Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:2533

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-03-2021
Datum publicatie
30-03-2021
Zaaknummer
1509758520
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis brandstichting flat te Haarlem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15-097585-20 (P)

Uitspraakdatum: 30 maart 2021

Tegenspraak

Dit tussenvonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 maart 2021 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in P.I. Zwolle Zuid 2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.M.H.G. Peters en van hetgeen de verdachte en haar raadsman, mr. F.W. Huizinga, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 8 april 2020 in de gemeente Haarlem in een flatwoning gelegen aan de [adres] opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met bio brandspiritus, althans een vluchtige ontbrandbare vloeistof en/of huisraad, althans een of meer brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die woning en/of de inboedel van die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor andere woningen en/of de inboedels van die andere woningen in hetzelfde flatgebouw, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor bewoners van andere woningen in dat flatgebouw, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bewoners van andere woningen in dat flatgebouw, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was.

2 Beraadslaging

Onder beraadslaging is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. Het onderzoek ter terechtzitting zal in verband hiermee dienen te worden hervat.

De rechtbank heeft kennis genomen van de Pro Justitia rapportages d.d. 26 november 2020, opgemaakt door drs. Y. Nijhuis, GZ-psycholoog, onder supervisie van drs. L. Heukelom, GZ-psycholoog respectievelijk die van drs. M.H. Heus, psychiater.

Door beide deskundigen is bij de verdachte een psychische stoornis vastgesteld die ook aanwezig was ten tijde van het tenlastegelegde en die de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte heeft beïnvloed. Om het als serieus ingeschatte recidivegevaar voor de toekomst te beperken hebben beide deskundigen aanbevelingen omtrent de noodzakelijk geachte behandeling en begeleiding gedaan. De deskundigen hebben vervolgens onderzocht welk juridisch kader het meest geschikt zou zijn om de complexe problematiek met kans op succes te behandelen.

Daartoe is door de psycholoog als volgt overwogen:

Gezien het hoge recidiverisico, de ernst van het tenlastegelegde, de vroege en ernstige hechtingsproblematiek en complexe psychopathologie wordt een klinisch forensisch behandelkader noodzakelijk geacht. Er is overwogen de interventies onderdeel te laten uitmaken van bijzondere voorwaarden binnen een (deels) voorwaardelijke straf. Echter gezien de beperkte motivatie en het wantrouwen in de hulpverlening bestaat er een kans dat onderzochte zich niet aan de voorwaarden zal houden en dan terug in de gevangenis belandt waar ze geen behandeling meer krijgt terwijl het recidiverisico nog onverminderd hoog is. Wegens de psychotische stoornis is eveneens stilgestaan bij de mogelijkheid van het adviseren van een zorgmachtiging. Deze vorm van behandeling biedt echter onvoldoende mogelijkheden om de bij onderzochte aanwezige persoonlijkheidsproblematiek goed te behandelen, hetgeen noodzakelijk wordt geacht om het recidiverisico omlaag te brengen. Er is een strikter kader benodigd en een langdurige vorm van behandeling. Om deze reden zien wij een tbs-maatregel als een passend kader om eerdergenoemde interventies te realiseren.

Vervolgens is overwogen of deze tbs-maatregel in de vorm van dwang of met voorwaarden geadviseerd zou moeten worden.

Een tbs met dwangverpleging wordt als een (te) zware maatregel gezien als in aanmerking wordt genomen dat er nog niet eerder een behandeltraject is uitgeprobeerd, onderzochte nog een nagenoeg blanco strafblad heeft en het ten laste gelegde heeft plaatsgevonden na

een lange periode van opstapeling van gevoelens van onveiligheid en achterdocht. Tegelijkertijd komt uit de risicotaxatie naar voren dat het risico op recidive, zeker op de lange termijn, als hoog wordt ingeschat. Alles in aanmerking nemend gaat de voorkeur uit naar een tbs met voorwaarden.

Met overwegingen van dezelfde strekking komt de psychiater tot het advies door middel van nog te voeren gesprekken met de reclassering de behandelmotivatie en de haalbaarheid van tbs met voorwaarden te onderzoeken.

Ter terechtzitting van 22 december 2020 is het onderzoek geschorst om de reclassering in de gelegenheid te stellen een maatregelrapport ten behoeve van een tbs met voorwaarden op te stellen.

Op 9 februari 2021 heeft GGZ Tactus Zwolle gerapporteerd dat zij de mogelijkheden voor een tbs met voorwaarden niet heeft kunnen onderzoeken, omdat de verdachte niet aan dit onderzoek wil meewerken. De reclassering ziet dan ook geen kans om invulling te geven aan de maatregel van tbs met voorwaarden.

Ter terechtzitting van 16 maart 2021 heeft de verdachte laten weten in te stemmen met behandeling, ook indien deze zal plaatsvinden in een gesloten setting. Zij kan zich echter nog steeds niet vinden in de uitkomst van de onderzoeken van de psycholoog en de psychiater dat oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden de voorkeur zou hebben.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gerekwireerd tot een gedeeltelijke bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Gelet op de houding van de verdachte ten aanzien van een tbs-maatregel met voorwaarden heeft de officier van justitie gevorderd de verdachte, naast de oplegging van een gevangenisstraf, een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen. De officier van justitie ziet zich hiertoe met tegenzin gedwongen omdat voor het slagen van een tbs met voorwaarden de betrouwbare bereidheid tot medewerking van de veroordeelde noodzakelijk is en die ontbreekt.

De rechtbank overweegt als volgt.

De deskundigen hebben na uitvoerig onderzoek gemotiveerd aangegeven hoe zij met inachtneming van meerdere theoretische opties tot hun advies zijn gekomen. Als juridisch kader voor behandeling van de verdachte wordt oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden het meest passend geacht. Nu nog niet eerder een behandeltraject is uitgeprobeerd wordt terbeschikkingstelling met dwangverpleging een te zware maatregel geacht.

De rechtbank volgt de goed gefundeerde oordelen en daaruit voortvloeiende adviezen van de deskundigen en maakt deze tot de hare. De opstelling van de verdachte, die de officier van justitie geen andere keuze liet dan terbeschikkingstelling met dwangverpleging te vorderen, zou bij de bevindingen van beide deskundigen ook de rechtbank geen andere mogelijkheid laten dan oplegging van deze maatregel. Gelet op de ingrijpendheid van de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging in het licht van de argumenten die bij de deskundigen hebben geleid tot hun advies, zou de rechtbank niet zonder nader onderzoek willen overgaan tot oplegging daarvan. De rechtbank wil bij het - zo spoedig mogelijk - te hervatten onderzoek met verdachte in gesprek over een modaliteit waarin de noodzakelijk geachte behandeling weliswaar niet in het kader van een bevel tot verpleging van overheidswege maar wel onder de beschermende werking van de maatregel terbeschikkingstelling kan plaatsvinden.

3 Beslissing

De rechtbank:

heropent en schorst het onderzoek ter terechtzitting.

Beveelt dat het onderzoek zo spoedig mogelijk zal worden hervat op een nog nader te bepalen terechtzitting.

Beveelt de oproeping van verdachte tegen een nader te bepalen tijdstip, met kennisgeving daarvan aan de raadsman.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Visser, voorzitter,

mr. M.J.M. Verpalen en mr. C. Maas, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 maart 2021.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.