Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:2294

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
8227220 \ CV EXPL 19-19308
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Luchtvaartzaak. Anders dan de passagier stelt maakt de omstandigheid dat te Schiphol sneeuw kan vallen in december niet dat de-icing als gevolg van de weersomstandigheden geen buitengewone omstandigheid kan vormen dan wel dat de vervoerder dit heeft kunnen voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8227220 \ CV EXPL 19-19308

Uitspraakdatum: 10 maart 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[de passagier]

wonende te [woonplaats]

eiser

hierna te noemen de passagier

gemachtigde Yource B.V.

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

United Airlines Inc.

gevestigd en kantoorhoudende te Wilmington, Delaware (Verenigde Staten)

gedaagde

hierna te noemen de vervoerder

gemachtigde mr. R.L.S.M. Pessers en mr. J.I.J. van Pelt

1 Het procesverloop

1.1.

De passagier heeft bij dagvaarding van 11 december 2019 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

De passagier heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. De passagier heeft hierna nog een akte genomen.

2 De feiten

2.1.

De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan laatstgenoemde de passagier diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport via Washington Dulles International Airport (Verenigde Staten) naar Billy Bishop Toronto City Airport (Canada) op 12 december 2017.

2.2.

De vlucht van Amsterdam-Schiphol Airport naar Washington is met vertraging uitgevoerd, waarna de passagier de aansluitende vlucht heeft gemist. De passagier is omgeboekt en met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming aangekomen.

2.3.

De passagier heeft compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.

2.4.

De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3 De vordering

De passagier vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der incident tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 181,50, althans € 108,90, althans een in redelijke justitie te bepalen bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen. - een certificaat als bedoeld in artikel 53 herziene EEX-Verordening 1215/2012.

3.1.

De passagier heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is de passagier te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00.

4 Het verweer

4.1.

De vervoerder betwist de vordering. Zij voert aan dat de vlucht vanwege buitengewone omstandigheden met vertraging is uitgevoerd. Op 12 december 2017 werd de uitvoering van het luchtverkeer op Schiphol zwaar verstoord door hevige sneeuwval. Honderden vluchten zijn vertraagd en geannuleerd. Er was sprake van een onverwacht vliegveiligheidsprobleem namelijk mogelijke ijsvorming op vliegtuigen. De ijsvorming verstoort het vleugelprofiel hetgeen problemen oplevert voor de ‘lift’ van het vliegtuig. Wanneer een toestel vertrekt met ijs op de vleugels verliezen de vleugels een deel van het liftvermogen. Daarnaast wordt een vliegtuig onbestuurbaar indien de besturingselementen, de flaps en het landingsgestel getroffen worden door ijsvorming. Een toestel mag daarom vanwege veiligheidsredenen niet vertrekken voordat het volledig ijsvrij is gemaakt. Dit moet vlak voor vertrek gebeuren, zodat niet opnieuw ijsvorming optreedt. Het vliegtuig moet hiervoor naar een speciaal de-icing platform en mag niet zelf bepalen wanneer het de-icing proces plaatsvindt. Het vliegtuig moet wachten op zijn beurt. De zware sneeuwval leidde tot grote capaciteitsproblemen bij de-icing, waardoor congestie is ontstaan. Hierdoor konden veel minder vluchten vertrekken dan oorspronkelijk gepland. Luchtverkeersbeheer daarbij restricties opgelegd om het gebruikelijke niveau van veilige vluchtuitvoering te handhaven. De vlucht is als gevolg hiervan met een vertraging van 139 minuten vertrokken. De vervoerder heeft op de weersomstandigheden, de opgelegde restricties en de verplichte de-icing geen invloed kunnen uitoefenen. De vervoerder heeft de passagier omgeboekt te Washington naar de eerst beschikbare vlucht en voorts zorggedragen voor een hotelovernachting en eten en drinken.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

5.2.

Vast staat dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur is aangekomen op de eindbestemming, te Toronto, zodat de vervoerder op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening.

5.3.

