Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:2722

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-04-2021
Datum publicatie
02-04-2021
Zaaknummer
15/237684-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkort strafvonnis

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de opzettelijke invoer van cocaïne in Nederland door twee koeriers op verschillende data met cocaïne in dan wel op hun lichaam van Curaçao naar Nederland te laten reizen.

Gevangenisstraf van 14 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/237684-20

Uitspraakdatum: 2 april 2021

Tegenspraak

Verkort strafvonnis (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 maart 2021 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in [detentieadres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt van de officier van justitie, mr. C.C.A. Bos – van Hasselt en van hetgeen door de verdachte en mr. S. Bosmans, raadsvrouw van de verdachte, naar voren is gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 augustus 2020

tot en met 7 september 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in

Nederland en/of Curaçao, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en),

althans alleen, eenmaal of meermalen (telkens) opzettelijk binnen het

grondgebied van Nederland (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de

Opiumwet) heeft gebracht,

(de onder andere onder - de al dan niet reeds veroordeelde ((drugs)koeriers)

- [medeverdachte 1] (15-224398-20) en/of

- [medeverdachte 2] (15-224972-20) aangetroffen)

(een of meerdere) (grote) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans

bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst

1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Standpunten van partijen

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en een strafmaatverweer gevoerd.

4 Oordeel van de rechtbank

4.1

Bewijs

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.

4.2

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij in de periode van 21 augustus 2020 tot en met 7 september 2020 in Nederland en Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, de onder

- [medeverdachte 1] en

- [medeverdachte 2]

aangetroffen hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de straf

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de opzettelijke invoer van cocaïne in Nederland door twee koeriers op verschillende data met cocaïne in dan wel op hun lichaam van Curaçao naar Nederland te laten reizen. De verdachte is feitelijk opgetreden als begeleider en organisator van deze drugstransporten en nam dus een zodanige plaats in binnen de organisatie dat hij zelf niet het grootste risico liep. De rechtbank rekent de verdachte deze rol zwaar aan omdat zijn positie in een dergelijke organisatie onmisbaar is. Hij was immers degene die de personen die de cocaïne gingen smokkelen regelde, deze personen ook instructies gaf en contact over de smokkel onderhield met zijn medeverdachten.

Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van ook zware criminaliteit, zoals levensdelicten en ook de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Bij de keuze voor de aan de verdachte op te leggen straf en het bepalen van de hoogte en aard daarvan heeft de rechtbank als uitgangspunt genomen wat doorgaans wordt opgelegd voor het invoeren van harddrugs in Nederland. Daarbij heeft de rechtbank onder meer acht geslagen op de omstandigheid dat er twee keer cocaïne is ingevoerd: eenmaal 353,2 gram en eenmaal 710,7 gram.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 24 november 2020, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder voor opiumwetdelicten onherroepelijk tot straffen is veroordeeld;

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 15 maart 2021 van
[reclasseringswerker] verbonden aan GGZ Fivoor TBS Noord.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht,

artikel 2 en 10 van de Opiumwet.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5 vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.E. Francke, voorzitter,

mr. S. Sicking en mr. J. Uitermark, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.T. Sluis,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 april 2021.