Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:2600

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-03-2021
Datum publicatie
14-04-2021
Zaaknummer
C/15/314041 / KG ZA 21-117
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffen conservatoir beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/314041 / KG ZA 21-117

Vonnis in kort geding van 26 maart 2021

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. J.J. Kunst te Hoorn Nh,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.W.C. Berk te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding inclusief 17 producties,

  • -

    de nagezonden producties 18 tot en met 23 aan de zijde van [eiseres] ;

  • -

    de producties 1 tot en met 4 aan de zijde van [gedaagde] ,

  • -

    de mondelinge behandeling,

  • -

    de spreekaantekeningen aan de zijde van [eiseres] ,

  • -

    de spreekaantekeningen aan de zijde van [gedaagde] .

1.2.

Na uitroeping van de zaak zijn verschenen:

  • -

    [eiseres] , bijgestaan door mr. Kunst voornoemd,

  • -

    [gedaagde] , bijgestaan door mr. Berk voornoemd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Feiten

2.1.

[eiseres] is de moeder van [gedaagde] en de weduwe van diens vader [vader] (hierna: [vader] ).

2.2.

[vader] is op 24 januari 2018 overleden. [gedaagde] is tot erfgenaam benoemd voor een deel ter grootte van zijn legitieme portie en [eiseres] is tot erfgenaam benoemd voor het resterende gedeelte van de nalatenschap. [eiseres] is tevens benoemd tot executeur. [eiseres] heeft de nalatenschap zuiver aanvaard en zij heeft ook de benoeming tot executeur aanvaard. [eiseres] is daarmee als enige bevoegd de nalatenschap van [vader] te beheren en daarover te beschikken.

2.3.

Vader en zoon [gedaagde] dreven tot het overlijden van [vader] een vennootschap onder firma onder de naam: ‘VOF [gedaagde]’ (hierna: de VOF). De VOF legde zich toe op de inrichting en exploitatie van een paardenstalling aan de [adres] .

2.4.

De VOF is bij notariële akte van 23 juni 2004 opgericht. In de vennootschapsakte is, voor zover hier van belang, bepaald dat de VOF wordt ontbonden door het overlijden van een vennoot (artikel 13, lid 1, sub 9). De overblijvende vennoot heeft dan het recht om de onderneming van de vennootschap voort te zetten, alsmede om de activa die de vennootschap in gebruik heeft over te nemen. Daaronder vallen tevens de, bij de VOF in gebruik zijnde, activa die in volle eigendom aan de voormalig medevennoot toebehoorden (artikel 13, lid 2).

2.5.

Bij aangetekende brief van 19 april 2018 heeft [gedaagde] aan [eiseres] te kennen gegeven dat hij de onderneming van de VOF wenst voort te zetten en dat hij de activa die de VOF in gebruik heeft, waaronder de activa die in eigendom volledig aan [vader] toebehoorden, wenst over te nemen.

2.6.

[gedaagde] heeft na het overlijden van [vader] de activiteiten van de VOF feitelijk voor eigen rekening en risico en onder gebruikmaking van de activa van de VOF voortgezet.

2.7.

[eiseres] heeft in januari 2020 circa zeven hectare grasland, gelegen nabij de [adres] verkocht aan een derde. De levering vond plaats op 14 februari 2020. Dit grasland behoorde tot het vermogen van [vader] .

2.8.

Naar aanleiding van de verkoop heeft [gedaagde] bij brief van 24 maart 2020 [eiseres] erop gewezen dat hij op grond van het voortzettingsbeding als bedoeld in artikel 13 van de vennootschapsovereenkomst het (eerste) recht had om dat grasland van [eiseres] over te nemen en dat hij [eiseres] aansprakelijk houdt voor de door hem geleden schade.

2.9.

Op 9 april 2020 heeft [gedaagde] conservatoir beslag tot nakoming en levering doen leggen op de overige onroerende zaken die aan [vader] toebehoorden. Het gaat om de percelen aan de [adres] , de percelen aan de [adres] , de percelen aan de [adres] en het perceel (nabij [adres] ) aan de Middenweg [adres] .

2.10.

Ten aanzien van het perceel aan de [adres] (nabij [adres] ) te [adres] (hierna: het perceel) is een overeenkomst tot grondgebruik gesloten. Voor zover relevant vermeldt de overeenkomst het volgende:

“De overeenkomst is gesloten op 1-3-2017 tussen:

Ingebruikgever:

[A.] / [vader]

[adres]

en gebruiker:

[gebruiker1]

Bij het tekenen van de grondgebruikersverklaring die loopt van 01-01-2017 tot 31-12-2017 zijn de volgende afspraken gemaakt:

1. De vergoeding die de ingebruikgever ontvangt bedraagt € 1.600 per hectare, totaal per jaar € 35.232,-

(…)

3. De percelen land worden onder nummer 56-60,61 aangegeven op de bijgesloten

bedrijfskaart.

4. Betaling gebeurt in 2 gelijke delen € 17.616,- op 1 april en 1 augustus van dit jaar.
(…)”

De overeenkomst is ondertekend door [vader] en de firma [gebruiker1] . Op 3 april 2017 is een bedrag van € 17.616,-, met daarbij de omschrijving: eerste deel landhuur 2017, op de bankrekening ten name van [eiseres] betaald. Op 8 augustus 2017 is een bedrag van € 17.136,-, met de omschrijving: landhuur [gebruiker1] tweede deel 2017, op dezelfde bankrekening van [eiseres] betaald.

Op 19 december 2017 is ten aanzien van het perceel een soortgelijke overeenkomst tot grondgebruik gesloten. De overeenkomst vermeldt voor zover relevant:

“De overeenkomst is gesloten op 19-12-2017 tussen:

Ingebruikgever:

[A.] / [vader]

[adres]

en gebruiker:

[gebruiker2]

Bij het tekenen van de grondgebruikersverklaring die loopt van 01-01-2018 tot 01-09-2018 zijn de volgende afspraken gemaakt:

  1. Door ingebruikgever is totaal 29 hectare ingebruik gegeven aan gebruiker

  2. De percelen land worden onder nummer 56, 57, 58, 59, 60, 62, 65 en 66 aangegeven op bijgesloten bedrijfskaarten.

  3. De vergoeding voor

9 ha aardappelen in [adres] bedraagt € 1.600,- per ha,

5 ha zomertarwe in [adres] bedraagt € 900,- per ha,

8 ha aardappelen in [adres] bedraagt € 1.700,- per ha,

7 ha zomertarwe € 900,- per ha

4. Betaling gebeurt in 2 termijnen. € 10.000 per 1 april en het restant € 28.800 per 1 september van dit jaar. (…)”

De overeenkomst is ondertekend door [vader] en [gebruiker2] . Op 3 april 2018 is een bedrag van € 10.000,- met daarbij de omschrijving: 1ste betaling landhuur, op de bankrekening ten name van [eiseres] betaald. Op 7 september 2018 is een bedrag van € 28.800,- met de omschrijving: 2de betaling landhuur 2018, op dezelfde bankrekening van [eiseres] betaald.

2.11.

[eiseres] heeft bij koopovereenkomst van 12 januari 2021 het perceel verkocht aan een derde voor een koopprijs van € 1.482.816,50 k.k. De beoogde levering van het perceel vindt plaats op 31 maart 2021.

2.12.

Bij e-mail van 5 maart 2021 heeft (de advocaat van) [eiseres] [gedaagde] verzocht het beslag dat op het perceel rust op te heffen. Aan dat verzoek is niet voldaan.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

“I. Het door of namens Zoon [gedaagde] op 9 april 2020 gelegde conservatoire beslag tot levering op de onroerende zaken gelegen nabij [adres] , kadastraal bekend gemeente [adres] , op te heffen;

II. Zoon [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover, indien deze kosten niet binnen twee weken na het in dezen te wijzen vonnis zijn voldaan.”

3.2.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat het door [gedaagde] ingeroepen recht op levering ondeugdelijk is aangezien het perceel op het moment van overlijden van [vader] niet in gebruik was van de VOF en [gedaagde] daarom geen recht op levering daarvan heeft. Het op het perceel rustende beslag moet daarom worden opgeheven.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Een vordering in kort geding kan slechts worden toegewezen indien eiseres daarbij een zodanig spoedeisend belang heeft dat van haar niet kan worden gevergd een beslissing in een bodemprocedure af te wachten. De voorzieningenrechter dient daarbij te beoordelen of op basis van de feiten en omstandigheden en zonder nadere bewijslevering de vordering die bij wijze van voorziening is verzocht in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop het treffen van een onmiddellijke voorziening bij voorraad gerechtvaardigd is.

4.2.

[gedaagde] heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat van een spoedeisend belang geen sprake is. De voorzieningenrechter verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat [eiseres] het perceel op 12 januari 2021 heeft verkocht en dat de beoogde levering daarvan op 31 maart 2021 moet plaatsvinden. Het conservatoire beslag dat op het perceel rust, staat aan levering in de weg zodat [eiseres] op dit moment het risico loopt een boete te verbeuren ter hoogte van € 150.000,- (10% van de koopsom). Dat [eiseres] zich voorafgaand aan de verkoop van het perceel al dan niet heeft gerealiseerd dat er beslag ligt op het perceel, doet niet af aan het spoedeisend belang.

4.3.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of het namens [gedaagde] gelegde beslag op het perceel opgeheven moet worden.

4.4.

De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag.

4.5.

[eiseres] stelt dat het perceel sinds jaar en dag in eigendom was van de familie van [eiseres] en dat het tot 2008 aan haar toebehoorde. Om fiscale redenen is het perceel in 2008 op naam van [vader] gezet. Het perceel is niet ingebracht in de VOF en de VOF gebruikte het perceel niet, omdat het altijd werd verhuurd aan derden. De lasten (en de lusten) van het perceel zijn daarom ook niet voor rekening van de VOF gekomen, maar kwamen altijd voor rekening van [vader] . Na diens overlijden zijn de lasten altijd voor rekening van [eiseres] gekomen. Bovendien is van belang dat [gedaagde] niet over voldoende financiële middelen beschikt om het perceel over te kunnen nemen. [eiseres] kan voor het perceel nu een koopprijs van circa € 1.500.000,- ontvangen. Volgens [eiseres] kan [gedaagde] dat bedrag niet betalen, omdat hij eind 2019 al niet in staat bleek een koopprijs van € 765.000,- te betalen voor het perceel aan de [adres] . [gedaagde] heeft na het overlijden van [vader] nooit onderbouwde en reële voorstellen gedaan voor de overname van door de VOF gebruikte activa, terwijl [eiseres] hem alle tijd en kansen heeft gegeven om op eigen benen te staan en een eigen onderneming op te bouwen. Het door [gedaagde] ter zake van de conservatoire beslaglegging ingeroepen recht tot levering is dan ook ondeugdelijk, zodat het beslag opgeheven moet worden, aldus steeds [eiseres] .

4.6.

[gedaagde] voert aan dat vanuit de VOF het beheer en onderhoud werden gedaan van de boerderijen en landerijen van [vader] . [vader] exploiteerde naast de paardenstalling nog twee andere ondernemingen, de werkzaamheden die werden uitgevoerd op de verschillende percelen van [vader] en de kosten die daarvoor werden gemaakt liepen door elkaar. Dat blijkt volgens [gedaagde] uit de door hem overgelegde facturen. Tal van kosten die betrekking hadden op de landerijen en boerderijen die niet van de VOF waren, werden geboekt in de VOF. Vaak waren de landerijen van [vader] feitelijk in gebruik bij de VOF om hooi vanaf te halen voor de paarden, maar ook werden de kosten van de juridische procedures die [vader] tegen de gemeente voerde over zijn bezittingen gedragen door de VOF. Ook de kosten voor het onderhoud van het perceel werden door de VOF gedragen. [gedaagde] verwijst bij wijze van voorbeeld naar een factuur van loonbedrijf R. Knip waarbij ‘het sloten’ van het perceel te [adres] in rekening is gebracht bij de VOF. Dat het perceel zo nu en dan was verhuurd betekent volgens [gedaagde] niet dat het niet in gebruik was bij de VOF. Een stuk grond is immers in verband met de wisselteelt niet jarenlang voor hetzelfde gewas te gebruiken en de VOF had vooral belang bij grasland voor de hooiproductie. Ten slotte wijst [gedaagde] op het verband tussen de voortzetting van de onderneming van de VOF en de afwikkeling van de nalatenschap van [vader] . Omdat de nalatenschap, nu drie jaar na het overlijden van [vader] , nog altijd niet is afgewikkeld, wacht [gedaagde] nog steeds op zijn erfdeel van circa € 2.000.000,-. Als gevolg daarvan kan hij nu geen financiering afsluiten bij de bank en kan hij nog geen percelen die bij de VOF in gebruik waren overnemen, aldus [gedaagde] .

4.7.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende komen vast te staan dat het perceel ten tijde van het overlijden van [vader] in gebruik was bij de VOF en dat [gedaagde] recht heeft op levering daarvan. Het volgende is daarvoor redengevend. [eiseres] stelt dat het perceel altijd verhuurd is geweest aan derden. Uit de overeenkomsten tot grondgebruik volgt in ieder geval dat het beslagen perceel in 2017 en in de periode van 1 januari 2018 tot 1 september 2018 was verhuurd aan derden. Ter zitting heeft [eiseres] verklaard dat het perceel ook na september 2018 in gebruik is gegeven aan een derde en dat er een huurovereenkomst is gesloten voor de duur van drie jaar. De bankafschriften laten daarbij zien dat de huurpenningen niet ten gunste van de VOF zijn gekomen, maar dat deze steeds aan [eiseres] zijn betaald. Op het moment van overlijden van [vader] , in januari 2018, was het perceel daarom feitelijk niet in gebruik bij de VOF. [gedaagde] heeft aangevoerd dat de VOF belast was met het beheer en onderhoud van de landerijen van [vader] , waaronder het perceel - ongeacht het gegeven dat het perceel zo nu en dan was verhuurd ‑ en dat daar kosten voor werden gemaakt die voor rekening kwamen van de VOF. [eiseres] heeft betwist dat de kosten die werden gemaakt voor de verschillende ondernemingen van [vader] door elkaar liepen, aangezien er drie aparte boekhoudingen bestonden en de kosten achteraf altijd ten behoeve van de juiste onderneming werden verrekenend. Hoe het ook zij, ook als zou komen vast te staan dat er zo nu en dan werkzaamheden op het perceel werden uitgevoerd waarvan de VOF de kosten heeft gedragen, betekent dit nog niet dat het perceel ook bij de VOF in gebruik was.

4.8.

Uit het voorgaande volgt dat onvoldoende is gebleken dat [gedaagde] een recht op levering van het perceel heeft om het beslag te handhaven. Voorts heeft [eiseres] bij deze stand van zaken gelet op het boetebeding in de verkoopovereenkomst een zwaarder wegend belang bij opheffing van het beslag, dan [gedaagde] bij handhaving daarvan. Voor zover [gedaagde] heeft willen betogen dat het beslag mede is gelegd tot verhaal van schadevergoeding wegens tekortkoming in de nakoming van het vennootschapscontract, vindt dat betoog geen steun in het verzoekschrift op grond waarvan het verlof tot beslaglegging is verleend. De vordering van [eiseres] tot opheffing van het beslag op het perceel zal daarom worden toegewezen.

4.9.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de proceskosten tussen [eiseres] en [gedaagde] zo te compenseren dat ieder van hen de eigen kosten draagt. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat dit geschil niet los kan worden gezien van de gehele afwikkeling van de nalatenschap van [vader] .

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op het door of namens [gedaagde] op 9 april 2020 gelegde conservatoire beslag ten laste van [eiseres] op de onroerende zaken gelegen nabij [adres] , kadastraal bekend gemeente [adres] ,

5.2.

compenseert de proceskosten tussen partijen zo dat ieder van hen de eigen kosten draagt,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 26 maart 2021.

Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.