In de punten 14 en 15 van de considerans van de Verordening staat dat omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening zich onder meer kunnen voordoen in geval van weersomstandigheden die de uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen en wanneer een besluit van de luchtverkeersleiding voor een specifiek toestel op een specifieke dag een langdurige vertraging, een vertraging van een nacht of de annulering van één of meer vluchten van dat vliegtuig veroorzaakt.

5.4.

De vervoerder heeft voldoende aangetoond dat zij om 12:20 uur lokale tijd, 20 minuten na de oorspronkelijke geplande vertrektijd, klaar stond voor vertrek en dat de luchtverkeersleiding een “Target Start-up Approval Time” heeft uitgegeven voor 14:16 uur lokale tijd. Uit de overgelegde verklaring van luchtverkeersleiding Nederland volgt voorts afdoende dat vanwege de weersomstandigheden van de voorafgaande dag restricties golden tussen 00:00 uur lokale tijd en 17:00 uur lokale tijd als gevolg van een tekort aan de-icing capaciteit. De vervoerder heeft toegelicht dat het voor de veilige uitvoering van de vlucht cruciaal is dat de-icing plaatsvindt, dat de vervoerder niet zelf kan bepalen wanneer de de-icing plaatsvindt en dat de-icing vlak voor uitvoering van de vlucht dient plaats te vinden. Anders dan de passagier stelt maakt de omstandigheid dat te Schiphol sneeuw kan vallen in december niet dat de-icing als gevolg van de weersomstandigheden geen buitengewone omstandigheid kan vormen dan wel dat de vervoerder dit heeft kunnen voorzien. De vervoerder heeft voldoende onderbouwd dat zij afhankelijk is van de faciliteiten van Schiphol en de luchtverkeersleiding, ook al houdt de vervoerder er te allen tijde rekening mee dat het in de winter kan sneeuwen. De vervoerder heeft daarbij voldoende aannemelijk gemaakt dat de wachttijd wordt bepaald door de luchtverkeersleiding en dat de vervoerder hierop geen invloed kan uitoefenen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat zowel het wachten op de-icing als de de-icing procedure kunnen worden aangemerkt als buitengewone omstandigheden.

5.5.

Gelet op alle omstandigheden van het onderhavige geval is de kantonrechter dan ook van oordeel dat sprake is van omstandigheden die zijn aan te merken als buitengewoon, in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening. Onbetwist is dat de passagier door bovengenoemde omstandigheden zijn aansluitende vlucht heeft gemist waardoor hij met een langdurige vertraging op zijn eindbestemming is aangekomen.

5.6.

De vraag die de kantonrechter vervolgens dient te beantwoorden is of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om te vertraging van de passagier op de eindbestemming te beperken. Uit hetgeen in 5.4. is overwogen volgt dat de vervoerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen invloed heeft kunnen oefenen op de genoemde omstandigheden. De vervoerder heeft voorts onbetwist aangevoerd dat zij de passagier te Washington heeft omgeboekt naar de eerst volgende vlucht naar Toronto. De kantonrechter beantwoordt de vraag dan ook bevestigend. De vordering op grond van artikel 7 van de Verordening wordt afgewezen. De nevenvorderingen delen dit lot.

5.7.

De proceskosten komen voor rekening van passagier, omdat deze ongelijk krijgt. Weliswaar heeft de passagier verzocht de vervoerder ook in het geval deze wordt gevolgd in haar verweer dat sprake is van een buitengewone omstandigheid in de proceskosten te veroordelen, maar dat verzoek wordt afgewezen. De passagier heeft niet gesteld dat hij niet tot dagvaarding over zou zijn gegaan als hij voorafgaande aan de procedure door de vervoerder in kennis zouden zijn gesteld van feiten en omstandigheden die pas in deze procedure bij de passagier bekend zijn geworden. Er is daarom geen grond voor de stelling dat deze procedure voorkomen had kunnen worden als de vervoerder in een eerder stadium meer informatie zou hebben gegeven.

5.8.

Ook de nakosten komen voor rekening van de passagier, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt de passagier tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 248,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder en veroordeelt de passagier tot betaling van € 63,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt;

6.3.

verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.E. van Oosten-van Smaalen, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter