Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:2727

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
01-04-2021
Zaaknummer
15/800427-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

medeplegen van mishandeling met voorbedachten raad. Aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar en locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800427-15 (P)

Uitspraakdatum: 1 april 2021

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 16 en 18 maart 2021 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. T.M. Fikkers en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. H. Teunisse, advocaat te Den Helder, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 september 2015 te Den Helder tezamen en in vereniging

met een of meer anderen, althans alleen, met voorbedachten rade, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, (telkens):

- op tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of stompen en/of schoppen en/of

- met een vuurwapen op/tegen het hoofd te slaan en/of

- vast te pakken en/of te duwen en/of over de grond te slepen en/of

- met een of meer (honkbal)knuppel(s) en/of met een of meer schep(pen), althans harde voorwerpen op/tegen het hoofd en/of tegen het lichaam te slaan (ook terwijl die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] op de grond lag/lagen).

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het feit moet worden vrijgesproken. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte in de winkel was omdat (toenmalig) medeverdachte [medeverdachte 2] daar spullen wilde kopen, dat hij niet wist dat de anderen van plan waren om de twee aangevers te mishandelen en dat hij niet aan de mishandeling heeft meegedaan.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.2

Bewijsoverweging

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij niet wist dat er in de growshop een mishandeling zou plaatsvinden en dat hij niet heeft deelgenomen aan de mishandeling, ongeloofwaardig. Uit de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] volgt dat sprake was van een vooropgezet plan om de aangevers te mishandelen. De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan dan dat ook verdachte op voorhand wist dat de aangevers zouden worden mishandeld. Verdachte is 2 uur en 30 minuten in de growshop geweest alvorens de mishandeling plaatsvond. In die tijd zijn er meerdere verdachten binnengekomen, werden er door medeverdachten (bivak)mutsen opgezet, hebben meerdere verdachten scheppen en knuppels gepakt en is in de winkel ruimte gemaakt door een tafel te verschuiven. De verklaring van verdachte ter zitting dat hij daarvan niets heeft gemerkt is, gezien de grootte van de growshop en in het licht van de verklaring van (destijds) medeverdachte [medeverdachte 2] dat gezegd was dat ze niets hoefden te doen maar dat ze moesten blijven (B-05, p. 110-114), ongeloofwaardig. Vervolgens hebben de aangevers verklaard dat verdachte ook zelf heeft geslagen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 12 september 2015 te Den Helder tezamen en in vereniging met anderen, met voorbedachten rade, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal:

- tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en stompen en schoppen en

- met een wapen tegen het hoofd te slaan en

- vast te pakken en te duwen en over de grond te slepen en

- met knuppels en met scheppen tegen het hoofd en/of tegen het lichaam te slaan, ook terwijl die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] op de grond lagen.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van mishandeling, gepleegd met voorbedachten raad.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 87 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en tot een taakstraf van 200 uur, bij niet verrichten te vervangen door 100 dagen hechtenis.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om verdachte een voorwaardelijk taakstraf op te leggen met een proeftijd van één jaar. Gelet op de enorme overschrijding van de redelijke termijn is het niet passend om een voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan mishandeling met voorbedachte raad. Verdachte en zijn mededaders (een groep van in totaal minimaal zeven personen) hebben de twee slachtoffers naar een growshop laten komen, waar kort daarvoor de nodige voorbereidingen waren getroffen voor een confrontatie. Zo is er onder meer ruimte gemaakt door een tafel te verplaatsen, zijn er voorwerpen (schep en knuppel) gepakt en hebben enkele verdachten bivakmutsen opgezet. De twee slachtoffers zijn bij binnenkomst direct geslagen en geschopt. Daarbij zijn scheppen en knuppels gebruikt. Ook nadat de twee slachtoffers op de grond lagen, zijn verdachte en zijn mededaders de slachtoffers blijven schoppen en slaan. Dit alles moet zeer bedreigend en angstaanjagend voor de slachtoffers zijn geweest. De slachtoffers hebben als gevolg van de mishandeling letsel opgelopen en pijn ondervonden.

Uit het dossier blijkt dat de geplande confrontatie met de slachtoffers een reactie was op hetgeen zich de avond ervoor had afgespeeld. Op die avond had één van de slachtoffers een geldbedrag van medeverdachte [medeverdachte 1] geëist en hem daarbij met de dood bedreigd. Verdachte en zijn mededaders wilden door middel van de confrontatie de slachtoffers afschrikken om nog verdere stappen te ondernemen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij is ingegaan op het verzoek van medeverdachte [medeverdachte 1] om bij de confrontatie aanwezig te zijn. In plaats van het inroepen van de hulp van de politie hebben verdachte en zijn mededaders voor eigen rechter gespeeld.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 10 februari 2021, waaruit blijkt dat verdachte na dit feit niet meer met justitie in aanraking is geweest wegens een geweldsdelict.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met het feit dat de mishandeling en bedreiging er vooral op waren gericht de slachtoffers af te schrikken en dat de slachtoffers (daardoor) geen zwaar letsel hebben opgelopen. Daarbij komt dat op basis van het dossier voldoende aannemelijk is dat de slachtoffers zelf ook niet van onbesproken gedrag waren. Ondanks deze omstandigheden rechtvaardigt de ernst van de feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die aanmerkelijk langer is dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De rechtbank ziet echter in het enorme tijdsverloop in deze zaak aanleiding om ten voordele van verdachte hiervan af te wijken. In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft hierbij te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van verdachte op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BD2578).

De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn is aangevangen op 22 september 2015, omdat verdachte op die datum in verzekering is gesteld in deze zaak en daaraan in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat jegens hem strafvervolging zou worden ingesteld. Nu het eindvonnis op 1 april 2021 wordt gewezen en de rechtbank van oordeel is dat de overschrijding niet aan verdachte valt toe te rekenen of anderszins is gebleken van bijzondere omstandigheden, is sprake van een aanzienlijk overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt deze overschrijding vast op 3 jaar en ruim 6 maanden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BD2578).

De aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn resulteert in deze zaak erin dat de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen die gelijk is aan het voorarrest van 4 dagen.

Verdachte heeft na dit feit – dat ruim 5,5 jaar geleden is gepleegd – geen nieuwe strafbare feiten gepleegd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om aan verdachte nu nog een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Wel is de rechtbank – anders dan de raadsman – van oordeel dat een onvoorwaardelijk taakstraf passend is. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit (naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 dagen die verdachte reeds heeft ondergaan) een taakstraf van 100 uur moet worden opgelegd.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

9, 22c, 22d, 47, 300 en 301 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 dagen.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 100 uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 50 dagen hechtenis.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Mateman, voorzitter,

mr. M. Hoendervoogt en mr. T. de Bont, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.L. de Vries,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 april 2021.