdediging ter betwisting van het berekende negatieve inkomen betoogd dat [verdachte] zijn boekhouding/administratie in de periode waarop de ontnemingsvordering ziet, niet op orde had en dat hij legale inkomsten uit de growshop genoot. De berekening van het inkomen zoals vermeld in de ontnemingsrapportage is dan ook niet juist volgens de verdediging. Daarbij is aangevoerd dat de aan- en verkopen vrijwel zonder uitzondering contant werden gedaan maar de registratie daarvan niet goed door de veroordeelde is bijgehouden. De rechtbank is van oordeel dat deze stelling niet zonder meer onaannemelijk is gelet op het volgende. Gezien de aard van de branche waarin [verdachte] met zijn growshop werkzaam was, gaat de rechtbank ervan uit dat een zeer groot deel van de betalingen contant gebeurde. Destijds was de verkoop van bepaalde producten ten behoeve van de hennepkweek weliswaar niet illegaal, maar de kweek van de hennep was dat in beginsel wel. De afnemers van de growshop hadden er dus alle baat bij om ‘onder de radar’ te blijven en betalingen contant te doen. Het bijhouden van een dergelijke, op een grotendeels contante bedrijfsvoering gebaseerde, administratie vergt de nodige nauwkeurigheid en precisie. Dat het [verdachte] daaraan heeft ontbroken neemt de rechtbank aan, gelet ook op hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen en de indruk die hij aldaar heeft gemaakt. Zo is tijdens de terechtzitting gebleken dat [verdachte] thans een zeer aanzienlijke – en tot aan de zitting zelfs voor zijn advocaat onbekende – schuld heeft (van ruim € 220.000,-) die mede lijkt te zijn veroorzaakt doordat hij onvoldoende in staat is zijn zaken ‘op orde te hebben en houden’. De rechtbank acht het dan ook niet onaannemelijk dat [verdachte] een hoger - althans, ‘minder negatief’ - inkomen heeft gehad dan waarvan in de ontnemingsrapportage is uitgegaan. Hierbij heeft de rechtbank nog in aanmerking genomen dat het thans, bijna acht jaar na het einde van de periode waarop de ontnemingsrapportage ziet, voor de verdediging moeilijk, zo niet onmogelijk is de betwisting van de berekening van het negatief inkomen nader met stukken te onderbouwen. Dit laatste geldt te meer gelet op de hiervoor al genoemde hoofdzakelijk contant gevoerde bedrijfsvoering.

Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel, zal de rechtbank – in het voordeel van [verdachte] – ervan uitgaan dat [verdachte] geen negatief inkomen uit zijn onderneming heeft gehad en dit inkomen op nihil stellen. Verder zal de rechtbank de direct met dit inkomen samenhangende post ‘huur [adres] Den Helder’ (het bedrijfspand van veroordeelde) buiten beschouwing laten. Ten overvloede merkt de rechtbank daarbij op, overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie, dat deze huurkosten in de kasopstelling (in het nadeel van veroordeelde) dubbel waren meegenomen.

Nibud

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de post ‘NIBUD’ naar beneden moet worden bijgesteld omdat kennelijk abusievelijk is uitgegaan van het volledige jaar 2013 terwijl de ‘ontnemingsperiode’ loopt tot 1 juli 2013. De rechtbank zal de hoogte van deze post dan ook verlagen met een bedrag van € 2.118,00 (zijnde de helft van het NIBUD-bedrag dat met betrekking tot het jaar 2013 in de ontnemingsrapportage is meegenomen).

Ford Fiësta

De rechtbank acht het onvoldoende aannemelijk geworden dat de kosten voor de aanschaf van de Ford Fiësta daadwerkelijk ten laste van [verdachte] zijn gekomen, en zal deze post buiten beschouwing laten bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Voor het overige gaat de rechtbank uit van de posten en bedragen zoals die in de hiervoor weergegeven eenvoudige kasopstelling zijn opgenomen. Deze posten zijn ook niet door de verdediging betwist.

Conclusie schatting wederrechtelijk verkregen voordeel

Resumerend komt de rechtbank tot de volgende berekening.

Beginsaldo kas € -

Inkomen uit onderneming 2010-2013 € 0

Contante opnames bank [verdachte] € 10.260

Contante opnames bank [ex-partner verdachte] € 325

Totaal contant beschikbaar 2010-2013 € 10.585

Contant geld aangetroffen per 20 januari 2014 € 4.110-

Contante stortingen € 73.075

Contante uitgaven

aangetroffen contante facturen € 40.369

NIBUD € 14.682

Aankoop Zhenua € 5.000

Aanschaf Volkswagen Caddy € 8.500

Aanschaf en renovatie Quicksilver € 1.950

Totaal contante uitgaven 2010-2013 € 139.466

Beschikbaar kassaldo € 128.881-

Gelet op het voorgaande kan worden vastgesteld dat [verdachte] in de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 juni 2013 een bedrag van € 128.881,00 meer heeft uitgegeven dan uit de gebleken inkomsten valt te verklaren. Bij gebreke van een andere aannemelijke verklaring komt de rechtbank tot het oordeel dat dit onverklaarbare negatieve kasverschil slechts kan zijn veroorzaakt door een criminele bron of bronnen van inkomsten.

Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode 1 januari 2010 tot en met 30 juni 2013 wordt aldus berekend op € 128.881,00.

6 Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen.

Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden, op grond waarvan het door veroordeelde te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel. Ten overvloede merkt de rechtbank daarbij op dat de overschrijding van de redelijke termijn is gecompenseerd in de strafzaak tegen [verdachte] , waarin eveneens op 1 april 2021 uitspraak is gedaan.

De rechtbank zal gelet op het vorenstaande het door veroordeelde te betalen bedrag vaststellen op € 128.881,00.

7 Toepasselijke wettelijke bepaling

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank:

Stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op € 128.881,00 (zegge honderdachtentwintigduizend achthonderdeenentachtig euro).

Legt aan veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 128.881,00 (zegge honderdachtentwintigduizend achthonderdeenentachtig euro) ter ontneming van door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.

Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. Mateman, voorzitter,

mr. M. Hoendervoogt en mr. T. de Bont, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.L. de Vries,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 april 2021.

1 In het rapport zijn de bedragen achter de ‘Caddy’ en ‘Quicksilver’ abusievelijk verwisseld. De rechtbank heeft deze kennelijke verschrijving hersteld.